Strafrecht overig
Conclusie AG. Profijtontneming. Onderzoek 'Amber'. Criminele organisatie gericht op handel in heroïne. Middel…
Parket bij de Hoge Raad, 18 februari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:232 · Parket bij de Hoge Raad · 18 februari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2025-232
Zaakgegevens
Op 18 februari 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 februari 2025
- Datum publicatie
- 17 februari 2025
- Zaaknummer
- 23/01510
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:232
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Profijtontneming. Onderzoek 'Amber'. Criminele organisatie gericht op handel in heroïne. Middel over motivering oplegging ontnemingsmaatregel mist feitelijke grondslag. Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep. Samenhang met 23/01465, 23/01511, 23/01513 P, 23/01593, 23/01604, 23/01614, 23/01616 P.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 februari 2025deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2025:232
Hoge Raad · 13 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:733
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01510 P
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Bij arrest van 14 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2021 met aanvulling van gronden bevestigd.
2. Bij het genoemde vonnis had de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 129.800,00, en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 124.800,00 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel (waarbij een overschrijding van de redelijke termijn is gecompenseerd door de betalingsverplichting te verminderen met € 5.000,-).
3. Er bestaat – met inbegrip van de voorliggende zaak – samenhang tussen de zaken [medeverdachte 7] (23/01465), [betrokkene] (23/01510 P), [medeverdachte 2] (23/01511), [medeverdachte 2] (23/01513 P), [medeverdachte 3] (23/01593), [medeverdachte 4] (23/01604), [medeverdachte 5] (23/01614), [medeverdachte 5] (23/01616 P). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. In de zaak tegen [medeverdachte 6] (23/01582), waarin geen middelen zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 14 november 2023 reeds arrest gewezen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D.J.M. Dammers, indertijd advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
5. Met het middel betoogt de steller ervan dat de motivering van de oplegging van de ontnemingsmaatregel tekortschiet nu de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis uitsluitend heeft overwogen dat het feit waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld – gewoontewitwassen – een vijfde categorie-feit betreft, maar niet heeft uiteengezet om welke reden aannemelijk is dat dit gewoontewitwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit knelt volgens de steller van het middel te meer omdat gewoontewitwassen niet zonder meer met zich brengt dat daardoor wederrechtelijk voordeel wordt verkregen en evenmin inzichtelijk is of de rechtbank anders oog heeft gehad op ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr.
De bespreking van het middel
6. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel – in cassatie onbetwist – becijferd aan de hand van een uitgebreide kasopstelling en de oplegging van de ontnemingsmaatregel gegrond op artikel 36e lid 3 Sr. In dit verband heeft de rechtbank overwogen: “Bij gebrek aan aantoonbare legale inkomsten en bij gebrek aan enig andersluidende verklaring van de veroordeelde, acht de rechtbank het aannemelijk dat de veroordeelde haar uitgaven enkel heeft kunnen doen met geld dat zij door middel van (andere) strafbare feiten tot haar beschikking had.”
Slotsom
7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG