Strafrecht overig
Conclusie AG. Klacht over oordeel hof dat de verdachte n-o is in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep (door…
Parket bij de Hoge Raad, 3 februari 2026
ECLI:NL:PHR:2026:133 · Parket bij de Hoge Raad · 3 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-133
Zaakgegevens
Op 3 februari 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 februari 2026
- Datum publicatie
- 30 januari 2026
- Zaaknummer
- 23/04882
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:133
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Klacht over oordeel hof dat de verdachte n-o is in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep (door een Belgische advocaat) niet overeenkomstig het bepaalde in art. 450 lid 1 Sv is ingesteld. Ambtshalve opmerking over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep i.v.m. de vraag of cassatieberoep tijdig is ingesteld. Ex art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv had het cassatieberoep binnen veertien dagen na de einduitspraak moeten worden ingesteld. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 augustus 2022
ECLI:NL:GHSHE:2022:2843Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 3 februari 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:133
Hoge Raad · 14 april 2026
ECLI:NL:HR:2026:598
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04882
Zitting 3 februari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 augustus 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001300-21) niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 3 mei 2021, waarbij hij wegens 1. “opzettelijk gebruik maken van een vals identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht” en 2. “opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het hoger beroep – door een Belgische advocaat – niet overeenkomstig het bepaalde in art. 450 lid 1 Sv is ingesteld.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Het hof 's-Hertogenbosch heeft in de onderhavige zaak einduitspraak gedaan op 10 augustus 2022. Namens de verdachte is op 13 december 2023 – dus meer dan veertien dagen na de einduitspraak – cassatieberoep ingesteld. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep (ex art. 432 Sv) zijn de volgende omstandigheden van belang:
(i) De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2022 is niet in persoon aan de verdachte betekend.
(ii) Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2022 is de verdachte aldaar niet verschenen. Het proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van belang, in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1991,
wonende te [postcode] [plaats] , [a-straat 1] ,
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.
Namens de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. E. van Gerven, advocaat te Lochristi, België.
Mr. Van Gerven deelt mede dat de dagvaarding de verdachte in goede orde heeft bereikt.”
Uit de stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend en dat de verdachte niet aanwezig was op de zitting van 27 juli 2022. Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv).
Ik meen dat de mededeling van de raadsman van de verdachte in dit geval als zo’n omstandigheid kan gelden. Op grond van het dossier bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de mededeling van deze raadsman, die namens hem aanwezig was op de zitting, te twijfelen. Aangenomen mag dus worden dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van de aan hem verzonden dagvaarding, waarin de datum en het tijdstip van de terechtzitting in hoger beroep staan vermeld, zodat sprake is van een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep. Dat is in de cassatieschriftuur ook niet bestreden.
Overeenkomstig art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv had in het onderhavige geval binnen veertien dagen na de einduitspraak beroep in cassatie moeten worden ingesteld. Deze termijn is ruim overschreden, nu het cassatieberoep een jaar en ongeveer vier maanden na de einduitspraak is ingesteld.
3 Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G