Strafrecht overig
Conclusie AG. Rijden onder invloed van alcohol (art. 8.2.a WVW 1994). Bestanddeel “onderzoek” a.b.i. art…
ECLI:NL:PHR:2026:874 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-874
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 11 september 2026
- Zaaknummer
- 25/00601
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:874
Samenvatting
Conclusie AG. Rijden onder invloed van alcohol (art. 8.2.a WVW 1994). Bestanddeel “onderzoek” a.b.i. art. 8.2.a WVW 1994. Sprake van schending strikte waarborgen nu uit uitslagformulier ademonderzoek blijkt dat kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van kalibratiegasconcentratie (namelijk 5,86%)? In per 1 juli 2017 vervallen bijlage 1 bij Regeling ademanalyse (oud) stond als eis dat ademanalyseapparaten het ademonderzoek voortijdig moesten beëindigen indien (kalibratiecontrole-)meting van kalibratiegas meer dan 5% afwijkt van (vooraf bekende) alcoholconcentratie van kalibratiegas. Deze eis raakt volgens AG rechtstreeks aan betrouwbaarheid en juistheid van onderzoek a.b.i. art. 8.2.a WVW 1994 en behoorde daarom (in ieder geval) tot 1 juli 2017 tot stelsel van strikte waarborgen. Toelichting op per 1 juli 2017 ingevoerde Badgv en Radgv (Besluit en Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) vermeldt dat minister het “onnodig” vond om de eisen uit bijlage bij Regeling ademanalyse op te nemen, omdat die eisen sinds 2013 zijn neergelegd in (openbaar toegankelijk) document van politie over aanbestedingsprocedure voor aanschaf van nieuwe ademanalyseapparaten. Gelet op deze toelichting en onder verwijzing naar HR:2020:1902 meent AG dat eisen uit de bijlage materieel gezien nog steeds gelden en dus ook van toepassing zijn op ademonderzoeken die zijn verricht na 1 juli 2017. Oordeel hof dat geen sprake is van strikte waarborg omdat eis niet is neergelegd in Badgv of Radgv, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00601
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnr. 20-000657-24) heeft op 5 februari 2025 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 februari 2024 bevestigd met aanvulling van de gronden. In dat vonnis is de verdachte wegens “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (730 µg/l)” – kort gezegd: rijden onder invloed – veroordeeld tot een geldboete van € 850,- (subsidiair 17 dagen hechtenis) en een rijontzegging voor de duur van 210 dagen (met aftrek als bedoeld in art. 179 lid 6 WVW 1994), waarvan 128 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van twee jaren).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat B. Tijsterman heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2 Waar het in deze zaak om gaat
In de avond van 15 juli 2023 was de verdachte betrokken bij een verkeersongeval. De verdachte is toen onderworpen aan een voorlopig ademonderzoek op straat (beter bekend als de blaastest). Dat leverde een verdenking op van rijden onder invloed. Op het politiebureau heeft de verdachte vervolgens een ademonderzoek ondergaan als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het resultaat van dit onderzoek bedroeg 730 µg/l. De bewezenverklaring is gebaseerd op dit resultaat.
Op het uitslagformulier van het ademonderzoek (hierna onder 3.2 geciteerd als bewijsmiddel 3) staat niet alleen het resultaat van het ademonderzoek. Het ademanalyseapparaat voert voorafgaand aan het ademonderzoek bijvoorbeeld ook een nulpuntmeting uit, waarbij lucht zonder alcohol door de meetkamer wordt geblazen en waarmee – bij een nulpuntresultaat van 0 µg/l – wordt bevestigd dat er geen alcoholresten in het apparaat zijn achtergebleven. Daarnaast voert het ademanalyseapparaat een kalibratiecontrole uit. Bij die controle wordt een gecertificeerd kalibratiegas met een vooraf bekende concentratie alcohol door het apparaat gevoerd en gemeten. De resultaten van de nulpuntmeting en de kalibratiecontrole worden op het uitslagformulier van het onderzoek weergegeven.
In eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het ademonderzoek in het onderhavige geval – kort gezegd – niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Het gaat de verdediging om het resultaat van de hiervoor genoemde kalibratiecontrole. De verdediging leidt uit de door de politie gepubliceerde eisen uit de aanbestedingsprocedure voor ademanalyseapparaten af dat de (kalibratiecontrole-)meting van het kalibratiegas niet meer dan 5% mag afwijken van de (vooraf bekende) alcoholconcentratie van het kalibratiegas. Deze eis is terug te voeren op een bijlage bij de inmiddels vervallen Regeling Ademanalyse. In de onderhavige zaak is de afwijking volgens de verdediging groter, aangezien op het uitslagformulier van het ademonderzoek staat dat de alcoholconcentratie van het kalibratiegas 478 µg/l was, terwijl het kalibratiecontrole-resultaat 450 µg/l bedraagt. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van een strikte waarborg, zodat geen sprake is van een “onderzoek” als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a WVW 1994 en de verdachte moet worden vrijgesproken.
De cassatiemiddelen richten zich in de kern tegen de verwerping van laatstgenoemd standpunt door het hof.
3 De bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij
“op 15 juli 2023 te [plaats] , gemeente [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (bedrijfsauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 730 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Middelburg van 22 februari 2024, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :
Ik had rond de acht flesjes bier gedronken. Om daarna in de auto te stappen was een domme beslissing. Ik was klaar met werken en wilde naar huis (het hof begrijpt, gezien de verklaring van de verdachte bij de politie op 15 juli 2023: op 15 juli 2023, vanaf zijn eigen groenteteeltbedrijf).
2. Het proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 16 juli 2023, proces- verbaalnummer PL2000-2023180467-1, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 15 juli 2023 Om 20:45 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval op de [a-straat] , [plaats] , binnen de gemeente [plaats] . Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek dat een persoon als bestuurder van een voertuig bedrijfsauto (Bestelauto), Volkswagen Caddy Sdi 51 Kw, Nederland, [kenteken] , bij dat verkeersongeval betrokken was.
Ik, [verbalisant 1] ( […] ), heb op zaterdag 15 juli 2023 om 21:15 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 1] ( […] ), hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 1] ( […] ), dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F.
Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld.
Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.
De verdachte gaf op te zijn genaamd:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats: [plaats] in Nederland.
Op zaterdag 15 juli 2023 om 21:16 uur, heb ik, [verbalisant 1] ( […] ), de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld, dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert.
Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie, [b-straat 1] , [postcode] [plaats] .
Op zaterdag 15 juli 2023 om 21:42 uur, zijnde het eerste tijdstip vermeld op de bijgevoegde afdruk, heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant 2] ( […] ), opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a, Wegenverkeerswet 1994. Dit eerste tijdstip is niet gelegen binnen 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht zijnde zaterdag 15 juli 2023 om 21:15 uur.
Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat is aangewezen door de Minister van Justitie en Veiligheid. Ik verklaar, dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat, is geldig tot de datum die staat vermeld op de bij dit proces-verbaal bijgevoegde afdruk met het resultaat van het ademanalyseonderzoek.
Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarvan de uitslag is vermeld op de bijgevoegde afdruk(ken). Aan de verdachte is direct meegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 730 ug/l bedroeg. De niet aangehouden verdachte verliet op zaterdag 15 juli 2023 om 22:30 uur het voornoemde bureau.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uitslagformulier ademanalyseonderzoek, als bijlage bij bewijsmiddel 2, voor zover inhoudende:
Bureau: [plaats]
Achternaam verdachte: [verdachte]
Voornaam verdachte: [verdachte]
Startdatum/-tijd: 15 juli 2023 21:42 uur
Einddatum/-tijd: 15 juli 2023 21:47 uur
Nulpunt: 0 µg/l
Kalibratie-resultaat: 450 µg/l
Nulpunt: 0 µg/l
Meetresultaat: 860 µg/l
Ademvolume: 2.1 L
Blaastijd/-duur: 21:44 Z / 8,3 s
Nulpunt: 0 µg/l
Meetresultaat: 870 µg/l
Blaastijd/-duur: 21:45 Z / 7,2 s
Nulpunt: 0 µg/l
Kalibratie-resultaat: 450 µg/l
Nulpunt: 0 µg/l
Kalibratie-gas concentr.: 478 µg/l
Ademonderzoek-resultaat: 730 µg/l
Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de verdediging het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten):
“Bewijsoverwegingen politierechter
3. Naar aanleiding van het door het gevoerde verweer heeft de politierechter de volgende bewijsoverwegingen gegeven:
• Het apparaat was één dag voor de pleegdatum goedgekeurd door het NMi.
• Het apparaat had dus bij een onjuiste meting moeten afsluiten.
• De (bijlage bij de) Regeling ademanalyse is niet meer geldig.
• De term kalibratiecontroleresultaat staat wel in de Regeling, maar staat niet op het ademticket.
4. Met de eerste twee overwegingen miskent de politierechter dat uit het niet-afslaan van het apparaat niet blijkt dat het apparaat dus goed heeft gewerkt. Bij de hypothese van de verdediging (namelijk dat het apparaat onjuist heeft gewerkt en dat het apparaat de meting ondanks overschrijding van de marge van het kalibratiecontroleresultaat niet voortijdig heeft beëindigd) is de verwachting immers dat er ‘gewoon’ een uitslag wordt gegenereerd. Dat het apparaat één dag tevoren door het NMi is goedgekeurd doet hier niet aan af, reeds omdat niet is vastgesteld dat het NMi ook op deze punten test. Daarmee is een met de bewezenverklaring niet-strijdig verweer opengebleven.
5. Wat betreft de een-na-laatste overwegingen zij erop gewezen dat de verdediging niet verwezen heeft naar de bijlage bij de Regeling ademanalyse, maar naar de door de politie gepubliceerde eisen uit de aanbestedingsprocedure. Deze verplichting bestaat op basis van artikel 10 van het geldende Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Deze eisen zijn hetzelfde als de eisen uit de bijlage bij de Regeling ademanalyse – sterker nog: de bijlage is Regeling ademanalyse (inclusief bijlagen integraal) opgenomen. De eisen die thans gelden zijn dus de eisen uit de bijlage van de Regeling ademanalyse.
6. Het gevolg hiervan is dat de laatste overweging van de politierechter er (indien tot zijn logische conclusie doorgevoerd) toe had moeten leiden dat de politierechter dan tot de conclusie had moeten komen dat het ademticket ongeldig is. Onderdeel 3.9.1. van de geldende eisen schrijft immers dwingend voor dat het kalibratiecontroleresultaat op het ademticket dient te staan. Zo een vaart hoeft het echter niet te lopen. Ik kom hier onder punt 21 van deze pleitnota nog op terug.
Schending strike waarborgen
7. Uiteraard is het een ding om te zeggen dat de politierechter zijn werk niet goed heeft gedaan; maar daarmee staat niet vast dat de uitspraak anders had dienen te luiden. Met inachtneming van het bovenstaande meent de verdediging echter dat tot geen andere conclusie gekomen kan worden dan dat sprake is van schending van een strikte waarborg en dat dus vrijspraak had moeten volgen.
8. Naar vaste rechtspraak is geen sprake van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (voorts: WVW) indien de strikte waarborgen waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd niet zijn nageleefd. Van een strikte waarborg is sprake indien het voorschrift in direct verband staat met de juistheid en de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten; zoals ook i.c.
Maximale afwijking kalibratiecontroleresultaat is strikte waarborg
9. Om de vraag te beantwoorden of sprake is van een schending van een strikte waarborg, moet worden nagegaan of de eis (dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken) een voorschrift is dat de juistheid en de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten tracht te garanderen.
10.Van belang daarvoor is dat paragraaf 3.9.1 bepaalt dat het ademticket, in volgorde, het volgende dient te omvatten:
• nulpuntsresultaat (1);
• kalibratiecontroleresultaat (1);
• nulpuntsresultaat (2);
• meetresultaat (1);
• nulpuntsresultaat (3);
• meetresultaat (2);
• nulpuntsresultaat (4);
• kalibratiecontroleresultaat (2);
• nulpuntsresultaat (5).
11. Paragraaf 3.9.6.1. bepaalt vervolgens dat het apparaat het onderzoek voortijdig dient te beëindigen indien het nulpuntresultaat te hoog is (3.9.6.1.a), als het kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van de nominale waarde (3.9.6.1.b), als er geen twee juiste blaasprestaties worden geleverd (3.9.6.1.c) of als het apparaat een storing signaleert (3.9.6.1.d).
12. Uit de omstandigheid dat het onderzoek voortijdig beëindigd dient te worden blijkt dat het hier gaat om een voorschrift dat van belang is voor de juiste werking van het ademanalyseapparaat. Indien een juiste werking van het ademanalyseapparaat / de betrouwbaarheid van het meetresultaat hierdoor niet wordt geschaad, zou het bepaald overbodig zijn dat het apparaat de blaascyclus voortijdig beëindigd.
13. Vorenstaande is ook logisch als gekeken wordt naar de functie van het kalibratiecontroleresultaat. Voor het kalibreren van het apparaat wordt gebruikt van een kalibratiegas met een nominale waarde tussen de 400 - 500 µg/L. Omdat de samenstelling van het kalibratiegas met voldoende nauwkeurigheid bekend is kan bij de kalibratie gecontroleerd worden of het ademanalyseapparaat de juiste hoeveelheid alcohol meet. Tijdens de kalibratiecontrole wordt vervolgens tussen meetresultaten door gecontroleerd of het apparaat nog steeds de juiste alcoholhoeveelheid meet. Op het moment dat het kalibratiecontroleresultaat meer afwijkt dan 5% van de – vooraf bekende – normale waarde van het kalibratiegas, dan is dat een indicatie dat het ademanalyseapparaat niet meer juist functioneert: het meet dan niet meer de juiste alcoholhoeveelheid.
14. De eis dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% afwijkt is daarmee een eis die rechtstreeks de juistheid en de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat tracht te garanderen en daarmee een strikte waarborg vormt.
HR 3 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0841: strikte waarborg?
15. Hoewel de Hoge Raad zelf niet direct heeft geoordeeld dat deze eis tot de strikte waarborgen behoort, lijkt dit wel voort te vloeien uit diens uitspraak van 3 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0841. In deze zaak was er geen schriftelijke weergave van het onderzoeksresultaat bij het procesdossier gevoegd. De Hoge Raad casseerde en verwees daarbij rechtstreeks naar overweging 9 - 12 van de conclusie van de advocaat-generaal bij dit arrest.
16. In deze conclusie wijst de advocaat-generaal erop dat volgens de geldende voorschriften uit de Regeling ademanalyse het ademticket o.m. het kalibratiecontroleresultaat bevat (overweging 11). In overweging 12 wijst de advocaat-generaal erop dat alleen op basis van deze schriftelijke afdruk, en de daarop verplichtte gegevens, gecontroleerd kan worden of het apparaat correct meet en of de meetresultaten correct zijn berekend. Door het ontbreken van dit stuk, kan dit niet meer worden gecontroleerd zodat het voegen van de schriftelijke weergave (het ademticket) tot het stelsel van strikte waarborgen behoort volgens de advocaat- generaal.
17. De eisen uit de Regeling ademanalyse gelden, o.b.v. een materiële lezing van artikel 10 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer nog steeds, doordat zij zijn opgenomen in de aanbestedingsprocedure. Ook valt niet in te zien waarom het bijvoegen van het ademticket wel een strikte waarborg zou zijn, maar de eisen die gesteld worden aan de inhoud van het ademticket geen strikte waarborg vormt.
18. Het is een heel vreemde redenering om te veronderstellen dat het ontbreken van een ademticket een schending van een strikte waarborg oplevert, o.m. omdat niet kan worden gecontroleerd of het kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt (een gegeven om te controleren of het apparaat goed meet) - om vervolgens een daadwerkelijke afwijking van dit voorschrift niet als strikte waarborg te beoordelen.
19. De enige conclusie die mogelijk is, is dat zowel het voegen van het ademticket bij het procesdossier een strikte waarborg is, als ook de voorschriften die gelden voor het controleren van de juiste werking van het apparaat – die met behulp van het ademticket gecontroleerd kunnen worden.
20. Ook AG Harteveld lijkt tot deze slotsom te komen in overweging 3.9. van diens conclusie van 19 mei 2015 (ECLI:NL:PHR:2015:1270):
“Bij die strikte waarborgen dient men bij de ademanalyse primair te denken aan de waarborgen die rechtstreeks in verband staan met de betrouwbaarheid (of juistheid) van het gegenereerde onderzoeksresultaat [...] de voorschriften met betrekking tot de uitdraai van het resultaat.” (eigen onderstreping)
Waar staat het kalibratiecontroleresultaat?
21. Tot slot staat de verdediging nog kort stil bij de vraag waar het kalibratie(controle)resultaat op het ademticket staat. Hierboven onder 10 is reeds de verplichte volgorde van de meetresultaten genoemd. Daaruit blijkt dat de verplichte volgorde is: nulpunt, kalibratiecontroleresultaat, nulpunt, meetresultaat en zo verder.
22. Op de uitdraai in het dossier valt duidelijk te constateren dat wat aldaar “kalibratie-resultaat” wordt genoemd, overeenkomt met de verplichte plek van het kalibratiecontroleresultaat. Het is evident dat dit het kalibratiecontroleresultaat moet zijn. Ook aan het einde van de meetcyclus bevindt het “kalibratie-resultaat” zich op de aangewezen plek voor het kalibratiecontroleresultaat.
23. Dan de nominale waarde. De nominale waarde wordt bepaald aan de hand van het apart aangesloten kalibratiegas. Volgens paragraaf 1.2 (bijlage 2 van bijlage Q in de aanbestedingsprocedure) moet dit kalibratiegas “een nominale alcoholconcentratie hebben van ten minste 400 microgram per liter en ten hoogste 500 microgram per liter”. De “nominale waarde” uit paragraaf 3.9.6.1 is dus de nominale waarde van de kalibratiegasconcentratie. Deze staat op het ademticket genoemd als “kalibratie-gas concentr.”
24. Gezien de nominale waarde 478 µg/L bedraagt, en het kalibratiecontroleresultaat tweemaal 450 µg/L bedraagt, is er sprake van een afwijking die groter is dan 5%. De maximale waarde mocht namelijk 478 * 0,05 = 23,9 µg/L afwijken. Het controleresultaat mocht dus ten hoogste 454,1 µg/L bedragen. I.c. is sprake van een afwijking van 5,96%: een ruime overschrijding van het gestelde voorschrift dat het kalibratiecontroleresultaat maximaal 5% afwijkt, namelijk afgerond 6%.
Conclusie
25. Aangezien sprake is van schending van een strikte waarborg die de juistheid en betrouwbaarheid van het onderzoek tracht te garanderen, is er geen sprake van een “onderzoek” als bedoeld in artikel 8 WVW. Zodoende dient appellant vrijgesproken te worden van de gehele tenlastelegging.”
Het hof heeft dit standpunt als volgt verworpen:
“Het hof stelt voorop dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, Wegenverkeerswet 1994 slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en de daarop voortbouwende Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Niet alle voorschriften die van toepassing zijn op het onderzoek naar rijden onder invloed behoren echter tot het zogenaamde stelsel van strikte waarborgen. Onderscheidend criterium is dat die voorschriften een strikte waarborg zijn wanneer het voorschrift ertoe strekt de juistheid te waarborgen van het resultaat van het onderzoek.
Het hof stelt vast dat de door de raadsman beweerde eis niet is vermeld in de vorenbedoelde regelgeving. De stelling dat de in een aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van ademanalyseapparaten opgenomen voorwaarde, inhoudende dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de normale waarde van het kalibratiegas, zou moeten doorwerken in artikel 10 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, getuigt naar het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting.
Die zienswijze zou immers strijdig zijn met het legaliteitsbeginsel, inhoudende dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet (daaronder Koninklijke besluiten en ministeriële regelingen begrepen) voorzien. Een en ander leidt er bijgevolg toe dat geen sprake is van een strikte waarborg bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, [AG: ik begrijp 8 lid 2, aanhef en onder a] Wegenverkeerswet 1994. Aldus faalt het verweer.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.”
4 Het juridisch kader
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel heeft in die bepaling.
Art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 luidt:
“2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, […]”
Indien – bijvoorbeeld door het resultaat van een op straat afgenomen blaastest – de verdenking ontstaat dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met art. 8 WVW 1994, moet hij op grond van art. 163 lid 1 en 2 WVW 1994 meewerken aan een (adem)onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994. Vanwege de delictsomschrijving kan de uitslag van dat onderzoek direct tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Daarom is het in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 bedoelde “onderzoek” gebonden aan een veelheid van regels die er tezamen voor moeten zorgen dat het onderzoek zorgvuldig en betrouwbaar plaatsvindt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is pas sprake van een “onderzoek” als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 indien de “strikte waarborgen” zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Het niet in acht nemen van deze essentiële voorschriften betekent dat het bestanddeel “onderzoek” niet bewezen kan worden, zodat daarvan – en daarmee van de gehele tenlastelegging – moet worden vrijgesproken.
De lagere regelgeving waarin veel van deze regels zijn neergelegd, is gebaseerd op art. 163 lid 8 WVW 1994. Die bepaling luidt:
“Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel [AG: (onder meer) een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2 onder a WVW 1994]. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.”
Vandaag de dag zijn de belangrijkste regels neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Badgv) en de daarop gebaseerde Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Radgv).
Bij de hiervoor genoemde “strikte waarborgen” gaat het om regels die zijn bedoeld om te verzekeren dat het resultaat van het onderzoek op betrouwbare wijze tot stand komt en die er (dus) voor zorgen dat de juistheid van dat resultaat niet voor discussie vatbaar is. Het betreft onder meer de eis dat de uitvoerende opsporingsambtenaar voor het bedienen van het ademanalyseapparaat de benodigde kennis en vaardigheden moet hebben (art. 10 lid 4 Badgv) en het voorschrift dat voorafgaand aan het ademonderzoek eerst twintig minuten moeten verstrijken na de voorlopige blaastest op straat of het eerste contact met de opsporingsambtenaar (art. 10 lid 2 Badgv). In het verlengde daarvan behoort ook het in art. 11 lid 2 Badgv neergelegde voorschrift dat de verdachte na het ademonderzoek wordt meegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek, tot het stelsel van strikte waarborgen. Datzelfde geldt voor de uit laatstgenoemde bepaling voortvloeiende eis dat de verdachte het resultaat van het ademonderzoek aanstonds wordt meegedeeld, waarmee de verdachte in staat wordt gesteld te beoordelen of hij een tegenonderzoek wenst.
Niet elk voorschrift uit de hiervoor bedoelde regelgeving behoort tot de strikte waarborgen; het onderscheidend criterium is steeds of het voorschrift beoogt bij te dragen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek. De Hoge Raad oordeelde bijvoorbeeld dat het voorschrift over het aantal keren dat de verdachte mag blazen (toen in art. 9 Besluit Alcoholonderzoeken, nu in art. 10 lid 1 Badgv) niet behoort tot het stelsel van strikte waarborgen, omdat die eis er naar het oordeel van de Hoge Raad niet toe strekt de juistheid van het resultaat van de ademanalyse te waarborgen. Ook in het kader van een bloedonderzoek (als bedoeld in art. 8 lid 2 onder b en art. 8 lid 5 WVW 1994) heeft de Hoge Raad in het verleden geoordeeld dat niet alle daarbij geldende voorschriften als strikte waarborgen hebben te gelden. Het gaat bijvoorbeeld om de keuzemogelijkheid van de verdachte voor een laboratorium bij tegenonderzoek, het voorschrift dat het laboratorium de datum van ontvangst van het bloed vastlegt en het voorschrift dat de bloedafname binnen anderhalf uur moet plaatsvinden.
De regelgeving tot 1 juli 2017
Tot 1 juli 2017 waren de nadere regels rondom het ademonderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 neergelegd in het Besluit alcoholonderzoeken (Stb. 1997, 293). De relevante bepalingen uit dat besluit luidden destijds als volgt:
“Artikel 3
1. Voor het verrichten van ademanalyse wordt gebruik gemaakt van een ademanalyse-apparaat dat behoort tot een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen type.
2. De aanwijzing van een type geschiedt slechts indien het bij een onderzoek, verricht door een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen keuringsinstelling, is goedgekeurd.
Artikel 4
1. Het ademanalyse-apparaat dient te zijn voorzien van een geldige verklaring van goedkeuring, afgegeven door een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen keuringsinstelling.
2. Een verklaring van goedkeuring wordt slechts afgegeven, indien het ademanalyse-apparaat bij een door de keuringsinstelling verricht individueel onderzoek is goedgekeurd.
Artikel 5
Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt nadere regels omtrent de eisen waaraan ademanalyse-apparaten dienen te voldoen en de onderzoeken waaraan zij dienen te zijn onderworpen.
[…]
Artikel 8
1. De ademanalyse wordt verricht volgens een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde procedure.
2. […]
3. […]
[…]
Artikel 11
Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan nadere regels stellen ten dienste van een goede uitvoering van de ademanalyse en omtrent de kosten van een onderzoek als bedoeld in artikel 10a.”
Van de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan de ademanalyseapparaten en de te volgen procedure bij het ademonderzoek maakte de minister gebruik door invoering van de Regeling ademanalyse (Stcrt. 1997, 129). De relevante bepalingen luidden als volgt:
“Artikel 2
1. Een ademanalyse-apparaat moet behoren tot een type dat is goedgekeurd bij een onderzoek, verricht door de keuringsinstelling aan de hand van punt 4.3 van bijlage 1 bij deze regeling.
2. De goedkeuring moet blijken uit een door de keuringsinstelling afgegeven verklaring, inhoudende dat het betrokken type bij de uitvoering van het onderzoek voldeed aan de in punt 4.3 van bijlage 1 bedoelde voorschriften onder de omstandigheden als in dat punt aangegeven.
Artikel 3
1. Het ademanalyse-apparaat moet voorts zijn goedgekeurd bij een onderzoek, verricht door de keuringsinstelling aan de hand van punt 4.4 of punt 4.5 van bijlage 1 bij deze regeling.
2. De goedkeuring moet blijken uit een door de keuringsinstelling afgegeven verklaring, inhoudende dat het betrokken ademanalyse-apparaat bij de uitvoering van het onderzoek voldeed aan de in punt 4.4 onderscheidenlijk punt 4.5 van bijlage 1 bedoelde voorschriften onder de omstandigheden als in die punten aangegeven.
[…]
Artikel 8
De ademanalyse wordt verricht volgens de in punt 3.9.1 van bijlage 1 bedoelde procedure. De bedienende ambtenaar handelt hierbij overeenkomstig de richtlijnen, neergelegd in het bij het apparaat behorende gebruiksvoorschrift.”
Bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse bevatte blijkens het opschrift “voorschriften met betrekking tot de ademanalyse-apparatuur en het onderzoek daarvan”. De bijlage bevatte een kopje “algemene voorschriften”, “constructievoorschriften” en “metrologische voorschriften”. De bijlage bevatte onder meer de volgende bepalingen:
“3.8. Kalibratie
Inrichting voor de toevoer van kallbratiegas - Het ademanalyse-apparaat moet zijn voorzien van een inrichting met behulp waarvan kalibratiegas kan worden doorgevoerd, zonder dat gebruik wordt gemaakt van het monsternemingssysteem. De inrichting dient op dezelfde temperatuur te zijn gestabiliseerd als het monsternemingssysteem.
Kallbratiecontrole - Kalibratiecontrole met een kalibratiegas moet kunnen geschieden wanneer het ademanalyse-apparaat zich in de ademonderzoekpositie, respectievelijk de controlepositie bevindt, op momenten zoals vastgelegd in de ademonderzoekprocedure, respectievelijk de verkorte onderzoekprocedure.
Ademonderzoek en ademonderzoekresultaat
Ademonderzoekprocedure - De in het ademanalyse-apparaat vastgelegde ademonderzoekprocedure moet, in volgorde, de bepaling van de volgende resultaten omvatten:
- nulpuntsresultaat (1);
- kalibratiecontroleresultaat (1);
- nulpuntsresultaat (2);
- meetresultaat (1);
- nulpuntsresultaat (3);
- meetresultaat (2);
- nulpuntsresultaat (4);
- kalibratiecontroleresultaat (2);
- nulpuntsresultaat (5).
Maximaal mogen vier pogingen ondernomen worden om via een juiste blaasprestatie te komen tot de twee meetresultaten. Indien een blaasprestatie niet leidt tot een meetresultaat moet een tussentijdse nulpuntsbepaling plaatsvinden. Het aantal nulpuntsresultaten kan dan meer dan vijf bedragen. Indien een blaasprestatie niet voltooid is binnen drie minuten wordt dit beschouwd als een onjuiste blaasprestatie.
[…]
Voortijdige beëindiging van het ademonderzoek.
3.9.6.1. Het ademanalyse-apparaat moet het ademonderzoek voortijdig beëindigen indien:
a. een nulpuntsresultaat groter is dan 10 microgram per liter;
b. een kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van de nominale waarde;
c. binnen de ademonderzoekprocedure geen twee juiste blaasprestaties worden geleverd;
d. het ademanalyse-apparaat een storing signaleert.”
De regelgeving vanaf 1 juli 2017
In 2017 zijn het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling ademanalyse vervallen en zijn het hiervoor reeds genoemde Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Badgv) en de bijbehorende Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (Radgv) in werking getreden.
Voor wat het ademonderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 betreft, geldt dat veel regels uit het oude Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling ademanalyse niet terugkomen in de nieuwe regelingen. Het Badgv bevat twee bepalingen die zien op het ademonderzoek. Art. 11 gaat over het recht op tegenonderzoek en is voor deze conclusie verder niet van belang. Art. 10 luidt als volgt:
“Artikel 10
1. Een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, […] geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.
2. Het ademonderzoek wordt niet eerder verricht dan twintig minuten nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig ademonderzoek of, indien die vordering niet is gedaan, binnen twintig minuten na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.
3. Het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar.
4. Het alcoholgehalte van de twee meetresultaten, bedoeld in het eerste lid, wordt op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze vastgesteld.
5. Indien het ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste, tweede en vierde lid eenmaal opnieuw verrichten.”
Art. 5 Radgv is de enige bepaling uit de nieuwe regeling die nog ziet op het ademonderzoek. Dat artikel luidt als volgt:
“Artikel 5
1. Voor het verrichten van een ademonderzoek als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Besluit worden de ademanalyseapparaten van Dräger Alcotest 9510 NL aangewezen die zijn voorzien van het goedkeuringsteken T7802.
2. Het alcoholgehalte wordt bepaald door toepassing van de volgende correctie op het rekenkundig gemiddelde van de twee meetresultaten, bedoeld in artikel 10, vierde lid, van het Besluit:
a. indien het rekenkundige gemiddelde (Y) van de twee meetresultaten kleiner is dan 500 microgram per liter, is het resultaat van het ademonderzoek gelijk aan (0,9Y–30) microgram per liter;
b. indien het rekenkundige gemiddelde (Y) van de twee meetresultaten gelijk is aan of groter is dan 500 microgram per liter, is het resultaat van het ademonderzoek gelijk aan (0,85Y–5) microgram per liter.
3. Het resultaat van het ademonderzoek mag niet worden aangewezen of afgedrukt indien het verschil tussen de beide meetresultaten groter is dan 10% van het kleinste meetresultaat.”
De Radgv bevat – anders dan de Regeling ademanalyse – geen eisen meer waaraan een ademanalyseapparaat moet voldoen. In art. 5 Radgv wordt enkel nog bepaald met welk merk en type ademanalyseapparaat het ademonderzoek moet worden verricht. De toelichting op het Badgv en de Radgv houdt het volgende in over het niet opnemen van de eisen die aan ademanalyseapparaten worden gesteld:
- Nota van toelichting bij het Badgv:
“Artikel 10 bevat de uitvoeringsvoorschriften die bij een ademonderzoek naar het gebruik van alcohol in acht moeten worden genomen en de waarborgen die in dat kader van toepassing zijn. Materieel zijn die voorschriften en waarborgen gelijk aan de voorschriften en waarborgen die in de artikelen 3 tot en met 9 van het bij dit besluit ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken waren opgenomen. […]
Artikel 10 is, zoals hiervoor is opgemerkt, inhoudelijk een samenvoeging van de artikelen 3 tot en met 9 van het oude Besluit alcoholonderzoeken, met dien verstande dat de eisen die aan het ademanalyseapparaat zullen worden gesteld, niet deels in het onderhavige besluit zijn neergelegd, zoals wel het geval was in het Besluit alcoholonderzoeken, en deels in een ministeriele regeling. De reden daarvoor is dat deze eisen sinds de vorming van de nationale politie onderdeel uitmaken van de aanbestedingsprocedure die tot de aanschaf van het ademanalyseapparaat moet leiden dat de Minister van Veiligheid en Justitie uiteindelijk bij ministeriële regeling zal aanwijzen. Tegen die achtergrond is het overbodig om die eisen ook nog eens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te leggen. Dit laat onverlet dat het voor de bestuurders die ervan worden verdacht met een te hoog alcoholpromillage aan het verkeer te hebben deelgenomen, duidelijk moet zijn welke eisen aan het ademanalyseapparaat gesteld zijn en dat die eisen voor hen raadpleegbaar dienen te zijn. Daarom worden die eisen met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit op de websites van de nationale politie en het openbaar ministerie geplaatst.”
- Toelichting op de Radgv:
“Bij het opstellen van deze regeling zijn de ministeriële regelingen die voor de inwerkingtreding van deze regeling golden, als vertrekpunt genomen. Het betreft hier de Regeling bloed- en urineonderzoek, de Regeling voorlopig ademonderzoek, de Regeling ademanalyse, de Regeling type-aanwijzing ademanalyseapparaat en de Regeling typeaanwijzing ademanalyseapparaat 4. Een aantal bepalingen uit deze ministeriële regelingen is niet overgenomen omdat die al in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer neergelegd zijn of wetstechnisch overbodig zijn.
Zo zijn de eisen waaraan de ademtesters voor de uitvoering van een voorlopig ademonderzoek en de ademanalyseapparaten voor de uitvoering van een ademonderzoek moeten voldoen, niet in de onderhavige regeling neergelegd. Deze eisen zijn sinds de vorming van de nationale politie in de aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van deze apparatuur opgenomen. Het is om die reden onnodig om die eisen nog langer bij ministeriële regeling vast te leggen.
Dit laat onverlet dat het voor personen die aan die onderzoeken worden onderworpen, transparant moet zijn welke eisen aan de apparatuur gesteld worden die bij die onderzoeken wordt ingezet zodat zij erop kunnen vertrouwen dat gewaarborgd is dat die apparatuur een betrouwbare uitslag geeft. Bovendien moet deze informatie voor hen op een toegankelijke wijze raadpleegbaar zijn. Om die reden zullen de technische eisen die gesteld worden aan die apparatuur voortaan gepubliceerd worden op de website van de nationale politie.”
De in de toelichting genoemde aanbestedingsprocedure voor de aanschaf van ademanalyseapparaten is – zoals die toelichting ook verlangt – raadpleegbaar via de website van de politie. Het document stamt uit 2013 en regelt de openbare aanbesteding van (onder andere) ademanalyseapparaten. Het bevat in dat verband alle eisen en criteria waaraan een dergelijk apparaat moet voldoen om in aanmerking te (kunnen) komen. In hoofdstuk 6, “Eisen aan de opdracht”, staat het volgende:
“A-E3: Regeling Ademanalyse
Opdrachtnemer dient een Ademanalyseapparaat en accessoires aan te kunnen bieden en binnen de gestelde termijnen te kunnen leveren dat voldoet aan de in Nederland geldende wet- en regelgeving. In het bijzonder, maar niet uitsluitend, aan het ‘Besluit Alcoholonderzoeken’ van 5 juli 1997 (zie bijlage O) en de ‘Regeling Ademanalyse’ van 4 juli 1997 (zie bijlage P) en 16 maart 1999 (inclusief bijlage 1 en 2 bij de Regeling ademanalyse (nr. 639317/97/6) zie bijlage Q).”
De bijlages P en Q bij deze aanbestedingsprocedure bevatten de (inmiddels dus vervallen) inhoud van de voormalige Regeling Ademanalyse en de daarbij behorende (complete) bijlages, waaronder (voor alle duidelijkheid) ook de onderdelen die ik hiervoor onder 4.11 heb geciteerd.
Korte samenvatting van de veranderingen per 1 juli 2017
Kort samengevat blijkt uit het bovenstaande het volgende. Onder de vigeur van het oude Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling Ademanalyse golden gedetailleerde voorschriften voor de ademanalyseapparaten en het gebruik daarvan. Met name bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse bevatte een scala aan eisen waaraan de ademanalyseapparaten moe(s)ten voldoen. In 2013 heeft de politie een document opgesteld ten behoeve van de openbare aanbesteding voor nieuwe ademanalyseapparaten. Op grond daarvan moeten nieuw aangeschafte apparaten voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving, waaronder – zo wordt expliciet benoemd – de Regeling ademanalyse en de daarbij bijbehorende bijlage 1.
De Regeling ademanalyse is – net als het Besluit alcoholonderzoeken – per 1 juli 2017 vervallen en vervangen door de Radgv. De gedetailleerde eisen aan de ademanalyseapparaten zijn daarin niet langer opgenomen. Blijkens de toelichting moet de verklaring daarvoor worden gezocht in de door de politie opgestelde aanbestedingsprocedure en de daarbij geldende eisen. Omdat de eisen voor ademanalyseapparaten daarin al zijn opgenomen, was het wat de minister betreft onnodig om die eisen ook nog bij ministeriële regeling vast te leggen.
5 De bespreking van de middelen
Het eerste middel richt zich tegen de verwerping van het verweer van de verdediging dat sprake is van schending van een strikte waarborg als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 en klaagt over het aan die verwerping ten grondslag liggende oordeel van het hof dat de eis dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de nominale waarde niet is neergelegd in het Badgv of de Radgv, zodat – mede gelet op art. 1 Sv – geen sprake is van een strikte waarborg. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de in de aanbestedingsprocedure opgenomen en wat de verdediging betreft in dit geval geschonden waarborg geen deel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen als bedoeld in voornoemde bepaling. Ik zal de middelen gezamenlijk bespreken.
Zoals in de inleiding al werd opgemerkt, gaat het in deze zaak om het voorschrift dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de nominale waarde. In deze zaak is de nominale waarde van het kalibratiegas (op het uitslagformulier aangeduid als ‘kalibratie-gas concentr.’) 478 µg/l en bedraagt het kalibratiecontroleresultaat (op het uitslagformulier aangeduid als ‘kalibratie-resultaat’) twee keer 450 µg/l. Dat is een afwijking van 5,86%. Het hof is tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 gekomen en heeft geoordeeld dat het hiervoor genoemde voorschrift niet tot het stelsel van strikte waarborgen behoort. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat dit voorschrift niet is neergelegd in het Badgv of de Radgv. De stelling van de verdediging dat deze eis zou moeten doorwerken in art. 10 Badgv getuigt volgens het hof van een onjuiste rechtsopvatting, omdat dat strijdig zou zijn met het legaliteitsbeginsel.
Uit de middelen vloeien mijns inziens twee relevante vragen voort. De eerste vraag is of het hiervoor bedoelde voorschrift onder de vigeur van de oude Regeling ademanalyse als strikte waarborg gold. Als die vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de vervolgvraag of de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving op 1 juli 2017 hierin verandering heeft gebracht.
In verband met de eerste vraag wijst de steller van het middel op een arrest van de Hoge Raad van 3 april 2001. In die zaak zat er geen uitslagformulier van het ademonderzoek bij de bewijsmiddelen. Wel was er een verklaring van de verbalisant dat het uitslagformulier van het ademonderzoek als gevolg van een storing onleesbaar was geprint, maar dat hij op het scherm had gezien dat de uitslag van het onderzoek 355 µg/l bedroeg. AG Jörg concludeerde dat op het uitslagformulier op grond van bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse niet alleen de uitslag moet worden vermeld, maar ook (onder andere) de nulpuntresultaten, de kalibratiecontroleresultaten en de meetresultaten. Op basis van het uitslagformulier kan – aldus AG Jörg – worden nagegaan of aan de voorschriften is voldaan. Hij noemt in dat verband onder meer de vraag of de meting werd aangevangen met een schoon meetinstrument en de vraag of het apparaat correct meet. Volgens hem is daarom geen sprake van een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994, als het uitslagformulier niet bij het proces-verbaal is gevoegd. Dat geldt ook indien het uitslagformulier niet van dien aard is dat kan worden gecontroleerd of aan de eisen van de Regeling ademanalyse en bijlage 1 is voldaan. De Hoge Raad oordeelde onder verwijzing naar deze onderdelen van de conclusie dat het middel terecht was voorgesteld en sprak de verdachte uit doelmatigheidsoverwegingen zelf vrij.
Het beroep op dit arrest overtuigt. Als moet worden aangenomen dat het kunnen controleren of bij het ademonderzoek is voldaan aan de eisen uit (onder andere) bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse een strikte waarborg vormt, dan is een logische gevolgtrekking dat die eisen zelf ook tot de strikte waarborgen behoren, in die zin dat ook geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 als uit het uitslagformulier blijkt dat niet is voldaan aan één van de eisen die worden genoemd in die bijlage.
Belangrijker nog is evenwel dat het voorschrift dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de nominale waarde, rechtstreeks raakt aan de juistheid en betrouwbaarheid van het ademonderzoek. De kalibratiecontrole is – zo mag bekend worden verondersteld – bedoeld om te testen of het ademanalyseapparaat nauwkeurig meet en dus of de latere uitslag van de ademanalyse wel (voldoende) betrouwbaar is. Uit bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse blijkt dat een afwijking van meer dan 5% bij de kalibratiecontrole zou moeten betekenen dat het apparaat (bij een correcte werking) het ademonderzoek voortijdig beëindigt. Dat kan mijns inziens niets anders betekenen dan dat de minister een dergelijke afwijking kennelijk zo groot heeft geacht, dat niet langer voor de juistheid en betrouwbaarheid van het ademonderzoek kan worden ingestaan.
Resumerend meen ik dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het voorschrift dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de nominale waarde was onder de oude Regeling ademanalyse mijns inziens onderdeel van het stelsel van strikte waarborgen. Indien uit het uitslagformulier blijkt dat het kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van de nominale waarde, kon op grond van de oude regels niet worden gesproken van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994.
Dat was de situatie voor 1 juli 2017. De vraag is nu of het voorgaande na 1 juli 2017 met de invoering van de Badgv en het Radgv veranderd is.
Dat het stelsel van strikte waarborgen kan veranderen door aanpassing van de regelgeving ter zake, staat buiten kijf. Ik wijs op een voorbeeld in het kader van het bloedonderzoek. Tot 1 juli 2022 stond in art. 13 lid 1 onder d Badgv dat de buisjes met bloed “zo spoedig mogelijk” bij het laboratorium moesten worden bezorgd. Die eis – die volgens de Hoge Raad behoorde tot het stelsel van strikte waarborgen – leidde tot een veelheid van arresten over de vraag bij hoeveel dagen en onder welke omstandigheden nog sprake was van een “zo spoedig mogelijke” bezorging. Sinds 1 juli 2022 bevat art. 13 lid 1 onder d Badgv een termijn van vier weken. Uit de toelichting op die wijziging blijkt dat die verband houdt met de nieuwe manier waarop bloed wordt bewaard en getransporteerd. De toelichting vermeldt:
“Inmiddels heeft het loutere tijdsverloop als gezegd geen significante invloed op de betrouwbaarheid van de bloedmonsters en (dus) op de juistheid van het bloedonderzoek. Mede tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om in plaats van het voorschrift om het bloed zo spoedig mogelijk te verzenden een verzendtermijn van vier weken te hanteren, hetgeen een voor de uitvoeringspraktijk meer realistische en niettemin tot enige voortvarendheid aanzettende termijn is.”
In de onderhavige zaak ligt aan het vervallen van de in bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse genoemde voorschriften evenwel een andere reden ten grondslag. Uit de onder 4.15 geciteerde toelichting bij de inwerkingtreding van het Badgv en de Radgv werd overwogen dat deze voorschriften niet in een ministeriële regeling worden vastgelegd, omdat ze al zijn neergelegd in de aanbestedingsprocedure van de politie. Daarmee is de hiervoor bedoelde bijlage op 1 juli 2017 weliswaar formeel komen te vervallen, maar is die materieel gezien nog springlevend. Uit niets blijkt dat de wetgever het uitgangspunt heeft verlaten dat ademonderzoeken als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 moeten worden uitgevoerd met ademanalyseapparaten die voldoen aan de destijds in bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse genoemde voorschriften. Nu de complete bijlage onderdeel is van de aanbestedingsprocedure van de politie voor de aanschaf van nieuwe ademanalyseapparaten, werken deze voorschriften mijns inziens nog steeds door in ademonderzoeken die na 1 juli 2017 worden verricht.
Gelet op het voorgaande meen ik dat de in bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse genoemde voorschriften die rechtstreeks in verband staan met de betrouwbaarheid en juistheid van het ademonderzoek nog steeds onderdeel zijn van het stelsel van strikte waarborgen.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is hiervoor ook enig precedent te vinden. In een zaak van 2 oktober 2007 had de Hoge Raad – kort samengevat – geoordeeld dat een onderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994 uitsluitend kan worden opgedragen aan “opsporingsambtenaren die de benodigde kennis en vaardigheden bezitten om het ademanalyseapparaat te bedienen.” In het op 1 juli 2017 ingevoerde art. 10 lid 3 Badgv staat echter slechts dat het ademonderzoek wordt verricht “door een opsporingsambtenaar”, terwijl de toelichting op het Badgv inhoudt dat de voorschriften en waarborgen materieel gezien gelijk zijn aan de voorschriften en waarborgen die daaraan voorafgaand golden. In een arrest van 1 december 2020 oordeelde de Hoge Raad daarom dat art. 10 lid 3 Badgv zo moet worden uitgelegd, dat nog steeds de eis geldt dat de opsporingsambtenaar die het ademonderzoek uitvoert over de “voor het bedienen van het ademanalyseapparaat benodigde kennis en vaardigheden” dient te beschikken.
Ik kom tot een afronding. Naar mijn oordeel geldt de eis dat het kalibratiecontroleresultaat niet meer dan 5% mag afwijken van de nominale waarde (dan wel de eis dat het onderzoek behoort te worden uitgevoerd met een ademanalyseapparaat dat het ademonderzoek voortijdig beëindigt als dat resultaat meer dan 5% afwijkt) tot het stelsel van strikte waarborgen. Indien uit het uitslagformulier van het ademonderzoek blijkt dat het kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van de nominale waarde, kan mijns inziens dan ook niet worden gesproken van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994. De inwerkingtreding van het Badgv en de Radgv heeft daarin – mede gelet op de toelichting daarbij – geen verandering gebracht.
Het oordeel van het hof dat de hiervoor bedoelde eis geen strikte waarborg vormt omdat dit voorschrift niet is neergelegd in het Badgv of de Radgv en de daarop gebaseerde verwerping van het verweer van de verdediging, getuigt in het licht van het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting.
De middelen klagen daarover terecht.
6 Slotsom
De middelen slagen.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG