Strafrecht overig
Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:595 (verwerping klacht m.b.t. aanwezigheidsrecht) n.a.v. aanvullende CAG. Hof…
ECLI:NL:PHR:2017:497 · Parket bij de Hoge Raad · 9 mei 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2017-497
Zaakgegevens
Op 9 mei 2017 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 mei 2017
- Datum publicatie
- 20 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/02592
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2017:497
Samenvatting
Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:595 (verwerping klacht m.b.t. aanwezigheidsrecht) n.a.v. aanvullende CAG. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn h.b., omdat het te laat is ingesteld. Mededeling uitspraak e.a. in persoon uitgereikt aan verdachte? HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 mei 2017deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2017:497
Hoge Raad · 20 juni 2017
ECLI:NL:HR:2017:1120Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
|
Nr. 16/02592 Zitting: 9 mei 2017 |
Mr. G. Knigge Aanvullende conclusie inzake: [verdachte] |
1. In deze zaak concludeerde ik eerder tot vernietiging van de bestreden uitspraak in verband met het derde, namens de verdachte voorgestelde, middel, waarbij ik meende twee andere cassatiemiddelen onbesproken te kunnen laten. In het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:595, heeft Uw Raad echter beslist dat het derde middel tevergeefs is voorgesteld. De zaak is vervolgens naar de rolzitting verwezen teneinde mij in de gelegenheid te stellen mij alsnog bij aanvullende conclusie uit te laten over de twee andere voorgestelde middelen. Van die gelegenheid maak ik bij deze aanvullende conclusie gebruik.
2 Het eerste middel
Het middel klaagt over ’s hofs oordeel dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld omdat hij op 20 augustus 2015 bekend was met het vonnis van de politierechter, aangezien hem op die datum de mededeling uitspraak in persoon is uitgereikt.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het verstekvonnis nimmer aan de verdachte in persoon is betekend en dat de verdachte pas bekendheid met het vonnis had op 4 september 2015. Toen is direct hoger beroep ingesteld. Ter staving van die stelling wordt daartoe aangevoerd dat op de mededeling uitspraak (hierna: MU) onder de kop “uitgereikt aan naam:” (pag. 3 van de MU) niets is ingevuld, zodat niet kan blijken van ontvangstneming van de mededeling door de verdachte. Voorts is op de MU slechts het paspoortnummer van de verdachte vermeld, maar daarbij ontbreekt een handtekening van de verdachte.
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep omdat het te laat is ingesteld en heeft daartoe het volgende overwogen:
“De verdachte was op donderdag 20 augustus 2015 bekend met het vonnis waarvan beroep, omdat hem op die datum de mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 oktober 2013, gewezen onder parketnummer 09-766087-13, in persoon is uitgereikt.
De verdachte had binnen veertien dagen daarna, uiterlijk op donderdag 3 september 2014, in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter op 4 september 2015 hoger beroep ingesteld, dus na het verstrijken van de termijn, zodat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
Bij de stukken van het geding bevindt zich bedoelde mededeling uitspraak betreffende het verstekvonnis. Die mededeling is volgens de daarvan deel uitmakende akte van uitreiking (zie p. 3-4) uitgereikt op het politiebureau aan de verdachte in persoon op 20 augustus 2015 te 16.10 uur door verbalisant [verbalisant], eenheid Den Haag. In die akte is (onderaan p. 3) onder ‘Uitgereikt aan’ achter ‘naam’ inderdaad, zoals de steller van het middel aanvoert, niets ingevuld, maar daar staat tegenover dat (bovenaan p. 4) achter ‘voornaam’ zowel de voornamen als de achternaam van de verdachte zijn vermeld. Vervolgens zijn op p. 4 ook de overige persoonsgegevens van de verdachte vermeld alsmede het paspoortnummer waarmee de verdachte zich volgens de akte heeft gelegitimeerd. Het stuk is tenslotte door de verbalisant gedateerd en voorzien van een ondertekening. Voor zover het middel klaagt dat uit de MU niet kan blijken dat de akte daadwerkelijk aan de verdachte is uitgereikt, miskent het dat de uitleg van de stukken van het geding is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Het oordeel van het hof dat het verstekvonnis aan de verdachte in persoon is betekend acht ik, gelet op de inhoud van de akte van uitreiking, alleszins begrijpelijk. Het middel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3 Het tweede middel
Het middel maakt niet duidelijk, ook niet wanneer het in samenhang met de toelichting daarop wordt gelezen, tegen welke beslissing van het hof het zich keert. Het middel maakt enkel melding van een faxbericht dat verstuurd zou zijn door de verdediging aan het hof kort na de terechtzitting in hoger beroep, waaruit naar voren zou komen dat de verdediging van de griffie heeft vernomen dat er geen zitting in de zaak tegen de verdachte plaatsvond. Voor een dergelijke – als ‘verweer’ aangeduide – stelling van feitelijke aard is in cassatie geen plaats ingeruimd. Derhalve kan het als ‘middel’ gepresenteerde betoog niet worden aangemerkt als een middel van cassatie in de zin der wet.
4. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO bedoelde motivering.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze aanvullende conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG