Strafrecht overig
Profijtontneming. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang tussen 18/00416 en 18/00417 P.
ECLI:NL:PHR:2019:758 · Parket bij de Hoge Raad · 28 mei 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2019-758
Zaakgegevens
Op 28 mei 2019 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 mei 2019
- Datum publicatie
- 9 juli 2019
- Zaaknummer
- 18/00417
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2019:758
Samenvatting
Profijtontneming. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang tussen 18/00416 en 18/00417 P.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 mei 2019deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2019:758
Hoge Raad · 9 juli 2019
ECLI:NL:HR:2019:1099
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/00417 P
Zitting 28 mei 2019
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.
-
Bij arrest van 23 november 2017 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, is het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 1.949,61 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van hetzelfde bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
-
Er bestaat samenhang met de hoofdzaak, nr. 18/00416, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
3. Anders dan in de hoofdzaak, is in de onderhavige ontnemingszaak niet binnen de bij wet gestelde termijn een schriftuur met één of meer middelen van cassatie bij de Hoge Raad ingediend. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde die is gesteld in art. 437, tweede lid, Sv, en op grond van art. 511h Sv ook van toepassing is op ontnemingszaken. Om die reden is de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk.
4. Deze conclusie strekt ertoe de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG