Strafrecht overig

Hoge Raad · Beschikking · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 22 oktober 1996 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 oktober 1996
Datum publicatie
21 juni 2024
Zaaknummer
3507
Procedure
Beschikking
ECLI
ECLI:NL:HR:1996:3
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 juli 1996

    ECLI:NL:PHR:1996:47
  2. Hoge Raad · 22 oktober 1996deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1996:3

Uitspraak

22 oktober 1996

Strafkamer

nr. 3507 Besch.

JM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 februari 1996 op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door [klaagster] , wonende te [woonplaats] , ingediende beklag strekkende tot teruggave aan haar van de in bovenvermelde beschikking omschreven goederen.

2. Het cassatieberoep

Het beroep is ingesteld door [klager] . Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie

De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad [klager] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep.

4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

4.1. Het door [klager] ingestelde cassatieberoep betreft een beschikking, door de Rechtbank gegeven op een door [klaagster] ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv.

4.2. Ingevolge artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen beroep in cassatie niet open dan in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in gemeld wetboek geen bepaling voorkomt ingevolge welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat aan anderen dan het openbaar ministerie en de klager, kan [klager] in het door hem ingestelde beroep niet worden ontvangen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart [klager] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice- president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Keijzer en Corstens, in bijzijn van de griffier Bogaert in raadkamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 1996.