Strafrecht overig

Medeplegen gewoontewitwassen, hawala-bankieren (art. 420ter Sr) en deelname aan een criminele organisatie…

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2020
Datum publicatie
9 november 2020
Zaaknummer
19/02853
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:1051
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Medeplegen gewoontewitwassen, hawala-bankieren (art. 420ter Sr) en deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Geen middelen ingediend, cassatieberoep n-o (art. 437.2 Sv). Samenhang met 18/04416 en 19/02851. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:3046.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 5 juli 2018

    ECLI:NL:GHAMS:2018:4065
  2. Conclusie A-G · 25 augustus 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2020:1051

  3. Hoge Raad · 10 november 2020

    ECLI:NL:HR:2020:1755

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/02853

Zitting 25 augustus 2020

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft – nadat de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2014 de eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2013 had vernietigd en de zaak had teruggewezen – bij arrest van 5 juli 2018 de verdachte wegens 1. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van een bestelauto en van een geldbedrag van € 100.000,-. Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de in het arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast of de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.

2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (18/04416) en [medeverdachte 2] (19/02851). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid Sv is op 12 juli 2019 in persoon aan de verdachte betekend. Op 24 juli 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam).

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324 m.nt. Borgers ECLI:NL:GHAMS:2018:4065 Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 23 juli 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen.