Strafrecht overig

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/05811.

Zaakgegevens

Op 13 juli 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 juli 2021
Datum publicatie
30 september 2021
Zaaknummer
19/05817
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:905
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/05811.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 juli 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2021:905

  2. Hoge Raad · 5 oktober 2021

    ECLI:NL:HR:2021:1445

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/05817

Zitting 13 juli 2021

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 16 december 2019 de verdachte wegens “witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Ook heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven personenauto (Volkswagen Golf) verbeurdverklaard.

2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (19/05811). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Tegen het arrest is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 8 oktober 2020 aan de verdachte in persoon betekend. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben zich in cassatie als raadslieden van de verdachte gesteld. Zij zijn tijdig, bij portaalbericht van 13 oktober 2020, van de aanzegging aan de verdachte in kennis gesteld. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden verstreek op 7 december 2020. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG