Strafrecht overig

Vlaardingse moskeemoord. Uitlokken van moord door zijn (ex-)partner een persoon te laten doodschieten bij een…

Hoge Raad, 6 maart 2018

Zaakgegevens

Op 6 maart 2018 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 maart 2018
Datum publicatie
6 maart 2018
Zaaknummer
17/00831
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2018:307
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vlaardingse moskeemoord. Uitlokken van moord door zijn (ex-)partner een persoon te laten doodschieten bij een moskee in Vlaardingen. Art. 289 Sr. Falende klachten m.b.t. bedreiging (ex-)partner en begrijpelijkheid overwegingen Hof m.b.t. betrouwbaarheid getuigenverklaring. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 6 februari 2017

    ECLI:NL:GHDHA:2017:223
  2. Conclusie A-G · 16 januari 2018

    ECLI:NL:PHR:2018:168
  3. Hoge Raad · 6 maart 2018deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2018:307

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

6 maart 2018

Strafkamer

nr. S 17/00831

SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 februari 2017, nummer 22/002982-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2018.