Strafrecht overig
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. HR ambtshalve: uit door de A-G ingewonnen inlichtingen blijkt dat het…
ECLI:NL:PHR:2013:105 · Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-105
Zaakgegevens
Op 23 april 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juli 2013
- Zaaknummer
- 12/05280 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:105
Samenvatting
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. HR ambtshalve: uit door de A-G ingewonnen inlichtingen blijkt dat het klaagschrift ter griffie van de Rb is ontvangen, nadat h.b. is ingesteld in de strafzaak in het kader waarvan de personenauto in beslag is genomen. Dit betekent dat de Rb o.g.v. art. 552a.3 Sv niet bevoegd was tot kennisneming van het klaagschrift.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:105
Hoge Raad · 2 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:148Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 12/05280 B Zitting: 23 april 2013 |
Mr. Vellinga Conclusie inzake: [klaagster] |
1. Bij beschikking van 23 oktober 2012 heeft de Rechtbank te Roermond het klaagschrift van klaagster strekkende tot teruggave van een onder haar inbeslaggenomen personenauto ongegrond verklaard, het beslag op die personenauto opgeheven en de teruggave aan [B] gelast van die personenauto.
2. Namens klaagster heeft mr. K. Dirlik, advocaat te Alkmaar, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve merk ik het volgende op.
4. In haar beschikking heeft de Rechtbank het volgende vastgesteld. De onderhavige auto is inbeslaggenomen in het kader van verdenking van [betrokkene] van diefstal of verduistering van de auto. [betrokkene] is bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 27 oktober 2011 veroordeeld voor diefstal van de onderhavige personenauto.
5. Uit namens mij gevraagde inlichtingen is het volgende gebleken. Het hoger beroep is ingesteld op 27 oktober 2011. Bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 19 december 2012 is [betrokkene] veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering van de onderhavige auto.
6. Het onderhavige klaagschrift is bij de Rechtbank ingediend op 17 juli 2012. Gelet op het feit dat [betrokkene] toen reeds hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter had ingesteld rijst de vraag of de Rechtbank bevoegd was over het onderhavige klaagschrift te oordelen.
7. Art. 552a lid 3 Sv luidt:
Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen
8. Nu ten tijde van het indienen van het klaagschrift reeds hoger beroep in de strafzaak was ingesteld werd de zaak ten tijde van het indienen van het klaagschrift reeds bij het Hof vervolgd in de in art. 552a lid 3 Sv bedoelde zin en was dus het Hof – en niet de Rechtbank – bevoegd van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen.
9. Achtergrond van deze uitleg van art. 552a lid 3 Sv is dat aldus recht wordt gedaan aan het verband tussen de beslissing op het klaagschrift en de vervolging van het strafbare feit in het kader waarvan de inbeslagneming is geschied.
10. De Rechtbank heeft dat verband ook onder ogen gezien. Zij overweegt in de aangevallen beschikking immers:
“Vraag die in deze beantwoord dient te worden is of de betreffende personenauto door diefstal of door verduistering aan de macht van [A] B.V. onttrokken is.
Gelet op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het vonnis van de politierechter te Arnhem van 27 oktober 2011, is de rechtbank, gelijk de politierechter in Arnhem van oordeel dat een en ander als diefstal gekwalificeerd dient te worden. Uit het voornoemde vonnis blijkt immers dat verdachte en zijn mededader de personenauto onder valse voorwendselen heeft meegekregen voor een proefrit en die niet heeft geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. Verder wist verdachte dat de personenauto niet geretourneerd zou worden aan de rechtmatige eigenaar. Dit maakt dat thans [B] recht heeft op revindicatie. De diefstal van de personenauto heeft op 20 juli 2011 plaatsgevonden en [B] heeft de personenauto bij klaagschrift van 29 juni 2012 - derhalve binnen drie jaar nadat zij het bezit van de personenauto door diefstal heeft verloren - als haar eigendom opgeëist en de in artikel 3:86 lid 3 Burgerlijk Wetboek genoemde uitzonderingsbepalingen zich in deze zaak niet voordoen.”
Zij heeft daarin echter ten onrechte geen reden gezien zich onbevoegd te verklaren.
11. Hoe ongewenst het moge zijn het verband tussen de beslissing op het klaagschrift en de vervolging van het strafbare feit in het kader waarvan de inbeslagneming is geschied te negeren springt in de onderhavige zaak nog eens in het oog omdat de Rechtbank aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd dat [betrokkene] de auto door diefstal van de eigenaar van de auto had verkregen, terwijl het Hof van oordeel was dat de auto door [betrokkene] door verduistering was verworven, een verschil dat van belang is voor de in het kader van de beslissing op het klaagschrift te beantwoorden vraag, wie redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt.
12. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de bestreden beschikking wegens onbevoegdheid van de Rechtbank niet in stand kan blijven en dat de middelen buiten bespreking kunnen blijven.
13. Volgens de cassatie-akte heeft klaagster alleen cassatie ingesteld tegen de beschikking van 23 oktober 2012. Het tweede middel bevat niettemin een klacht tegen de tussenbeschikking van 14 augustus 2012. Derhalve kan het cassatieberoep ook geacht zijn te zijn gericht tegen de tussenbeschikking. Gelet op hetgeen ik heb opgemerkt over de bevoegdheid van de Rechtbank kan ook deze beschikking niet in stand blijven
14. Zoals in het voorgaande besloten ligt ben ik van oordeel dat de omstandigheid dat niet is geklaagd over onbevoegdheid van de Rechtbank er niet aan in de weg staat dat de beschikking van de Rechtbank wegens haar onbevoegdheid wordt vernietigd. Het is niet alleen een belang van de klaagster maar ook een openbaar belang dat recht wordt gedaan aan het verband tussen de beslissing op het klaagschrift en de vervolging van het strafbare feit in het kader waarvan de inbeslagneming is geschied. Aldus wordt immers voorkomen dat uitspraken worden gedaan die, zoals in het onderhavige geval, niet met elkaar verenigbaar zijn dan wel met elkaar op gespannen voet staan. Dergelijke uitspraken komen het aanzicht van de rechtspleging en het begrip van rechterlijke uitspraken allesbehalve ten goede en dienen dus te worden vermeden.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten einde op het bestaande beklag te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederland
AG