Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/04881 en 19/04915.

Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2020

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27 oktober 2020
Datum publicatie
8 december 2020
Zaaknummer
19/04974
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:1172
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/04881 en 19/04915.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 6 december 2016

    ECLI:NL:HR:2016:2777
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 18 oktober 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:3958
  3. Conclusie A-G · 27 oktober 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2020:1172

  4. Hoge Raad · 8 december 2020

    ECLI:NL:HR:2020:1966

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/04974

Zitting 27 oktober 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 18 oktober 2019 wegens “medeplichtigheid aan: medeplegen van: bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen en in voorraad hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04881 en 19/04915. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Namens de verdachte heeft mr. K.L. Korteweg, advocaat te Eindhoven, beroep in cassatie ingesteld.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 29 mei 2020 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 29 juli 2020. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Op 29 mei 2020 is de aanzegging, voorzien van een vertaling daarvan en van de bijsluiter, voorts verzonden naar het adres waarop de verdachte stond ingeschreven in het BRP.