Strafrecht overig

Conclusie AG. Medeplegen van invoer van cocaïne, art. 2 onder A Opiumwet. Geen schriftuur houdende middelen…

Zaakgegevens

Op 13 december 2022 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 december 2022
Datum publicatie
12 december 2022
Zaaknummer
21/01220
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:1167
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Medeplegen van invoer van cocaïne, art. 2 onder A Opiumwet. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Samenhang met 21/01003 en 21/01728.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 maart 2021

    ECLI:NL:GHSHE:2021:820
  2. Conclusie A-G · 13 december 2022deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2022:1167

  3. Hoge Raad · 7 maart 2023

    ECLI:NL:HR:2023:337

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/01220

Zitting 13 december 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte

  1. De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’, veroordeeld tot 985 dagen gevangenisstraf, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 21/01003 en 21/01728. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 11 april 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Zij is op 22 en 29 maart 2022 (en naar ik begrijp op 5 april 2022) aangeboden aan het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], alwaar volgens de akte van uitreiking niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BRP-bevraging van 11 april 2022 blijkt dat dit adres sinds 25 november 2014 het BRP-adres van verdachte is.

  4. Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.

  5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG