Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2006:AX4369 · Parket bij de Hoge Raad · 16 mei 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2006-ax4369
Zaakgegevens
Op 16 mei 2006 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 mei 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 00565/06 H
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2006:AX4369
Samenvatting
Herziening.
Procesgang
Hoge Raad · 16 mei 2006
ECLI:NL:HR:2006:AX4369Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 mei 2006deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2006:AX4369
Conclusie
Nr. 00565/06 H
Mr. Fokkens
Parket: 21 maart 2006
Vordering tot herziening inzake:
[aanvrager]
1. Veroordeelde is bij uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 12 oktober 2004 vrijgesproken van het primair ten lastegelegde en bij verstek veroordeeld wegens subsidiair "opzetheling" tot een gevangenisstraf van twee weken. Blijkens een mededeling van de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket te Utrecht is dit vonnis onherroepelijk.
2. Uit het door de Officier van Justitie aan mij gezonden dossier komt naar voren dat een ander, te weten [betrokkene 1], het feit zou hebben begaan en dat deze [betrokkene 1] destijds bij zijn aanhouding de personalia van [aanvrager] (zijn broer) zou hebben opgegeven. Dit was niet bekend ten tijde van de berechting.
3. Met de Officier van Justitie meen ik dat het ernstig vermoeden bestaat dat [aanvrager] zou zijn vrijgesproken, indien de Politierechter met deze gegevens bekend was geweest ten tijde van de berechting en dat er gegronde redenen zijn een vordering houdende een aanvrage tot herziening bij Uw Raad in te dienen.
4. Ik moge daarom vorderen dat Uw Raad deze aanvrage tot herziening van de uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht gegrond zal achten, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof ten einde deze opnieuw te onderzoeken en te beslissen als bedoeld in art. 467, eerste lid, Sv.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,