Strafrecht overig
Vlaardingse moskeemoord. Uitlokken van moord door zijn (ex-)partner een persoon te laten doodschieten bij een…
ECLI:NL:PHR:2018:168 · Parket bij de Hoge Raad · 16 januari 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2018-168
Zaakgegevens
Op 16 januari 2018 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 januari 2018
- Datum publicatie
- 6 maart 2018
- Zaaknummer
- 17/00831
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2018:168
Samenvatting
Vlaardingse moskeemoord. Uitlokken van moord door zijn (ex-)partner een persoon te laten doodschieten bij een moskee in Vlaardingen. Art. 289 Sr. Falende klachten m.b.t. bedreiging (ex-)partner en begrijpelijkheid overwegingen Hof m.b.t. betrouwbaarheid getuigenverklaring. HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 6 februari 2017
ECLI:NL:GHDHA:2017:223Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 januari 2018deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2018:168
Hoge Raad · 6 maart 2018
ECLI:NL:HR:2018:307Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 17/00831 Zitting: 16 januari 2018 (bij vervroeging) |
Mr. D.J.C. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest 6 februari 2017 de verdachte ter zake van ‘opzettelijke uitlokking van moord’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest. Bovendien heeft het hof (toewijzende) beslissingen genomen op de vorderingen van twee benadeelde partijen, zoals vermeld in het arrest.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De voorliggende zaak betreft een (mogelijk) geval van eerwraak. Volgens de bewezenverklaring, gesteund door de bewijsmiddelen (en in cassatie onbetwist), heeft [betrokkene 1] op 1 februari 2013 in Vlaardingen een zekere [betrokkene 2] doodgeschoten, op straat, vlak nadat hij de moskee aldaar had verlaten en in zijn auto had plaatsgenomen. De verdachte is (was) de partner van [betrokkene 1] . De verdachte leefde in de veronderstelling dat [betrokkene 1] met [betrokkene 2] was vreemdgegaan. Het hof acht kort gezegd bewezen dat de (ontkennende) verdachte [betrokkene 1] door geweld, door bedreiging en door het verschaffen van middelen en inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt om [betrokkene 2] dood te schieten.
4. Beide middelen behelzen motiveringsklachten en betreffen de bewijsvoering.
5. Het eerste middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte [betrokkene 1] heeft gedreigd haar te doden (zoals het hof heeft bewezen verklaard). “Bewijsmiddel 9 houdt weliswaar in dat [betrokkene 1] werd meegedeeld dat misschien zij haar kinderen niet meer zou zien, maar daaruit is niet af te leiden dat dit door het doden van [betrokkene 1] zou worden veroorzaakt. Uit de directe context van deze mededeling volgt hooguit dat kennelijk de kinderen het met hun leven zouden moeten bekopen”, aldus (de toelichting op) het middel.
6. Het hof heeft bewezen verklaard dat:
“[betrokkene 1] op 1 februari 2013 te Vlaardingen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [betrokkene 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft [betrokkene 1] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels in/door het hoofd van die [betrokkene 2] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [betrokkene 2] is overleden, welk feit hij, verdachte omstreeks de periode van 15 januari 2013 tot en met 1 februari 2013 te Vlaardingen, door geweld en bedreiging en door het verschaffen van middelen en inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt door
- [betrokkene 1] op te dragen om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- [betrokkene 1] te dreigen met de dood indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- te dreigen om een of meer familieleden van [betrokkene 1] iets aan te doen, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- [betrokkene 1] te mishandelen en uit te schelden en
- [betrokkene 1] op het bed vast te binden en haar mond af te plakken/tapen en [betrokkene 1] met een riem te slaan en
- naaktfoto’s van [betrokkene 1] en pornografische foto's van [betrokkene 1] te maken en te dreigen om deze foto's te verspreiden, althans openbaar te maken, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen en
- aan [betrokkene 1] een vuurwapen te verstrekken en aan [betrokkene 1] te laten zien hoe een vuurwapen werkt.”
7. Onderdeel van deze bewezenverklaring is dat de verdachte [betrokkene 1] heeft bedreigd met de dood indien zij zou weigeren [betrokkene 2] om het leven te brengen. Ofschoon de frase ‘dreigen met de dood’ openlaat met wiens dood de bedreigde wordt bedreigd, en dus strikt genomen kan worden betoogd dat de woorden ‘dreigen met de dood’ niet uitsluiten dat zij betrekking hebben op de dood van anderen dan de bedreigde, wil ik aannemen dat met deze woorden in gangbaar taalgebruik wordt gedoeld op de dood van de bedreigde zelf, in dit geval dus [betrokkene 1] . Ik ga ervan uit dat ook het hof deze passage aldus heeft opgevat.
8. In de bewijsmiddelen is (inderdaad) geen steun te vinden voor deze aldus begrepen passage uit de bewezenverklaring. Het dichtst in de buurt komt bewijsmiddel 9, de RC-verklaring van [betrokkene 1] d.d. 28 oktober 2013, waarin onder meer is meegedeeld (ik ben in het voordeel van de steller van het middel iets vollediger in de weergave het citaat):
“Een paar dagen heeft hij gezegd: als je het nu niet doet, vermoord ik je kinderen. Hij ging weer door met mij te mishandelen. Hij zei die vrijdag: kijk goed naar je kinderen, misschien zie je ze niet meer, misschien is het de laatste keer dat je ze ziet. Die vrijdag voor mij was het de laatste druppel. Ik keek naar mijn dochter en zag alleen maar mijn kinderen voor me.”
9. Deze passage vormt ondersteuning voor een ander onderdeel van de bewezenverklaring, namelijk: “dreigen om een of meer familieleden van [betrokkene 1] iets aan te doen, indien [betrokkene 1] weigerde om [betrokkene 2] om het leven te brengen”. Ik lees in deze passage echter niet dat de verdachte heeft gedreigd [betrokkene 1] zelf van het leven te beroven. De klacht dat een onderdeel van de bewezenverklaring niet wordt geschraagd door bewijsmiddelen komt mij dus gegrond voor.
10. Niettemin hoeft de gegrondheid van de klacht niet tot cassatie te leiden. De aard en ernst van het bewezen verklaarde in zijn geheel beschouwd worden namelijk niet aangetast indien het gewraakte onderdeel uit de bewezenverklaring wordt geschrapt.
11. Het middel is gegrond, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
12. Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijkheid van een bewijsoverweging.
13. In feitelijke aanleg heeft de verdediging gehamerd op de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en familieleden van [betrokkene 1] , voor zover die inhouden dat de verdachte [betrokkene 1] zwaar onder druk heeft gezet c.q. heeft mishandeld en dat hij uit was op de dood van [betrokkene 2] . Het hof is in het bestreden arrest uitvoerig ingegaan op dit standpunt en heeft gemotiveerd uiteengezet op welke gronden het van dit standpunt is afgeweken.
14. Een van de bewijsmiddelen, namelijk nr. 14, betreft de verklaring van [betrokkene 3] d.d. 22 mei 2013. Deze [betrokkene 3] deelde de politie kort gezegd mee dat de verdachte hem had verteld dat en hoe hij had achterhaald dat [betrokkene 1] vreemd ging met [betrokkene 2] , dat hij (verdachte) wilde dat [betrokkene 2] zou worden mishandeld en/of gedood en dat hij (verdachte) dit voornemen ten uitvoer zou brengen.
15. In een nadere bewijsoverweging motiveert het hof het gebruik van dit bewijsmiddel als volgt:
“Verklaring [betrokkene 3]
heeft verklaard dat hij de verdachte tweemaal heeft gezien en gesproken voor de kerst in 2012. Beide keren sprak de verdachte over het slachtoffer. Tijdens het tweede gesprek vroeg verdachte aan [betrokkene 3] of deze het slachtoffer neer kon schieten. De verdachte gaf hem ook het telefoonnummer van het slachtoffer. [betrokkene 3] heeft dit nummer ook op een papiertje geschreven.
Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 3] aannemelijk, nu uit het tapgesprek tussen de nicht van de mededader ( [betrokkene 4] ) en [betrokkene 3] , dat plaatsvindt nadat [betrokkene 3] zijn verklaring tegen de politie heeft afgelegd, nergens blijkt dat die verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven. Het papiertje waarop [betrokkene 3] het telefoonnummer van [betrokkene 2] heeft genoteerd, is bovendien door hem aan de politie overhandigd.”
In de aanvulling op het bestreden arrest heeft het hof over de verklaring van [betrokkene 3] (andermaal) overwogen:
“Het hof acht deze verklaring van [betrokkene 3] aannemelijk, nu uit het tapgesprek tussen de nicht van de mededader ( [betrokkene 4] ) en [betrokkene 3] , dat plaatsvindt nadat [betrokkene 3] zijn verklaring tegen de politie heeft afgelegd (uitwerking gesprek pagina 347), nergens blijkt dat die verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven.”
16. De steller van het middel brengt hiertegen het volgende in (ik citeer volledig):
“Dat uit een tapgesprek tussen getuige [betrokkene 3] en een familielid van hem niet blijkt dat [betrokkene 3] ’ verklaring vooraf door de familie [van betrokkene 1] is ingegeven, is nietszeggend voor het oordeel dat om die reden die verklaring aannemelijk is.”
17. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan ik de steller van het middel in zijn argumentatie niet volgen. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat ingeval de verklaring van [betrokkene 3] zou zijn ‘voorgekookt’ met de (overige) familieleden van [betrokkene 1] , het afleggen door [betrokkene 3] van die (gearrangeerde) verklaring waarschijnlijk zou zijn besproken in een daaropvolgend telefoongesprek met de nicht van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 4] . Nu het afgeluisterde telefoongesprek daarvan naar ’s hofs oordeel geen blijk geeft, ziet het hof hierin een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van hetgeen [betrokkene 3] heeft verklaard.
18. Ik acht dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor een verdergaande toets is in cassatie geen plaats.
19. Beide middelen zijn tevergeefs voorgesteld.
20. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.
AG