Strafrecht overig
Beklag, beslag op geldbedragen onder klager in zijn strafzaak, terwijl geld in (nog niet onherroepelijke)…
Parket bij de Hoge Raad, 21 november 2017
ECLI:NL:PHR:2017:1376 · Parket bij de Hoge Raad · 21 november 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-1376
Zaakgegevens
Op 21 november 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 november 2017
- Datum publicatie
- 19 december 2017
- Zaaknummer
- 16/01901
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:1376
Samenvatting
Beklag, beslag op geldbedragen onder klager in zijn strafzaak, terwijl geld in (nog niet onherroepelijke) strafzaak verbeurd is verklaard. Ontvankelijkheid hernieuwd beklag. HR: art. 80a RO. CAG: ’s Hofs oordeel dat klager n-o is in het klaagschrift, is hoe dan ook juist, omdat inbeslaggenomen geldbedragen in de strafzaak zijn verbeurd verklaard zodat hij alleen als verdachte in de strafzaak kan opkomen tegen die beslissing. Vervolg op 14/00898 B (niet gepubliceerd, art. 80a RO).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 november 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:1376
Hoge Raad · 19 december 2017
ECLI:NL:HR:2017:3204Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 16/01901 B Zitting: 21 november 2017 |
Mr. G. Knigge Conclusie inzake: [klager] |
-
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 24 maart 2016 de klager niet ontvankelijk verklaard in een op de voet van art. 552a Sv ingediend klaagschrift.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. A.F.M. den Hollander, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel
3.1. Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat door de klager geen beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden, zodat hij niet in zijn herhaalde klaagschrift kan worden ontvangen. Volgens de steller van het middel levert het beroep dat is gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep dat door het openbaar ministerie is ingesteld in de strafzaak tegen de klager wel degelijk een beroep op een nieuwe feit op.
3.2. Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat het klaagschrift strekt tot teruggave van de “inbeslaggenomen geldbedragen”. Daarmee doelt het hof kennelijk – en gezien de inhoud van het klaagschrift niet onbegrijpelijk – op de geldbedragen die op 9 december 2010 onder de klager in beslag zijn genomen. Het hof stelt in de bestreden beschikking vast dat deze geldbedragen door de rechtbank verbeurd zijn verklaard in de strafzaak tegen de klager. Dat betekent dat de klager alleen tegen die verbeurdverklaring kan opkomen in zijn hoedanigheid van verdachte bij de behandeling van het ingestelde hoger beroep. En dat betekent weer dat het hof de klager in elk geval om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het klaagschrift, zodat de beslissing van het hof hoe dan ook juist is.
3.3. Het voorgaande brengt mee dat de klager klaarblijkelijk geen belang heeft bij de behandeling van het ingestelde cassatieberoep. Ik wijs er daarbij nog op dat het hof “ten overvloede” heeft overwogen dat de belangen van de strafvordering zich gelet op de nog lopende strafzaak verzetten tegen de teruggave van de van de inbeslaggenomen geldbedragen. Tegen dat oordeel komt het middel niet op.
4. Op grond van het voorgaande concludeer ik dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG