Strafrecht overig
Conclusie AG. Profijtontneming. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Conclusie strekt…
ECLI:NL:PHR:2023:64 · Parket bij de Hoge Raad · 17 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2023-64
Zaakgegevens
Op 17 januari 2023 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 januari 2023
- Datum publicatie
- 16 januari 2023
- Zaaknummer
- 21/01191
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:64
Samenvatting
Conclusie AG. Profijtontneming. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep. Samenhang met 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01109 en 21/01110.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 januari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2023:64
Hoge Raad · 7 maart 2023
ECLI:NL:HR:2023:352
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01191 P
Zitting 17 januari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,
hierna: de betrokkene
-
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 100.000,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 95.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01109 en 21/01110. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 30 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Volgens een akte van uitreiking met invuldatum 23 mei 2022, tijdstip 14.55 uur is de brief niet uitgereikt op het adres [adres] omdat de geadresseerde niet (meer) op het vermelde adres woonde. Uit BRP-bevragingen van 30 mei 2022 en 5 september 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is met als datum van inschrijving 19 mei 2016. Ik begrijp deze akte van uitreiking aldus dat de poging tot uitreiking heeft plaatsgevonden op de invuldatum. Mede in dat licht meen ik dat uit de akte kan worden afgeleid dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de BRP was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres (art. 36e, tweede lid, onder b. Sv).
-
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing in ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
-
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden