Strafrecht overig
Verstekverlening tegen in Duitsland gedetineerde verdachte. Het middel, dat ten betoge strekt dat het Hof ten…
ECLI:NL:PHR:2017:1023 · Parket bij de Hoge Raad · 11 juli 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-1023
Zaakgegevens
Op 11 juli 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juli 2017
- Datum publicatie
- 10 oktober 2017
- Zaaknummer
- 16/01677
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:1023
Samenvatting
Verstekverlening tegen in Duitsland gedetineerde verdachte. Het middel, dat ten betoge strekt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze t.t.v. de behandeling van zijn zaak ttz. in h.b. u.a.h. was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn, is op de gronden die zijn vermeld in de CAG terecht voorgesteld. CAG: Bij de aan de HR toegezonden stukken bevindt zich een ‘detentieverklaring’ afkomstig van het Bureau Buitenland van de Reclassering Nederland. Uit dit stuk kan worden afgeleid dat verdachte t.t.v. de behandeling van zijn zaak in h.b. i.v.m. een andere strafzaak in Duitsland was gedetineerd. Hof had dit kunnen weten maar heeft informatie kennelijk over het hoofd gezien. ’s Hofs beslissing om verstek te verlenen was achteraf bezien onjuist.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 juli 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:1023
Hoge Raad · 10 oktober 2017
ECLI:NL:HR:2017:2574Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 16/01677 Zitting: 11 juli 2017 |
Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
-
De verdachte is bij arrest van 29 juli 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.A.A.P. van Hees, advocaat te Breda, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
-
Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
-
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat aldaar de verdachte noch een raadsman is verschenen en dat tegen de verdachte verstek is verleend.
-
In cassatie is - door middel van aanhechting aan de schriftuur - overgelegd een 'detentieverklaring' gedateerd 19 februari 2015 afkomstig van het Bureau Buitenland van de Reclassering Nederland, inhoudende de verklaring dat de verdachte "op 8 januari 2015 in Duitsland is gearresteerd en sindsdien in detentie verblijft".
-
Dezelfde verklaring bevindt zich bij de op de voet van art. art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken, gehecht aan een op 8 juli 2015 bij het ressortsparket 's-Hertogenbosch ingekomen begeleidende brief van [betrokkene], kennelijk de moeder van de verdachte. Deze begeleidende brief houdt in:
"Zojuist heb ik bericht ontvangen van de dagvaarding van mijn zoon [verdachte] op 29 juli 2015 te 14:00 uur.
Hierbij wil ik u mededelen dat hij niet in de gelegenheid is, te verschijnen voor het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Dit met de reden dat hij sinds 08-01-2015 gedetineerd zit in Duitsland. JVA Koblenz. Op 25 juni 2015 is hij veroordeeld tot 4 jaar celstraf. Hij verblijft momenteel in JVA Koblenz. Wanneer de transport mogelijk is wordt hij een deze dagen overgeplaatst naar JVA Diez.
Bijgevoegd een detentieverklaring van mijn zoon:
(…)"
7. Voorts blijkt uit het dossier dat (i) van deze brief op 8 juli 2015 een afschrift is verstrekt aan de Advocaat-Generaal bij het hof en aan het hof, (ii) dit afschrift op 8 juli 2015 is ingekomen bij het hof, (iii) op dit afschrift met pen is vermeld de datum van de terechtzitting in hoger beroep en de naam van de voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken die de zaak heeft behandeld.
8. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte, zoals naar moet worden aangenomen hier het geval is geweest, ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was.
9. Uit het hiervoor onder 5 vermelde stuk - aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld - moet worden afgeleid dat de verdachte [mogelijk] ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd. Nu de betreffende stukken waaruit dit blijkt zich tevens bij het procesdossier bevonden, had het hof dit ten tijde van de behandeling ter terechtzitting kunnen weten maar heeft de zittingsrechter deze informatie kennelijk over het hoofd gezien.
10. In cassatie kan worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
11. Nu het tweede middel slaagt behoeft het eerste middel geen bespreking.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG