Strafrecht overig
Herzieningsaanvraag wordt onderbouwd met ontlastende verklaring van ene B. Bij op verzoek van de HR ingesteld…
ECLI:NL:PHR:2003:AE6117 · Parket bij de Hoge Raad · 2 december 2003
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2003-ae6117
Zaakgegevens
Op 2 december 2003 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 december 2003
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02300/00 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2003:AE6117
Samenvatting
Herzieningsaanvraag wordt onderbouwd met ontlastende verklaring van ene B. Bij op verzoek van de HR ingesteld onderzoek kan de woon- of verblijfplaats van B niet worden achterhaald. Nu de aanvrager geen gegevens heeft verstrekt over de woon- of verblijfplaats van B teneinde hem te kunnen horen over de juistheid van zijn verklaring, kan die verklaring niet het ernstig vermoeden wekken dat de overtreding niet is begaan.
Procesgang
Hoge Raad · 2 december 2003
ECLI:NL:HR:2003:AE6117Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 2 december 2003deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2003:AE6117
Conclusie
Nr. 02300/00 H
Mr Jörg
Parket, 2 juli 2002
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is bij vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 25 oktober 1999 wegens overtreding van de maximumsnelheid met meer dan 30 km/u veroordeeld tot een geldboete van Fl. 510,00 subsidiair 10 dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden
2. De herzieningsaanvrage is door verzoeker ingediend.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat een ander dan verzoeker de snelheidsovertreding heeft begaan. Ter staving van deze stelling is bij de aanvrage een verklaring gevoegd, gedateerd 19 januari 2000, van [betrokkene 1], inhoudende dat deze op 11 september 1998, de bewezenverklaarde pleegdatum, van 15.00 tot 17.00 uur voor een proefrit gebruik heeft gemaakt van de auto van verzoeker.
4. Een complicatie in deze zaak is de omstandigheid dat het onderliggende strafdossier niet meer te traceren valt. Ik beschik derhalve enkel over een aantekening mondeling vonnis. Hierin wordt - gebruikelijkerwijs - niet het tijdstip van de geconstateerde overtreding vermeld. Dit tijdstip is cruciaal voor de vraag of de verklaring van [betrokkene 1] het ernstige vermoeden doet ontstaan, dat de kantonrechter verzoeker zou hebben vrijgesproken, ware hij van deze verklaring op de hoogte geweest.
5. In het licht van het ontbrekende dossier moet worden aangenomen dat door de overgelegde verklaring die betrekking heeft op de bewezenverklaarde pleegdatum een novum wordt gepresenteerd dat het ernstige vermoeden doet ontstaan, dat de kantonrechter verzoeker zou hebben vrijgesproken, indien hij van deze verklaring op de hoogte was geweest.
6. Ik concludeer dan ook dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG