Strafrecht overig

Conclusie AG. Herzieningsverzoek in strafzaak uit opsporingsonderzoek Maggiora. Verdediging brengt nieuwe…

Zaakgegevens

Op 11 november 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 november 2025
Datum publicatie
3 november 2025
Zaaknummer
25/00577
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1196
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Herzieningsverzoek in strafzaak uit opsporingsonderzoek Maggiora. Verdediging brengt nieuwe feiten in die afkomstig zijn uit het hoger beroep van de voormalige medeverdachten van aanvrager, die zelf niet in hoger beroep is gegaan. Voorgestelde novum houdt in dat de rechtbank bij bekendheid met de ingebrachte gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had beslist in verband met een schending van art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening. Samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00562.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 11 november 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2025:1196

  2. Hoge Raad · 14 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:651

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00577 H

Zitting 11 november 2025

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[aanvrager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de aanvrager

Inleiding

1. De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvrager bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens

­ onder 1. “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden, door: voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd”;

­ onder 4. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod”;

­ onder 5. “deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;

­ onder 6. “gewoontewitwassen”;

­ onder 7. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III”

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest.

2. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvrager een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00562, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.

De bespreking en beoordeling van het herzieningsverzoek

3. In de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager met zaaknummer 25/00562 heeft de verdediging mutatis mutandis een identiek herzieningsverzoek ingediend. In de conclusie die ik vandaag in die zaak neem, leg ik uit waarom de Hoge Raad dat herzieningsverzoek naar mijn mening zou moeten afwijzen. Voor de redenen waarom het herzieningsverzoek (ook) in deze zaak ongegrond is, verwijs ik daarom naar mijn opmerkingen onder de randnummers 4 tot en met 37 in mijn conclusie in die zaak (gepubliceerd onder ECLI:NL:PHR:2025:1194).

Slotsom

4. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Het vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNNE:2017:2951.