Strafrecht overig
Betekening appeldagvaarding. Van verdachte was t.t.v. het uitbrengen van de dagvaarding in h.b. niet een…
ECLI:NL:PHR:2014:168 · Parket bij de Hoge Raad · 21 januari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-168
Zaakgegevens
Op 21 januari 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 januari 2014
- Datum publicatie
- 18 maart 2014
- Zaaknummer
- 13/01290
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:168
Samenvatting
Betekening appeldagvaarding. Van verdachte was t.t.v. het uitbrengen van de dagvaarding in h.b. niet een feitelijke woon-of verblijfplaats in Nederland maar wel een adres in het buitenland bekend. Noch de akte van uitreiking, noch enig ander gedingstuk houdt in dat de dagvaarding in h.b. naar het adres van verdachte in het buitenland is verzonden. De dagvaarding is niet betekend overeenkomstig art. 588.2 Sv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 januari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:168
Hoge Raad · 18 maart 2014
ECLI:NL:HR:2014:655Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
|
Nr. 13/01290 Zitting: 21 januari 2014 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij verstek gewezen arrest van 4 juni 2012 verzoeker op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep gericht tegen het bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Rotterdam van 8 april 2011, waarbij verzoeker wegens “Mishandeling” is veroordeeld tot een geldboete van € 360,-, subsidiair 7 dagen hechtenis, en waarbij de benadeelde partij niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.
2. Namens verzoeker heeft mr. S.V. Jansen, advocaat te ‘s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
4. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de volgende stukken:
- een akte rechtsmiddel hoger beroep, inhoudende:
“Rechtbank Rotterdam (...)
Akte rechtsmiddel
Parketnr 10/732744-10
Appelnr 11/1449
Op 15 september 2011 kwam ter griffie van deze rechtbank
[betrokkene]
domicilie kiezende te Rotterdam
die – daartoe gemachtigd blijkens de aan deze akte gehechte volmacht –
verklaarde namens
naam [verdachte]
voornamen [...]
geboren [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats]
adres [a-straat 1]
Beroep in te stellen tegen het eindvonnis d.d. 08 april 2011
in de zaak met bovenvermeld parketnummer gewezen door de Politierechter in deze rechtbank.
Aan de comparant is meegedeeld, dat de verdachte bevoegd is toevoeging van een raadsman te verzoeken.
Waarvan akte.
de comparant, de griffier,
[handtekening] [handtekening]
(...)”
- een (niet aan voornoemde akte gehechte) faxbrief van verzoeker, tijdig ingekomen bij de Rechtbank Rotterdam Sector Strafrecht op 15 september 2011 om 16:09 uur, inhoudende:
“Rechtbank Rotterdam
Sector strafrecht
Wilhelminaplein 100-125
3072 AK Rotterdam
Betreft: bezwaarschrift vonnis parket 03812/2011 – 10/73274410
Rotterdam, 15 september 2011 tijd 16:00 uur
Geachte mevrouw, heer,
Ik [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats], wonende te [b-straat 1], [...] [plaats], maak bezwaar tegen de uitspraak pakketnummer 03812/2011 – 10/732744-10
Hoogachtend
[handtekening]
[verdachte]
[b-straat 1]
[plaats]
Telf.nr. 0041-[0001]”
- een akte uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2012, welke inhoudt dat de dagvaarding op 19 april 2012 ter griffie van de rechtbank te Den Haag is uitgereikt aan de griffier, omdat “van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is”;
- de aan genoemde dagvaarding gehechte ID-staten SKDB van 18 en 19 april 2012, houden in dat verzoeker niet is gedetineerd en dat van verzoeker (vanaf 17 augustus 2011) geen adres in Nederland bekend is;
- een akte uitreiking, gehecht aan de dagvaarding van verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2012, welke inhoudt dat de dagvaarding op 23 april 2012 niet is kunnen worden uitgereikt op het adres [a-straat 1], [...] [woonplaats], omdat volgens mededeling van degene die zich op genoemd adres bevond verzoeker daar niet woont, noch verblijft. De dagvaarding is vervolgens op 25 april 2012 ter griffie van de rechtbank te Den Haag uitgereikt aan de griffier, omdat “van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is”. Voorts is op genoemde datum een afschrift van de dagvaarding gezonden aan eerdergenoemd adres;
- een aan genoemde dagvaarding gehechte ID-staat SKDB van 25 april 2012, inhoudend dat verzoeker niet is gedetineerd en dat van verzoeker (vanaf 17 augustus 2011) geen adres in Nederland bekend is.
Vooropgesteld moet worden dat indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat verzoeker niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem ook niet een feitelijke woon-of verblijfplaats in Nederland maar wel een adres in het buitenland bekend is, de betekening van de dagvaarding geschiedt door toezending van de dagvaarding door het Openbaar Ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van verzoeker in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588, tweede lid, Sv). Door een dergelijke toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend.
Uit voornoemde stukken, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat van verzoeker (ten tijde van het instellen van hoger beroep) een adres in het buitenland bekend was ([b-straat 1] (ik begrijp, zie ook voetnoot 4: 8404, EH) [plaats]). Nu noch uit de akten van uitreiking, noch uit enig ander gedingstuk, blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep naar dit bekende adres van verzoeker in het buitenland is verzonden, is de dagvaarding niet betekend overeenkomstig art. 588, tweede lid, Sv. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is derhalve onjuist.
Het middel slaagt.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG