Strafrecht overig
Conclusie AG. Betekeningsperikelen. 1. Is dagvaarding in hoger beroep nietig nu niet tevens is gedagvaard op…
ECLI:NL:PHR:2021:722 · Parket bij de Hoge Raad · 31 augustus 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2021-722
Zaakgegevens
Op 31 augustus 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 augustus 2021
- Datum publicatie
- 19 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/02828
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2021:722
Samenvatting
Conclusie AG. Betekeningsperikelen. 1. Is dagvaarding in hoger beroep nietig nu niet tevens is gedagvaard op een inmiddels gewijzigd GBA-adres? 2. Uit aktes van uitreiking kan niet blijken dat dagvaarding is aangeboden op het BRP-adres waarop de verdachte destijds was ingeschreven. Strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 augustus 2021deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2021:722
Hoge Raad · 12 oktober 2021
ECLI:NL:HR:2021:1490
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02828
Zitting 31 augustus 2021
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
Inleiding
-
De verdachte is bij arrest van 8 juni 2020 door het hof ‘s-Hertogenbosch bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 augustus 2018 waarbij hij wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” was veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
-
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt dat het hof de appeldagvaarding ten onrechte en/of onbegrijpelijk “niet nietig” heeft verklaard, althans dat het hof “ten onrechte [heeft] nagelaten de behandeling” van de zaak ter terechtzitting “aan te houden”. Ik begin met de redenen die worden aangevoerd waarom het hof de appeldagvaarding nietig had moeten verklaren.
4. Allereerst wordt aangevoerd dat het hof de appeldagvaarding nietig had moeten verklaren omdat uit de betekeningsstukken niet kan blijken dat is geprobeerd de appeldagvaarding uit te reiken op het adres dat door het hof ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting is aangemerkt als het woonadres van de verdachte. Het gaat om het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Verder wordt aangevoerd dat het hof de appeldagvaarding nietig had moeten verklaren omdat uit de betekeningsstukken niet kan blijken dat geprobeerd is de appeldagvaarding uit te reiken aan het adres waarop de verdachte stond ingeschreven in de basisregistratie personen. Getracht is immers de dagvaarding uit te reiken op het adres “[b-straat 1]” te [plaats], terwijl de verdachte volgens de “Informatiestaat SKDB-persoon” van 2 april 2020 was ingeschreven op het adres “[b-straat 2]’ te [plaats], zo wordt aangevoerd.
5. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, zoals is voorgeschreven in art. 434, eerste lid, Sv, bevinden zich twee akten van uitreiking die betrekking hebben op twee dagvaardingen in hoger beroep die zijn gedateerd op 20 maart 2020, waarvan de ene is gericht aan het adres [b-straat 1], [postcode] [plaats], en de andere aan het adres [c-straat 1], [postcode] [plaats]. De akte van uitreiking die hoort bij de dagvaarding met het adres [b-straat 1], [postcode] [plaats] houdt in dat de dagvaarding daar op 27 maart 2020 niet kon worden uitgereikt en vervolgens op 8 april 2020 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, en houdt tevens in dat op dezelfde dag een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar dat adres. De akte van uitreiking die betrekking heeft op de dagvaarding met het adres [c-straat 1], [postcode] [plaats] houdt in dat deze op 27 maart 2020 is uitgereikt aan “een ander op het vermelde adres, die belooft de brief onmiddellijk aan geadresseerde te geven”.
6. De stellers van het middel klagen tevergeefs dat het hof de appeldagvaarding ten onrechte niet nietig heeft verklaard nu uit de stukken van het geding niet kan blijken dat is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats]. Gelet op het resultaat van de bevraging van de basisregistratie personen ten behoeve van de betekening van de aanzegging aan de verdachte in cassatie, zoals is voorgeschreven in art. 435, eerste lid, Sv, staat de verdachte pas sinds 17 april 2020 op dit adres ingeschreven. Ten tijde van het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep stond de verdachte – zoals nog zal blijken – ingeschreven op het adres [b-straat 1]. De klacht berust op de opvatting dat nu de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, het achterwege blijven van een poging tot uitreiking van de dagvaarding op een nadien, maar nog vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep gewijzigd GBA-adres, de betekening nietig maakt. Die opvatting komt mij evenwel onjuist voor. Maatgevend voor de beoordeling van de geldigheid van de betekening is de situatie ten tijde van het dagvaarden.
7. De klacht dat het hof de appeldagvaarding ten onrechte of onbegrijpelijk niet nietig heeft verklaard omdat uit de betekeningsstukken niet kan blijken dat is getracht de dagvaarding te betekenen op het adres waarop de verdachte stond ingeschreven, treft wel doel. De Informatiestaat SKDB-personen van 8 april 2020, die zich bevindt bij de akte van uitreiking van de dagvaarding aan het adres [b-straat 1], [postcode] [plaats], houdt immers in dat de verdachte met ingang van 13 november 2019 als “BRP-adres” heeft: [b-straat 2], [postcode] [plaats]. De huisnummers komen daarmee niet geheel overeen. Hiermee is de vaststelling door het hof “dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend” niet zonder meer begrijpelijk en is het middel in zoverre gegrond.
8. Gelet op het gevolg dat aan het voorgaande moet worden verbonden, kan een verdere bespreking van het middel achterwege blijven. Mocht de Hoge Raad tot een ander oordeel komen, dan ben ik uiteraard tot nader concluderen bereid.
Slotsom
9. Het middel is ten dele terecht voorgesteld.
10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG