Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Parket bij de Hoge Raad, 13 september 2011

Zaakgegevens

Op 13 september 2011 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 september 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10/04760 H
ECLI
ECLI:NL:PHR:2011:BS8235
E-mail

Samenvatting

Herziening.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 13 september 2011

    ECLI:NL:HR:2011:BS8235
  2. Conclusie A-G · 13 september 2011deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2011:BS8235

Conclusie

Nr. 10/04760 H

Mr Jörg

Zitting 26 april 201

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 16 december 2009 aanvrager terzake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen" en 2. "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

2. Deze zaak hangt samen met de herzieningsaanvragen van aanvrager met griffienummers S 10/04757 H en S 10/04759 H waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens aanvrager heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te 's-Hertogenbosch, een aanvrage tot herziening van bovenvermeld arrest ingediend.

4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het gerechtshof aanvrager zou hebben vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van art. 197 Sr indien het ermee bekend zou zijn geweest dat aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling verklaard had kunnen worden en om die reden de beschikking tot ongewenstverklaring zou worden ingetrokken.

5. De stukken van het geding en de aan de aanvrage gehechte stukken houden, voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, het volgende in.

(i) Aanvrager, in het bezit van de Turkse nationaliteit, is bij beschikking van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), namens de Staatssecretaris van Justitie, van 29 november 2007 op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder c, Vreemdelingenwet tot ongewenste vreemdeling verklaard.

(ii) Bij arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 december 2009 is aanvrager veroordeeld voor de hiervoor onder 1 vermelde in de periode van 16 tot en met 17 augustus 2008 gepleegde feiten.

(iii) Blijkens de brief van 31 maart 2010 van het hoofd van de IND, namens de Minister van Justitie, gericht aan Collet Advocaten te 's-Hertogenbosch wordt aanvrager geacht van 7 september 1983 tot aan heden immer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en had aanvrager aldus niet tot ongewenst vreemdeling verklaard kunnen worden.

6. Op grond van het voorgaande moet ervan uit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 29 november 2007 geacht moet worden nimmer te zijn gegeven.(1) Dit levert het ernstig vermoeden op dat het gerechtshof, ware deze met de brief van 31 maart 2010 en de daarin vervatte overwegingen bekend geweest, aanvrager van het hem onder 2 tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 december 2009 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. HR 25 september 2007, LJN BA7935 en HR 10 februari 1987, NJ 1987/848 m.nt. Corstens.