Strafrecht overig
Conclusie AG. Middel 1 klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van witwassen ten aanzien van twee…
Parket bij de Hoge Raad, 27 oktober 2026
ECLI:NL:PHR:2026:1037 · Parket bij de Hoge Raad · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-1037
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/02525
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:1037
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Middel 1 klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van witwassen ten aanzien van twee geldbedragen en faalt. Middel 2 klaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van een geldtelmachine en een notitie en de onttrekking aan het verkeer van een jammer, een cryptotelefoon en ketamine. Dit middel slaagt. Middel 3 klaagt terecht over overschrijding van de redelijke inzendtermijn in cassatie. Ook is de redelijke termijn in cassatie ambtshalve overschreden. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging, terugwijzing voor een nieuwe behandeling van de beslissingen over de inbeslaggenomen voorwerpen en vermindering van de opgelegde straf.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02525
Zitting 27 oktober 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 20 juni 2024 (parketnr. 22-003313-22) door het gerechtshof Den Haag wegens "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtachtig uren (subsidiair negentig dagen hechtenis) en een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Verder is een geldbedrag van € 120.000, een geldtelmachine en een notitie ‘recept base-cocaïne’ verbeurdverklaard. Daarnaast zijn een jammer, een cryptotelefoon en ketamine onttrokken aan het verkeer.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Middel 1 stelt de bewijsmotivering aan de orde. Middel 2 gaat over de bijkomende straf en maatregel. Middel 3 gaat over de redelijke inzendtermijn in cassatie.
De zaak
3. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat
“hij, omstreeks 8 april 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
hierin bestaande dat hij, verdachte en zijn mededader,
• een contant geldbedrag van in totaal 101.250 euro
• een contant geldbedrag van in totaal 24.500,-- euro
voorhanden hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader, wist dat de hiervoor genoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
4. De bewijsmotivering wijst het volgende uit. De surveillerende politieagenten vertrouwden het niet toen zij op 8 april 2021 zagen dat twee bestuurders van twee personenauto’s, waaronder een Audi A6, met elkaar aan het praten waren op een parkeerterrein in [plaats] . Beide mannen, onder wie de verdachte, hadden bovendien in het informatiesysteem van de politie Opiumwetgerelateerde registraties. De Audi A6 van de verdachte is doorzocht. Hierbij werd een Jumbo-tas met € 245.000 aan contanten aangetroffen. De politie is daarna naar de woning (een woonboot) van de verdachte gegaan. Daar werd gezien dat een vrouw, naar bleek [betrokkene 1] , de partner van de verdachte (de medeverdachte), de woonboot verliet in het bezit van twee tassen, die zij in een auto (een Skoda) zette waarmee zij wegreed. Bij de politiecontrole die hierop volgde werden de twee tassen doorzocht. Daarin bevond zich een geldbedrag van in totaal € 586.200, waarvan € 226.250 in een Jumbo-tas en de rest in een stoffen tas (strandtas). Bovendien werd in de bruinleren handtas van de medeverdachte € 24.500 aangetroffen. Niet ter discussie staat dat de verdachte en de medeverdachte deze contante geldbedragen gezamenlijk voorhanden hadden. In debat is de herkomst ervan.
5. Ik geef een overzicht van de vindplaatsen van deze hoeveelheden contant geld van in totaal € 855.700 en van wat de verdachte volgens het arrest over de herkomst ervan heeft verklaard. Alleen van de vetgedrukte geldbedragen acht het hof het witwassen bewezen.
|
vindplaats |
bedrag in euro’s |
verklaring verdachte |
|
|
Jumbo-tas in Audi A6 |
245.000 |
“in bewaring voor [betrokkene 2]” |
|
|
Jumbo-tas in Skoda |
226.250 |
125.000 |
“pokerwinsten” |
|
101.250 |
“in bewaring voor [betrokkene 2]” |
||
|
Stoffen tas in Skoda |
359.950 |
“in bewaring voor [betrokkene 2]” |
|
|
Bruinleren handtas |
24.500 |
“gewonnen met blackjack” |
Het eerste middel
6. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van witwassen van de bedragen van € 101.250 en € 24.500 ontoereikend is gemotiveerd. Volgens de steller van het middel volgt uit de bewijsvoering niet dat deze bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
7. Ten aanzien van het bedrag van € 101.250 voert de steller van het middel aan dat het hof slechts heeft vastgesteld dat de verdachte dit bedrag in bewaring had. Voor wat het bedrag van € 24.500 wordt opgekomen tegen het oordeel dat de door de verdachte gestelde casinowinst geen voldoende concrete en verifieerbare verklaring vormde, zodat nader onderzoek door het Openbaar Ministerie niet was aangewezen.
Het beoordelingskader: het ‘stappenplan’ en de (indirecte) bewijsvoering van witwassen
8. Het stappenplan is een door de Hoge Raad omarmd redeneerstramien waarmee de rechter het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp − indirect − uit de feiten en omstandigheden van het geval afleidt en waarbij de rechter in aanmerking neemt of de verdachte voor de herkomst van het voorwerp wél of géén plausibele en verifieerbare verklaring heeft gegeven die − indien waarheidsgetrouw − met een bewezenverklaring van witwassen onverenigbaar is. Ik teken hierbij aan dat de Hoge Raad zich met zijn rechtspraak over het stappenplan in betrekkelijk vergaande mate bezighoudt met de inhoud van de bewijsmotivering van de rechter die over de feiten gaat, namelijk verdergaand dan uitsluitend de toets van de (on)begrijpelijkheid ervan. Deze ‘bemoeienis’ is verklaarbaar doordat de Hoge Raad zich geroepen acht om voorschriften te geven die strekken tot het waarborgen van het nemo-teneturbeginsel en de onschuldpresumptie, zulks met inbegrip van het zwijgrecht en de bewijslasttoedeling in strafzaken die uit deze beginselen voortvloeien.
9. In het stramien van het stappenplan wordt van het Openbaar Ministerie in aanvang gevergd dat het de feiten en omstandigheden aandraagt die een vermoeden rechtvaardigen (dat het niet anders kan zijn dan) dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Niet eerder dan nadat aan deze voorwaarde is voldaan, mag de rechter van de verdachte verlangen dat hij voor de herkomst van het voorwerp een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft die het witwasvermoeden ontkracht. Als hij een dergelijke verklaring geeft, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie onderzoek te doen naar de aan die verklaring ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, waarna de rechter mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet beoordelen of (ondanks de verklaring van de verdachte) de criminele herkomst van het voorwerp op grond van de (dubieuze) omstandigheden van het geval bewezen kan worden verklaard. Als een dergelijke verklaring van de verdachte uitblijft, dan mag de rechter dit bij zijn weging en waardering van de omstandigheden van het geval in zijn bewijsoverwegingen betrekken.
De bespreking van het eerste middel
Het geldbedrag van € 101.250
10. Het hof heeft ten aanzien van dit geldbedrag het volgende overwogen (arrest, p. 5):
“Omtrent het bedrag ad € 101.250,00, heeft de verdachte verklaard dit in bewaring voor [betrokkene 2] te hebben gehad en dat hij er vanuit ging dat het legaal was. [betrokkene 2] heeft hierover niet verklaard. De verklaring van de verdachte hieromtrent voldoet naar het oordeel van het hof niet aan de eis van een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring, zodat het Openbaar Ministerie niet gehouden was nader onderzoek te verrichten naar de stelling van de verdachte dat de gelden een legale herkomst hadden. De verklaring biedt geen reëel tegenwicht aan het vermoeden van witwassen.”
11. Uit de stukken blijkt dat de verdachte in een schriftelijke verklaring d.d. 23 mei 2024 hierover het volgende heeft verklaard:
“Een bedrag van € 101.250,- had ik in bewaring.”
12. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juni 2024 dat de raadsman van de verdachte hierover het volgende heeft medegedeeld:
“Met betrekking tot het bedrag ad € 101.250,00 heeft mijn cliënt verklaard dit bedrag in bewaring voor voornoemde [betrokkene 2] te hebben gehad en dat hij er vanuit ging dat het legaal was. Ik meen dat hiermee voldaan is aan de stappen 3 en 4 van het 6-stappenplan aangaande witwassen. Het ligt vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van de voorwerpen. Bovendien heeft het verhoor van [betrokkene 2] eerder plaatsgevonden dan het laatste verhoor van mijn cliënt. Dat [betrokkene 2] niet erkent dat het bedrag niet [bedoeld wordt: wél, D.A.] van hem is, zegt mijns inziens dus niet alles. Gelet op de verklaring van mijn cliënt, kan niet worden uitgesloten dat het bedrag van legale herkomst is en toebehoort aan [betrokkene 2] .”
13. Tegen deze achtergrond heeft het hof de verklaring van de verdachte ten aanzien van het bedrag van € 101.250 niet als een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring aangemerkt.
14. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft niet meer verklaard dan dat hij het bedrag “in bewaring” had voor [betrokkene 2] en dat hij er kennelijk van uitging dat het legaal was. Uit deze verklaring blijkt niet van de omstandigheden waaronder de verdachte het geld van [betrokkene 2] onder zich heeft gekregen, evenmin waarom hij het geld voor [betrokkene 2] bewaarde, hoe en wanneer dit is geschied, of waarop zijn veronderstelling dat het geld legaal was, was gebaseerd. De verklaring bevat daarmee onvoldoende concrete aanknopingspunten voor onderzoek naar een legale herkomst van het geld.
15. Dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, [betrokkene 2] reeds eerder door de politie was gehoord, maakt dit niet anders. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat [betrokkene 2] niet heeft verklaard dat het bedrag van € 101.250 aan hem toebehoorde. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] eerder is verhoord dan het laatste verhoor van de verdachte, brengt daarom niet mee dat de verklaring van de verdachte reeds daardoor als concreet en verifieerbaar moet worden aangemerkt. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk van belang geacht dat voor de gestelde betrokkenheid van [betrokkene 2] bij het geldbedrag geen steun in diens verklaring was te vinden.
16. Ook voor het overige is de motivering van het hof toereikend. Het hof heeft de verklaring van de verdachte uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrokken en gemotiveerd waarom deze verklaring naar zijn oordeel geen reëel tegenwicht bood aan het vermoeden van witwassen. In aanmerking genomen dat de verdachte slechts een zeer summiere verklaring heeft gegeven en daarin geen concrete, voor nader onderzoek vatbare feiten of omstandigheden heeft genoemd, was het hof niet gehouden het Openbaar Ministerie tot nader onderzoek naar die verklaring te verplichten.
17. Het middel faalt in zoverre.
Het geldbedrag van € 24.500
18. Het hof heeft ten aanzien van dit geldbedrag het volgende overwogen (arrest, p. 5):
“De verdachte heeft in eerst in zijn schriftelijke verklaring verklaard dat hij en zijn partner [betrokkene 1] € 24.000,00 hebben gewonnen met black jack in Holland Casino. Het voorgaande vindt geen ondersteuning in de verklaring van [betrokkene 1] die geen melding maakt van het aldus daar gewonnen bedrag.”
19. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 6 juni 2024 heeft de raadsman van de verdachte het volgende hieromtrent naar voren gebracht:
“Voorts heeft mijn cliënt verklaard dat hij en zijn partner [betrokkene 1] € 24.000,00 hebben gewonnen met black jack in Holland Casino. Dat dit bedrag met pokeren is gewonnen en dus niet afkomstig is van witwassen, kan niet worden uitgesloten.”
20. Ten aanzien van het bedrag van € 24.500 heeft het hof overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat hij en zijn partner (de medeverdachte) dit bedrag met blackjack in Holland Casino hadden gewonnen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze verklaring geen ondersteuning vindt in de verklaring van de medeverdachte, die geen melding maakt van het aldus gewonnen bedrag (dat zich nota bene in haar handtas bevond).
21. Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, brengt het enkele feit dat de verdachte een mogelijke legale herkomst van het geld noemt nog niet mee dat het Openbaar Ministerie gehouden is nader onderzoek naar die verklaring te verrichten. Daarvoor is vereist dat de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het voorwerp geeft.
22. Het hof heeft de verklaring van de verdachte omtrent de gestelde casinowinst kennelijk niet als een zodanige verklaring aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft het hof in aanmerking kunnen nemen dat de verdachte zijn verklaring niet met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat de medeverdachte, met wie hij de winst volgens zijn verklaring zou hebben behaald, geen melding heeft gemaakt van een dergelijke casinowinst. Het hof kon deze omstandigheden betrekken bij zijn oordeel dat de verklaring van de verdachte geen reëel tegenwicht bood aan het vermoeden van witwassen.
23. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.
Het tweede middel
24. Het tweede middel komt op tegen de verbeurdverklaring van de geldtelmachine en de notitie ‘recept base-cocaïne’, alsmede tegen de onttrekking aan het verkeer van de jammer, de cryptotelefoon en de ketamine en valt uiteen in een aantal deelklachten.
De geldtelmachine en de notitie ‘recept base-cocaïne’; verbeurdverklaring
25. Allereerst wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verbeurdverklaarde geldtelmachine en de notitie ‘recept base-cocaïne’ een juridisch relevante relatie hebben met de bewezen verklaarde feiten. Met name ontbreekt volgens de steller van het middel een vaststelling dat de geldtelmachine is gebruikt bij het bewezen verklaarde voorhanden hebben van de € 24.500 en € 101.250.
26. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien hiervan als volgt overwogen:
“Tevens zal het hof de verbeurdverklaring van de geldtelmachine en de notitie 'recept base-cocaïne' gelasten, nu dit voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.”
Het beoordelingskader: de verbeurdverklaring in deze zaak
27. Uit deze overweging volgt dat het hof de verbeurdverklaring heeft gegrond op artikel 33a lid 1, onder c, Sr. Indien de rechter een voorwerp verbeurdverklaart, dient uit zijn uitspraak te blijken dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor verbeurdverklaring. Daarbij moet duidelijk zijn op welke in artikel 33a lid 1 Sr genoemde grond of gronden het voorwerp voor verbeurdverklaring vatbaar is. Het oordeel van de rechter over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring behoeft daarbij niet te worden gestaafd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Voldoende, maar noodzakelijk, is dat dat oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Onder ‘het strafbare feit’ en ‘het feit’ in artikel 33a lid 1 Sr moet telkens het bewezen verklaarde feit worden verstaan.
De bespreking van het middel voor zover dat betrekking heeft op de verbeurdverklaring
28. Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, bestaande uit het voorhanden hebben van twee geldbedragen. Tegen die achtergrond is niet zonder meer begrijpelijk op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat de geldtelmachine een voorwerp is met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft niet vastgesteld dat de geldtelmachine is gebruikt bij het voorhanden hebben van de in de bewezenverklaring genoemde geldbedragen. Evenmin blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting dat van een dergelijke omstandigheid is gebleken. Het middel klaagt hierover terecht.
29. Hetzelfde geldt voor de notitie ‘recept base-cocaïne’. Het hof heeft niet vastgesteld op welke wijze deze notitie is gebruikt bij het bewezen verklaarde witwassen. Ook overigens blijkt niet van een gegeven dat een voldoende verband legt tussen deze notitie en het bewezen verklaarde feit. De enkele aanduiding van het voorwerp als een notitie ‘recept base-cocaïne’ maakt nog niet begrijpelijk dat het een voorwerp betreft met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan. Het middel klaagt ook hierover terecht.
De jammer, cryptotelefoon en ketamine; onttrekking aan het verkeer
30. Het middel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de jammer, de cryptotelefoon en de ketamine. Het hof heeft niet vermeld op welke wettelijke grondslag deze beslissing berust.
Het beoordelingskader: de onttrekking aan het verkeer in deze zaak
31. De onttrekking aan het verkeer kan in dit geval berusten op artikel 36c Sr dan wel artikel 36d Sr. Laatstgenoemde bepaling ziet, anders dan artikel 36c Sr, op voorwerpen die niet noodzakelijkerwijs in verband staan met het bewezen verklaarde feit, maar die kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
32. Op grond van artikel 36d Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit of het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen en die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Bovendien is voor toepassing van artikel 36d Sr vereist dat deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Onder ‘soortgelijke feiten’ in de zin van artikel 36d Sr moeten worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht. Bij de beantwoording van de vraag of feiten tot dezelfde categorie behoren, is het belang dat de wetgever door de strafbaarstelling van die feiten heeft willen beschermen van betekenis.
De bespreking van het middel voor zover dat betrekking heeft op de onttrekking aan het verkeer
33. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de aan het verkeer onttrokken voorwerpen het volgende overwogen:
“De inbeslaggenomen jammer, de crypto telefoon en de ketamine zullen aan het verkeer worden onttrokken. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.”
34. Indien de beslissing van het hof is gegrond op artikel 36d Sr, is deze ontoereikend gemotiveerd. Uit de bestreden uitspraak blijkt niet dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren. Evenmin blijkt daaruit dat en op welke wijze de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. De verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. Het hof heeft niet uiteengezet welke soortgelijke feiten het daarbij voor ogen heeft gehad en op grond waarvan deze feiten tot dezelfde categorie behoren als het bewezen verklaarde.
35. Indien de beslissing van het hof daarentegen berust op artikel 36c Sr, is zij evenmin toereikend gemotiveerd. Het hof heeft in dat geval immers geen verband vastgesteld tussen enerzijds de jammer, de cryptotelefoon en de ketamine en anderzijds het bewezen verklaarde.
36. Het middel slaagt in alle onderdelen.
Het derde middel
37. Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
38. Namens de verdachte is op 4 juli 2024 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 juli 2025 door de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. De vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier maanden kan niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak worden gecompenseerd.
39. Het middel slaagt.
Slotsom
40. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede en derde middel slagen.
41. Ambtshalve merk ik op dat – naast hetgeen ik onder 38 heb opgemerkt – de Hoge Raad niet binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld arrest zal wijzen. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is dus ook in dat opzicht in de cassatiefase overschreden. Dit dient tot vermindering van de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf te leiden. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
42. Deze conclusie strekt tot (1) vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot verbeurdverklaring van de geldtelmachine en de notitie ‘recept base-cocaïne’, het bevel tot onttrekking aan het verkeer van een jammer, een cryptotelefoon en ketamine en de hoogte van de opgelegde straf, tot (2) terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak wat betreft de in beslag genomen voorwerpen opnieuw wordt berecht en afgedaan, tot (3) vermindering van de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf en (4) tot verwerping voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG