Strafrecht overig

Met 19/01785 en 19/01840 samenhangende peek (geen schriftuur, beroep n-o).

Zaakgegevens

Op 31 augustus 2021 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31 augustus 2021
Datum publicatie
12 oktober 2021
Zaaknummer
19/01900
ECLI
ECLI:NL:PHR:2021:968
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Met 19/01785 en 19/01840 samenhangende peek (geen schriftuur, beroep n-o).

Procesgang

  1. Rechtbank Oost-Brabant · 25 juli 2016

    ECLI:NL:RBOBR:2016:3967
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 april 2019

    ECLI:NL:GHSHE:2019:1397

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 31 augustus 2021deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2021:968

  4. Hoge Raad · 12 oktober 2021

    ECLI:NL:HR:2021:1493

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01900

Zitting 31 augustus 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 5 april 2019 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. subsidiair ‘feitelijke leiding geven aan: witwassen en van het plegen van witwassen een gewoonte maken’; 3. subsidiair ‘feitelijke leiding geven aan: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ en 4. subsidiair ‘feitelijke leiding geven aan: valsheid in geschrift’ veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede 180 uren taakstraf subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sr.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/01785 en 19/01840. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 6 november 2020 in persoon betekend. Namens de verdachte is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.

4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG