Strafrecht overig

N-o verklaring in h.b. Het Hof heeft verdachte, op de gronden die zijn vermeld in de CAG, ten onrechte n-o…

Parket bij de Hoge Raad, 11 december 2018

Zaakgegevens

Op 11 december 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 december 2018
Datum publicatie
5 februari 2019
Zaaknummer
17/05369
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1481
E-mail

Samenvatting

N-o verklaring in h.b. Het Hof heeft verdachte, op de gronden die zijn vermeld in de CAG, ten onrechte n-o verklaard in zijn h.b. op de grond dat niet tijdig een schriftuur houdende grieven is ingediend. CAG: De brief van de raadsman van 1 april 2016 waarin de griffier wordt gemachtigd h.b. in te stellen tegen het vonnis van 22 maart 2016, de op 1 april 2016 opgemaakte appelakte en de appelschriftuur die blijkens de daarop geplaatste ontvangststempel van de griffie op 14 april 2016 om 12.01 uur naar de griffier van de rechtbank per fax is verzonden, doen ernstig vermoeden dat namens verdachte tijdig (binnen 14 dagen na het instellen van het beroep) een schriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410 Sv is ingediend. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 december 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2018:1481

  2. Hoge Raad · 5 februari 2019

    ECLI:NL:HR:2019:168

Conclusie

Nr. 17/05369

Zitting: 11 december 2018

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 15 maart 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep, nu de verdachte geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van de verdachte in zijn hoger beroep. In de toelichting op het middel wordt de stelling betrokken dat namens de verdachte, anders dan het hof heeft overwogen, wel degelijk tijdig een schriftuur houdende grieven is ingediend.

  4. De raadsman heeft bij brief van 1 april 2016 namens de verdachte de griffier gemachtigd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 22 maart 2016. Diezelfde dag heeft de griffier dit beroep ingesteld en is de akte instellen rechtsmiddel opgemaakt.

  5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich tevens een op 14 april 2014 ondertekende en ingediende appelschriftuur. De schriftuur bevat een ontvangststempel van de griffie rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 14 april 2016. Tevens blijkt hieruit dat de appelschriftuur op 14 april 2016 om 12.01 uur door Van Oosten Advocaten naar de griffier van de rechtbank per fax is verzonden.

  6. De inhoud van deze stukken biedt grond voor het ernstige vermoeden dat namens de verdachte tijdig, te weten binnen 14 dagen na het instellen van het beroep, een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410 Sv is ingediend. Het oordeel van het hof dat geen schriftelijke (of mondelinge) bezwaren zijn opgegeven is daardoor onbegrijpelijk.

  7. Het middel slaagt.

  8. Het voorgaande leidt ertoe dat de andere gronden die het middel aanvoert geen bespreking behoeven.

  9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

  10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG