Strafrecht overig

Het Hof heeft verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 180 dagen…

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2012 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 oktober 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11/04890
ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BX6925
E-mail

Samenvatting

Het Hof heeft verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In aanmerking genomen dat het Hof blijkens de strafmotivering onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk zou zijn aan de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de straf op een kennelijke misslag. De HR leest de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag. Aan het middel komt daardoor de feitelijke grondslag te ontvallen.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 23 oktober 2012

    ECLI:NL:HR:2012:BX6925
  2. Conclusie A-G · 23 oktober 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2012:BX6925

Conclusie

Nr. 11/04890

Mr. Vellinga

Zitting: 28 augustus 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 primair "Medeplegen van zware mishandeling" en 3 primair "Poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. N. Brands, advocaat te Goor, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf, anders dan het Hof overweegt, niet gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. In aanmerking genomen dat uit de aan de Hoge Raad op voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken volgt dat de verdachte in de onderhavige zaak op 21 januari 2009 in verzekering is gesteld, en de voorlopige hechtenis van de verdachte is doorgelopen tot het moment van schorsing van het bevel gevangenhouding op 20 februari 2009 - hetgeen een periode van in totaal 30 dagen behelst - en daaruit niet blijkt dat de schorsing nadien is opgeheven, is 's Hofs in de strafmotivering opgenomen overweging dat het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf - te weten 226-180 = 46 dagen - gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onbegrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.

5. Hoewel niet duidelijk is of het Hof een kortere vrijheidsstraf of een langer voorwaardelijk gedeelte van de vrijheidsstraf voor ogen had, acht ik het uit overwegingen van doelmatigheid aangewezen dat de Hoge Raad dit gebrek herstelt door de duur van de gevangenisstraf te bepalen op 210 dagen omdat de verdachte zo in elk geval niet in zijn rechtens te respecteren belangen wordt benadeeld.

6. Het middel slaagt.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde vrijheidsstraf en tot bepaling van de vrijheidsstraf op 210 dagen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG