Strafrecht overig
Strafmotivering. Het middel klaagt terecht dat het Hof bij de strafoplegging een veroordeling, die ten tijde…
ECLI:NL:PHR:2014:2068 · Parket bij de Hoge Raad · 28 oktober 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2068
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2014
- Datum publicatie
- 18 november 2014
- Zaaknummer
- 12/05934
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2068
Samenvatting
Strafmotivering. Het middel klaagt terecht dat het Hof bij de strafoplegging een veroordeling, die ten tijde van het bestreden arrest niet onherroepelijk was, in aanmerking heeft genomen. Aan het middel is evenwel het belang komen te ontvallen. De Rb heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar t.z.v. “medeplegen van poging tot moord” alsmede “diefstal door twee of meer personen” en “medeplegen van mishandeling”. Tegen deze veroordeling is door verdachte h.b. ingesteld. Het Hof heeft verdachte met vernietiging van het vonnis bij arrest van 7 mei 2013 t.z.v. voormelde feiten wederom veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Het door verdachte tegen deze veroordeling ingestelde cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Daardoor is het arrest van het Hof onherroepelijk geworden.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 oktober 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2068
Hoge Raad · 18 november 2014
ECLI:NL:HR:2014:3293Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 12/05934 Zitting: 28 oktober 2014 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] |
1. Verzoeker is bij arrest van 30 november 2012 door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1. “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.
2. Namens verzoeker heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd, omdat het Hof daarbij één (of meer) niet-onherroepelijke veroordeling(en) in aanmerking heeft genomen.
4. De bestreden uitspraak houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“Op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
het gegeven dat het onder 1. bewezen verklaarde de handel in softdrugs bevordert, die (vaak) allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt;
de mate waarin het onder 2. bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht aan Essent Netwerk B.V., de eigenaar van de weggenomen energie.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2012, eerder door een strafrechter is veroordeeld;,
de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder het feit dat verdachte in verband met een eerdere veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf thans voorvluchtig is.
Het hof heeft voor wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.
Gelet op het vorenoverwogene, acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken passend en geboden.”
5. Het door het Hof genoemde Uittreksel Justitiële Documentatie (UJD) d.d. 18 oktober 2012 bevindt zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken. In het middel wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat op dit UJD ten aanzien van verzoeker geen onherroepelijke veroordelingen door een strafrechter staan. De enige volledig afgedane zaak op het UJD betreft een CJIB transactie terzake van een verkeersovertreding. Voorts vermeldt dit UJD een veroordeling door de Rechtbank Breda d.d. 21 juli 2011 tot vijf jaren gevangenisstraf (parketnummer 02-811537-10). Deze veroordeling was echter op het moment dat het Hof in de onderhavige zaak arrest wees niet onherroepelijk maar nog in hoger beroep aanhangig. Inmiddels is dat veranderd, nu het Gerechtshof ’s Hertogenbosch in die zaak verzoeker bij arrest van 7 mei 2013 (parketnummer 20-003138-11) wederom tot een gevangenisstraf van vijf jaren heeft veroordeeld en de Hoge Raad verzoeker in zijn tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep bij arrest van 18 februari 2014 (zaaknr. 13/02464) niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee is de veroordeling onherroepelijk geworden. Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden omdat het belang aan de klacht is komen te ontvallen.
6. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt geklaagd dat het Hof niet in aanmerking had mogen nemen dat verzoeker in verband met een eerdere veroordeling tot vijf jaar gevangenisstraf thans voorvluchtig is, faalt het op grond van het voorgaande eveneens. Voorts valt niet in te zien waarom het Hof deze, ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2012 aan de orde gekomen omstandigheid, niet in aanmerking had mogen nemen als een de persoon van verzoeker betreffende omstandigheid. Wellicht heeft het Hof (mede) in deze omstandigheid aanleiding gezien om anders dan in eerste aanleg een gevangenisstraf op te leggen in plaats van een taakstraf.
7. Het middel faalt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG