Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Parket bij de Hoge Raad, 26 maart 2024

Zaakgegevens

Op 26 maart 2024 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26 maart 2024
Datum publicatie
15 april 2024
Zaaknummer
23/00215
ECLI
ECLI:NL:PHR:2024:430
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 26 maart 2024deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2024:430

  2. Hoge Raad · 16 april 2024

    ECLI:NL:HR:2024:607

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/00215

Zitting 26 maart 2024

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij verstekarrest van 29 november 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens ‘mishandeling’ veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt.

4. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.

5. Overeenkomstig het Procesreglement heeft de raadsman van de verdachte bij brief van 9 juni 2023 tijdig aan de rolraadsheer verzocht alsnog in het bezit te worden gesteld van (onder meer) een afschrift van die aanvulling. Desgevraagd heeft de griffier van het hof bij brief van 22 juni 2023 de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.

6. Op grond van artikel 359 lid 3 en lid 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG