Strafrecht overig
Herziening. Medeplegen diverse Opiumwetdelicten (art. 2.C en 10a Opiumwet), deelnemen aan criminele…
Hoge Raad, 14 april 2026
ECLI:NL:HR:2026:651 · Hoge Raad · 14 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/herziening/ecli-nl-hr-2026-651
Zaakgegevens
Op 14 april 2026 heeft de Hoge Raad in een herzieningsprocedure uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 april 2026
- Datum publicatie
- 10 april 2026
- Zaaknummer
- 25/00577
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- HerzieningHerzieningEen onherroepelijke uitspraak wordt opnieuw bekeken, omdat er nieuwe feiten zijn die de rechter niet kende.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:651
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herziening. Medeplegen diverse Opiumwetdelicten (art. 2.C en 10a Opiumwet), deelnemen aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr jo. 11b.1 Opiumwet), gewoontewitwassen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.b Sr) en voorhanden hebben van vuurwapens en patronen (art. 26.1 WWM). Aangevoerd wordt dat Rb het OM n-o zou hebben verklaard in vervolging van aanvrager (zoals hof deed in zaak tegen medeverdachte A) als Rb bekend was geweest met wat is gebleken bij behandeling van die zaak in hoger beroep over vormverzuimen i.v.m. verklaringen van medeverdachte B, art. 457.1.c Sv.
Om redenen vermeld in HR:2026:562 is aanvraag ongegrond.
Afwijzing aanvraag. Samenhang met 25/00561 H en 25/00562 H.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 november 2025
ECLI:NL:PHR:2025:1196Hoge Raad · 14 april 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:651
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00577 H
Datum 14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-930253-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes,
namens
[aanvrager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de aanvrager.
1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor ‘medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden, meermalen gepleegd’, ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod’, ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid en/of artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet’, ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’, ‘gewoontewitwassen’ en ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en de feiten begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III’ tot een gevangenisstraf van 24 maanden.
2 De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvrager – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met de eerst bij de behandeling van die zaak in hoger beroep bekend geworden informatie over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2].
3 De conclusie van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening en heeft voor de redenen daarvoor verwezen naar zijn conclusie in de zaak van de voormalige medeverdachte van de aanvrager op grond van een identiek herzieningsverzoek in de zaak met nummer 25/00562 H.
De raadslieden van de aanvrager hebben daarop schriftelijk gereageerd en daarbij verwezen naar hun schriftelijke reactie op de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak met nummer 25/00562 H.
4 Beoordeling van de aanvraag
De aanvraag is ongegrond. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00562 H, ECLI:NL:HR:2026:562.
5 Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.