Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2026:803 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-803
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/04325
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:803
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04325
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 14 november 2024 (parketnummer 22-003053-22) door het gerechtshof Den Haag wegens "schuldwitwassen", veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren te vervangen door 75 dagen hechtenis. Het hof heeft tevens een in beslag genomen geldbedrag van € 93.270 verbeurdverklaard.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat enkele motiveringsklachten over de bewijsvoering. De eerste klacht is gericht tegen twee onderdelen van de bewijsvoering. Aangevoerd wordt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid (i) dat de verdachte de werkelijke aard of de herkomst van een geldbedrag heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbende was, en dat daaruit ook niet kan worden afgeleid (ii) dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf. De tweede klacht houdt in dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdachte “geschetste scenario”. Welk scenario dat is, duidt de steller van het middel niet uitdrukkelijk aan (maar ik heb wel een vermoeden).
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 26 oktober 2018 tot en met 1 december 2018, in Nederland, een te weten een geldbedrag (van in totaal circa € 93.270) de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verhuld en/of heeft verhuld wie de rechthebbende was terwijl hij verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf”.
5. De bewijsvoering berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een aanvangsproces-verbaal d.d. 8 juli 2019 van de Belastingdienst/FIOD met documentcode AMB-001, deel uitmakend van het doorgenummerde zaaksdossier […] , […] . Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz.20- 26):
Op 8 november 2018 vond, door het Ad-Hoc team van de FIOD, een doorzoeking plaats bij een onderneming gevestigd te [plaats] . Ten tijde van de doorzoeking is een tas met € 93.270 aan contant geld aangetroffen. Vervolgens is het geld in beslag genomen. De tijdens de doorzoeking aangetroffen en inbeslaggenomen € 93.270 bestond uit de volgende coupures:
€ 500 biljetten x 22
€ 200 biljetten x 8
€ 100 biljetten x 97
€ 50 biljetten x 1.226
€ 20 biljetten x 425
€ 10 biljetten x 116.
€ 5 biljetten x 10
Op 13 november 2018 reageerde [raadsman] , middels een brief, namens [verdachte] . In deze brief stelde de raadsman dat zijn cliënt [verdachte] de rechthebbende was van het aangetroffen geldbedrag en dat zijn cliënt het geld terug wilde hebben.
Op 23 november 2018 werd van de raadsman van [verdachte] een leenovereenkomst d.d. 26-10-2018 ontvangen, waarin staat dat zijn cliënt een geldbedrag van € 130.000 heeft geleend van [A] B.V.
Uit het Belastingdienst systeem ABS blijkt dat [A] B.V. nog geen aangifte vennootschapsbelasting over 2017 heeft ingediend. In de aangifte vennootschapsbelasting 2016 staat bij de omschrijving van de activiteiten van [A] B.V.: lege vennootschap" Verder is te zien dat [A] B.V. niet beschikte over liquide middelen.
Daarnaast blijkt uit de- aangifte dat [A] B. V. geen omzet en ook geen winst had in die periode. Uit het systeem Beheer van Relaties blijkt dat [A] B.V. niet omzetbelastingplichtig was.
Uit het Belastingdienst systeem Registratie Bank Gegevens blijkt dat [A] B.V. niet een bankrekening bezit.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 maart 2020 van het doorgenummerde zaaksdossier met nummer […] , […] , inhoudende als relaas van de verbalisant (blz.27- 29):
Er zijn vijf bankrekeningen van verdachte [verdachte] gevorderd en onderzocht. Op de bankrekeningen zijn geen overboekingen te zien tussen verdachte [verdachte] en [A] B.V. Zowel de overboeking van de lening als aflossingen of rentebetalingen zijn niet terug te zien.
3. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2024 verklaard - zakelijk weergegeven-:
Ik ben betrokken geraakt omdat er geld was aangetroffen bij een inval. Ik was daar na die inval, en toen heeft hij (het hof begrijpt: de persoon, onder wie het geld in beslag was genomen) gezegd dat mijn papieren samen met dat geld in die tas zaten. Ik moest voor dat geld vechten, anders zou ik veel problemen krijgen.
Ik moest doen alsof het mijn geld was en er voor vechten anders zou ik problemen krijgen. Ik heb het geld nooit in handen gehad of gezien.”
6. Voor de bewijsvoering is ook relevant wat de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting hebben aangevoerd (en wat in cassatie wordt omschreven als ‘een scenario’). De overwegingen die het hof daaraan in zijn arrest heeft gewijd onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’ houden in:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij niet de rechthebbende van het onder een andere verdachte in beslag genomen geldbedrag is. Hij heeft voorts verklaard dat toen de verdachte na de inval waarbij het geld in beslag was genomen, bij de beslagene op kantoor was, de beslagene tegen de verdachte heeft gezegd dat het geld in een tas op kantoor had gezeten en dat hij -verdachte- moest zeggen dat het bedrag van hem was. Tevens zou hem zijn opgedragen mee te werken aan pogingen om het geld via een procedure terug te krijgen. De procedure werd op verzoek van de beslagene door een advocaat geregeld. Van de leenovereenkomst, die ten grondslag zou hebben gelegen aan de verkrijging - door de verdachte - van het geldbedrag, wist hij niets. Die leenovereenkomst is door of namens de beslagene in het dossier ingebracht.
De verdachte heeft voorts verklaard dat hij hieraan wel moest meewerken omdat hij van de zijde van de beslagene werd bedreigd. Zo is er tot tweemaal toe een steen door het raam van zijn woning gegooid. Ook is er geschoten op een auto die op zijn naam stond. De verdachte heeft deze acties als bedreiging gezien en ervaren.
Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte betoogd dat genoemde omstandigheden (de bedreigingen) psychische overmacht opleveren en de verdachte niet strafbaar zou zijn.
Het hof stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waartegen de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. De door de verdachte gestelde omstandigheden die ten 1 grondslag worden gelegd aan het beroep op psychische overmacht zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Zo vindt zijn eerst op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring over de tegen hem gerichte bedreigingen als het ingooien van ruiten en schieten op een auto geen enkele steun in het dossier.
Het verweer wordt verworpen.”
De bespreking van het middel
7. Voor de inhoudelijke bespreking van de klachten is het goed eerst vast te stellen dat het hof voor de bewijsvoering in de voorliggende zaak geen gebruik heeft gemaakt van het zogenoemde ‘stappenplan’ voor de bewijsmotivering van witwassen in gevallen waarin geen rechtstreeks bewijs bestaat voor de criminele herkomst van het voorwerp. Toch geef ik het stappenplan weer omdat de rechtbank het stappenplan wel uitdrukkelijk heeft gevolgd en omdat ik aan de hand daarvan duidelijk kan maken waarom het hof een andere bewijsredenering heeft gebruikt (en mocht gebruiken).
Het stappenplan en de bewijsvoering van witwassen
8. Het stappenplan is een door de Hoge Raad omarmd redeneerstramien waarmee de rechter het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp - indirect - uit de feiten en omstandigheden van het geval afleidt en waarbij de rechter in aanmerking neemt of de verdachte voor de herkomst van het voorwerp wél of géén plausibele en verifieerbare verklaring heeft gegeven die - indien waarheidsgetrouw - met een bewezenverklaring van witwassen onverenigbaar is. Ik teken hierbij aan dat de Hoge Raad zich met zijn rechtspraak over het stappenplan in betrekkelijk vergaande mate bezighoudt met de inhoud van de bewijsmotivering van de rechter die over de feiten gaat, namelijk verdergaand dan uitsluitend de toets van de (on)begrijpelijkheid ervan. Deze ‘bemoeienis’ is verklaarbaar doordat de Hoge Raad zich geroepen acht om voorschriften te geven die strekken tot het waarborgen van de onschuldpresumptie en het nemo-teneturbeginsel, zulks met inbegrip van het zwijgrecht en de bewijslasttoedeling in strafzaken die uit deze beginselen voortvloeien.
9. In het stramien van het stappenplan wordt van het Openbaar Ministerie in aanvang gevergd dat het de feiten en omstandigheden aandraagt die een vermoeden rechtvaardigen (dat het niet anders kan zijn dan) dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Niet eerder dan nadat aan deze voorwaarde is voldaan, mag de rechter van de verdachte verlangen dat hij voor de herkomst van het voorwerp een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft die het witwasvermoeden ontkracht. Als hij een dergelijke verklaring geeft, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie onderzoek te doen naar de aan die verklaring ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, waarna de rechter mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet beoordelen of (ondanks de verklaring van de verdachte) de criminele herkomst van het voorwerp op grond van de (dubieuze) omstandigheden van het geval bewezen kan worden verklaard. Als een dergelijke verklaring van de verdachte uitblijft, dan mag de rechter dit bij zijn weging en waardering van de omstandigheden van het geval in zijn bewijsoverwegingen betrekken.
Het stappenplan in het vonnis van de rechtbank en de verklaring van de verdachte
10. Voor de beoordeling van de klachten is van belang op te merken dat de verdachte zich in hoger beroep met betrekking tot het geldbedrag anders heeft opgesteld dan in eerste aanleg. Ter terechtzitting van de politierechter van 25 oktober 2022 had de verdachte namelijk de in het stappenplan bedoelde bevrijdende verklaring voor de herkomst van het geldbedrag gegeven. Deze verklaring komt erop neer dat het geld deel uitmaakt van een door [A] B.V. aan de verdachte verstrekte geldlening voor een bedrag van € 130.000. Het door de verdachte geleende geld was naar zijn zeggen bedoeld voor het opstarten van een eigen bedrijf.
11. Naar het oordeel van de politierechter was het door de verdediging geschetste scenario “onaannemelijk”. Ik geef de daarop volgende overweging weer omdat een deel daarvan terugkomt in de overweging van het hof met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte, wat ik reken tot de bewijsvoering van het hof:
“[A] B.V. staat geregistreerd als een ‘lege’ vennootschap zonder activiteiten en beschikt niet over de liquide middelen om een geldbedrag van € 130.000,00 uit te lenen. Anderzijds beschikt ook de verdachte niet over de middelen om een dergelijke lening terug te betalen. Uit onderzoek naar de rekeningen van de verdachte blijkt ook dat zowel een overboeking van een lening als aflossingen en rentebetalingen niet hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en [A] B.V. Voorts is de leningsovereenkomst niet ondertekend door de bestuurder van de B.V., maar door een persoon die niet bevoegd was, namelijk [betrokkene] .
De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is daarmee onvoldoende concreet en verifieerbaar om van het openbaar ministerie te verlangen dat er onderzoek naar wordt gedaan. Het vermoeden van witwassen wordt door deze verklaring niet weerlegd.”
12. In hoger beroep heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof van 31 oktober 2024 naar voren gebracht dat de in eerste aanleg gegeven verklaring onjuist is, dat hij niet de rechthebbende op het geldbedrag is en dat hij door de daadwerkelijk rechthebbende op het geldbedrag onder druk is gezet om te verklaren dat hij, de verdachte, de rechthebbende is. De door de advocaat afgelegde verklaring over de verdachte als rechthebbende is buiten de verdachte om afgelegd, terwijl de verdachte ook geen weet had van de leenovereenkomst die door de advocaat is overgelegd, aldus de verdachte. Deze toedracht is kennelijk het ‘scenario’ waarop het hof niet zou hebben gereageerd.
De klacht over de bewijsvoering van de herkomst van het geld
13. De klacht over de bewijsvoering van de herkomst van het geld heeft zowel betrekking op (kort gezegd) de criminele herkomst van het geld als op wat de verdachte daarvan redelijkerwijs moest vermoeden. Aangevoerd wordt in het bijzonder dat de bewijsmiddelen niets inhouden over de werkelijke aard of herkomst van het geldbedrag en niet bevestigen dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. De bewijsmiddelen bevestigen slechts, aldus de steller van het middel, de verklaring die de verdachte heeft gegeven.
14. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat op 8 november 2018 bij de doorzoeking van een onderneming in een tas een geldbedrag van € 93.270 is aangetroffen en in beslag genomen. Het geldbedrag bestond uit uiteenlopende coupures waaronder 22 van € 500. De verdachte heeft zich daarna voorgedaan als rechthebbende op dit geld door zich op 13 november 2018 via zijn [raadsman] te melden, en door vervolgens op 23 november 2018 door diezelfde raadsman een leenovereenkomst te laten overleggen waaruit zou moeten blijken dat de verdachte dat geld heeft geleend van [A] B.V. Uit de bewijsmiddelen blijkt ook dat het geld niet van de verdachte was maar dat hij moest “doen alsof” het zijn geld was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit in strijd is met de waarheid en dat de verdachte op verzoek van de persoon onder wie het geld in beslag was genomen heeft ‘gedaan alsof’ hij de rechthebbende op het geldbedrag was en heeft ‘gedaan alsof’ hij een leenovereenkomst had gesloten met [A] B.V.
15. Het hof heeft in zijn bewijsmotivering - anders dan de politierechter - geen toepassing gegeven aan het stappenplan. Gelet op de gewijzigde proceshouding van de verdachte, is dat aanvaardbaar en niet onbegrijpelijk. Het hof gaat immers niet voorbij aan een door de verdachte gegeven ‘bevrijdende’ verklaring voor de herkomst van het geldbedrag. Het hof gelooft de verdachte nou juist (voor een belangrijk deel) op zijn woord. Het hof werpt de verdachte dan ook niet tegen dat hij geen verklaring heeft gegeven die het witwassenvermoeden ontzenuwt. Sterker nog, het bewijsoordeel wordt deels afgeleid uit de lezing die de verdachte heeft gegeven.
16. Doordat de verdachte welbewust heeft meegewerkt aan het verhullen van de werkelijke aard en herkomst van het geld en van de rechthebbende daarvan, kon het hof afleiden dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat het verhulde het daglicht niet kon verdragen en dat het grote bedrag aan contanten geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf (welk misdrijf dan ook).
De klacht over het niet reageren op het door de verdachte geschetste scenario
17. De klacht dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdachte “geschetste scenario” mist feitelijke grondslag. Het hof is wel degelijk op dit ‘scenario’ ingegaan (zie het citaat onder randnummer 6 hierboven).
Slotsom
18. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG