Strafrecht overig

Conclusie AG. Demonstratie in gebouw ING Bank. Huisvredebreuk (art. 138 Sr). Middel over verwerping verweer…

Parket bij de Hoge Raad, 13 mei 2025

Zaakgegevens

Op 13 mei 2025 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13 mei 2025
Datum publicatie
11 mei 2025
Zaaknummer
24/01584
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:526
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Conclusie AG. Demonstratie in gebouw ING Bank. Huisvredebreuk (art. 138 Sr). Middel over verwerping verweer dat vervolging in strijd is met demonstratierecht (art. 11 EVRM) faalt onder verwijzing naar PHR:2025:518. Conclusie strekt tot verwerping.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 13 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2025:526

  2. Hoge Raad · 30 september 2025

    ECLI:NL:HR:2025:1437

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01584

Zitting 13 mei 2025

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 10 april 2024 (22-002296-22) door het gerechtshof Den Haag wegens “wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen” veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.

1.2

Deze zaak betreft één van de acht demonstratiezaken waarin ik vandaag concludeer. In al deze zaken heeft het gerechtshof Den Haag op dezelfde dag uitspraak gedaan. Het gaat in zes zaken over een demonstratie op 20 oktober 2020 in het toenmalige ministerie van Economische Zaken en Klimaat (24/01578, 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582 en 24/01583), waarvan één ook over een demonstratie op 11 juni 2019 in de Tweede Kamer (24/01578), en in twee zaken over demonstraties op 9 juli 2022 in gebouwen die in gebruik waren bij de ING Bank (24/01584 en 24/01632).

1.3

Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, in de voorliggende zaak één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel klaagt in de kern over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat art. 138 Sr buiten toepassing moet blijven vanwege onverenigbaarheid van de vervolging met onder meer art. 10 en 11 EVRM. Het middel is vergelijkbaar met dat in de zaak 24/01580.

2.2

Art. 138 lid 1 Sr is opgenomen in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”) en luidt:

“Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”

2.3

Het middel faalt. De redenen daarvoor staan in mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/01580, ECLI:NL:PHR:2025:518.

3 Slotsom

3.1

Het middel faalt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG