Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/00996, 19/01006 en 19/01116.

Zaakgegevens

Op 2 juni 2020 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juni 2020
Datum publicatie
7 juli 2020
Zaaknummer
19/01134
ECLI
ECLI:NL:PHR:2020:682
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/00996, 19/01006 en 19/01116.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 22 februari 2019

    ECLI:NL:GHAMS:2019:3000
  2. Conclusie A-G · 2 juni 2020deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2020:682

  3. Hoge Raad · 7 juli 2020

    ECLI:NL:HR:2020:1232

    Niet ontvankelijk

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01134

Zitting 2 juni 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 22 februari 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van poging tot zware mishandeling en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en voor de toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/00996, 19/01006 en 19/01116. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG