Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Parket bij de Hoge Raad, 10 juli 1996

Zaakgegevens

Op 10 juli 1996 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juli 1996
Datum publicatie
21 juni 2024
Zaaknummer
3507
ECLI
ECLI:NL:PHR:1996:47
E-mail

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 juli 1996deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:1996:47

  2. Hoge Raad · 22 oktober 1996

    ECLI:NL:HR:1996:3

Conclusie

Nr. 3507 Besch.

Parket, 10 juli 1996

Mr Van Dorst

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank te Utrecht houdende de ongegrondverklaring van het door [klaagster] ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan haar van een hoeveelheid onder [verdachte] inbeslaggenomen goederen. Blijkens de cassatie-akte is het beroep ingesteld namens voornoemde [verdachte] (de levensgezel van [klaagster]).

2. Ingevolge art. 552d lid 2 Sv staat tegen een beschikking als de onderhavige cassatieberoep alleen open voor het openbaar ministerie en voor de klager. Vgl. HR DD 79.022, 92.061 en 92.227. Nu de beschikking van de rechtbank is gegeven naar aanleiding van een door [klaagster] ingediend klaagschrift, had [klaagster] in cassatie kunnen komen, doch niet verzoeker. Verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

3. Namens [klaagster] heeft mr D.F. Blackmon, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. [klaagster] heeft echter geen cassatieberoep ingesteld. De middelen moeten derhalve onbesproken blijven.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,