Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 18 februari 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 februari 2025
Datum publicatie
14 maart 2025
Zaaknummer
23/04376
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:325
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 18 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2025:325

  2. Hoge Raad · 18 maart 2025

    ECLI:NL:HR:2025:391

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04376

Zitting 18 februari 2025

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte

1. De verdachte is bij arrest van 27 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens 1 en 2 primair “oplichting, meermalen gepleegd”, 3. “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen, meermalen gepleegd”, 5 “identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk op zijn identiteit te verhelen”, 6 en 7 “diefstal meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd drie jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair negentig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in artikel 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/04377 P. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R. Schreudering, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het cassatiemiddel is ingediend naar aanleiding van een brief van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 februari 2024, die kort gezegd inhoudt dat een van de raadsheren van de zittingscombinatie ten tijde van de behandeling van de zaak niet in de hoedanigheid van raadsheer-plaatsvervanger de ambtseed had afgelegd. Volgens de steller van het middel kan daardoor niet gezegd worden dat de uitspraak is gedaan door het door de wet vereiste aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.

5. Op de gronden als vermeld in de conclusie van de procureur-generaal d.d. 23 april 2024 in de zaak met het nummer 23/04238 is het middel terecht voorgesteld.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

ECLI:NL:PHR:2024:435. Uitspraak Hoge Raad 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:956.