Strafrecht overig

Conclusie AG. Onderzoek Kievit. O.a. medeplegen verkoop en verlengde uitvoer drugs en voorhanden hebben…

Zaakgegevens

Op 19 mei 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 mei 2026
Datum publicatie
7 mei 2026
Zaaknummer
25/01288
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:464
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Onderzoek Kievit. O.a. medeplegen verkoop en verlengde uitvoer drugs en voorhanden hebben pepperspray en pistool. Middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. de strafmaat. De AG concludeert dat het middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 maart 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:872
  2. Conclusie A-G · 19 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:464

  3. Hoge Raad · 14 juli 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1207

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01288

Zitting 19 mei 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

2. De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001812-21) wegens

- het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder 2 bewezen verklaarde feit: “eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”,

- het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder 3 bewezen verklaarde feit: “eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”,

- het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder 5 bewezen verklaarde feit: “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,

- het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder 6 bewezen verklaarde feit: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en

- het in de zaak met parketnummer 03-702645-17 onder 1 bewezen verklaarde feit “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van het voorarrest.

2.1

Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01299, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend, vandaag ook concluderen.

2.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

3 Het middel

3.1

Het middel behelst – bezien in samenhang met de toelichting – de klacht dat de strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed en het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de strafoplegging.

Het oordeel van het hof

3.2

Met betrekking tot de op te leggen straf heeft het hof het volgende overwogen:

“Op te leggen straf

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij heeft de advocaat-generaal rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een forse taakstraf. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de feiten en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan en het feit dat de verdachte voor de onderhavige feiten kan worden aangemerkt als first offender. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop en verlengde uitvoer naar België van 3 kilogram amfetamine en 1 kilogram hennep. Daarnaast heeft de verdachte in zijn woning diverse hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welk circuit een ontwrichtende werking heeft op de samenleving. Het is algemeen bekend dat de handel in hard- en softdrugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit, gevaar voor de omgeving en milieuschade. Bovendien gaat er van drugshandel een ondermijnend en corrumperend effect uit. Het gebruik van drugs heeft ook nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor de gebruikers. De verdachte heeft zich van de negatieve gevolgen van zijn handelen onvoldoende rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen, kennelijk met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.

Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van pepperspray en een pistool met een bijbehorend kogelpatroon. Het geladen pistool van de verdachte lag binnen handbereik onder zijn matras. Het ongeoorloofde bezit van wapens kan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen en een gevoel van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 oktober 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk voor strafbare feiten was veroordeeld, doch niet recent en niet voor soortgelijke feiten. De verdachte is aldus first offender voor de bewezenverklaarde feiten.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de inval door de politie en de beperkingen tijdens zijn voorarrest als erg moeilijk heeft ervaren. Hij heeft daarvoor psychische hulp gezocht. Omdat zijn vrouw grotendeels arbeidsongeschikt is verklaard, is de verdachte kostwinner voor het gezin. Hij is werkzaam als zzp’er, hetgeen steun vindt in de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken. Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten, hebben de persoonlijke omstandigheden van de verdachte maar beperkt meegewogen bij het bepalen van de strafmaat.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden.

Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeerde, moet de zaak telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Het hof stelt vast dat de verdachte op 27 mei 2015 in verzekering is gesteld en hij vervolgens gedurende de behandeling in eerste aanleg 185 dagen in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft vervolgens op 9 juli 2021 vonnis gewezen. Aldus is niet binnen zestien maanden na aanvang van de redelijke termijn vonnis gewezen en is de redelijke termijn in eerste aanleg met bijna 5 jaren overschreden. Voorts stelt het hof vast dat namens de verdachte op 23 juli 2021 hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof heden op 28 maart 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 20 maanden overschreden.

Het hof zal de overschrijdingen van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de gevangenisstraf zal matigen met 8 maanden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.”

Het verweer van de verdediging

3.3

Het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 13 januari en 30 januari 2025 houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

“De verdachte verklaart desgevraagd het volgende:

Het klopt dat ik de inval bij mij thuis en de beperkingen als erg moeilijk heb ervaren. Ik kon pas na 12 maanden terecht voor hulp, maar er werd tegen mij gezegd dat er niks aan de hand was. Mijn jongste zoon heeft er nog veel last van, maar hem konden ze niet helpen. Hij was net 10 jaar oud toen hij tijdens de inval door de politie lampjes op zijn borst had. Hij stond echt te shaken. In de Penitentiaire Inrichting heb ik wel hulp gehad en dat heeft geholpen. De beperkingen waren erg zwaar. Ik had er niets mee te maken. Ik heb een fout gemaakt en ik moet op de blaren zitten, maar gestraft worden voor iets wat je niet hebt gedaan is erg. Mijn fouten heb ik toegegeven. Nu probeer ik alles op de rit te houden. Mijn vrouw heeft in 2019 een ongeluk gehad, waarna zij niet meer kon werken. Ik probeer als zzp’er inkomen te krijgen om mijn rekeningen te betalen. Ik word wel eens ingehuurd voor verhuizingen en voor klusjes in huis. Tussendoor verkoop ik wel eens auto’s. Ik ben ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De stukken daarvan kan ik nog aan uw hof overleggen. Financieel red ik het wel. Ik vond het ook lastig dat ik de gemeente een periode niet uit mocht. Ik kon mijn zoon niet eens naar school brengen. De beperkingen waren op een gegeven moment bij iedereen opgeheven, behalve bij mij. Ik voelde mij het hardst gestraft van iedereen. In het dossier stond dat ik geen lid van de Bandidos was.

(…)

De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De raadsman van de verdachte refereert zich ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde aan het oordeel van het hof voor wat betreft 3 kilogram amfetamine en 1 kilogram hennep. De raadsman betwist de meer tenlastegelegde hoeveelheden amfetamine en hennep. Indien het hof evenwel van oordeel is dat de verdachte meer dan 3 kilogram amfetamine en 1 kilogram hennep heeft verkocht, verzoekt de raadsman – in de vorm van een voorwaardelijk verzoek – het hof [getuige] als getuige te horen. Daarnaast refereert de raadsman zich ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-702623-15 onder feit 5 en feit 6 tenlastegelegde, alsmede ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-702645-17 onder feit 1 tenlastegelegde, aan het oordeel van het hof. Daarnaast voert de raadsman een straftoemetingsverweer.

De voorzitter deelt mede dat zij ziet dat de verdachte geëmotioneerd is.

De verdachte verklaart het volgende:

Ik had niet verwacht dat het pleidooi mij zo zou raken.

(…)

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verklaart het volgende:

Mijn vrouw heeft een ongeluk gehad en heeft een whiplash gehad. Zij staat op met hoofdpijn en slikt veel slaapmedicatie. Ze werkt 2,5 dag per week. Zondagen heeft zij nodig om op kracht te komen. Ze wil wel graag onder de mensen zijn. Het valt haar zwaar dat zij bijna niet kan functioneren. Daarom ben ik kostwinner, ik moet zorgen dat de rekeningen betaald kunnen worden. Ik werk als zzp’er.”

3.4

De op de zitting van 30 januari 2025 voorgedragen pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt ten aanzien van de strafmaat in (met weglating van een voetnoot):

“Inmiddels is het bijna 10 jaar geleden dat de politie bij cliënt binnenviel en dat cliënt werd aangehouden. 10 jaar, dat is een ontzettend lange tijd, maar met name voor cliënt zijn het 10 lange jaren geweest. Nog elke dag zijn cliënt en zijn gezin onder de indruk van de politie-inval in 2015 en van alles wat daarna is gebeurd, waaronder de voorlopige hechtenis van cliënt. Tijdens de behandeling van de zaak door de rechtbank heeft cliënt uitgebreid toegelicht wat de gevolgen van een en ander voor hem en zijn gezin zijn geweest. Deze 9 pagina’s tellende handgeschreven verklaring is aan het proces verbaal van de terechtzitting van de rechtbank gehecht. Ik verwijs Uw hof daar graag naar.

Toen de voorlopige hechtenis van cliënt in 2015 na ruim 6 maanden werd geschorst, werd aan cliënt een fors pakket bijzondere voorwaarden opgelegd. Een tijd lang mocht cliënt het dorp waar hij woont niet eens uit, waardoor hij niet naar de winkel kon of – bijvoorbeeld – zijn zoon naar school kon brengen. Niettemin heeft cliënt zich tot en met het einde van de voorlopige hechtenis, aldus de reclassering in het ‘Afloopbericht toezicht’ van 30 januari 2017, keurig aan alle voorwaarden gehouden. Ook in het reclasseringsadvies van 18 augustus 2015 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling van de zaak werd een positief beeld van cliënt geschetst. Hoewel dit allemaal positief is, is het inmiddels 2025. In de tussentijd heeft het leven van cliënt niet stil gestaan.

Cliënt woont samen met zijn vrouw en zijn zoon in een koopwoning. Hoewel ten tijde van de aanhouding de vrouw van cliënt kostwinner was, zijn de rollen nu omgedraaid. De vrouw van cliënt is grotendeels arbeidsongeschikt en werkt maar twee halve dagen in de week. Cliënt heeft een eigen onderneming en werkt voltijd als zzp’er (zie bijlage). Voorheen werkte cliënt in loondienst (zie bijlage). Nu cliënt de kostwinner is in het gezin, is het van groot belang dat hij kan (blijven) werken.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit onmogelijk maken, met alle gevolgen van dien. Het gezin van cliënt is afhankelijk van het inkomen van cliënt. Zonder het inkomsten kunnen de vaste lasten niet meer worden voldaan, hetgeen tot onherstelbare gevolgen zou leiden zoals het verliezen van de woning.

Het moge duidelijk zijn dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die cliënt in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voor cliënt, bijna 10 jaar na dato, enorm nadelige gevolgen zal hebben, terwijl de vraag kan worden gesteld welke doelen na zoveel tijd nog nagestreefd worden met oplegging van een gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd.

De verdediging gaat in de onderhavige zaak uit van een bewezenverklaring van de volgende strafbare feiten:

1. De eendaadse samenloop van de verlengde uitvoer en verkoop van 3 kilogram amfetamine;

2. De eendaadse samenloop van de verlengde uitvoer en verkoop van 1 kilogram hennep;

3. De eendaadse samenloop van het bezit van een vuurwapen en bijbehorend kogelpatroon;

4. Het bezit van 4 gram en 23 pillen MDMA, 5 pillen amfetamine en 2 gram cocaïne;

5. Het bezit van pepperspray.

Voor de meeste van deze feiten heeft het LOVS oriëntatiepunten ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten gaan bij deze feiten als uitgangspunt uit van de volgende straffen:

1. 24-30 maanden gevangenisstraf bij uitvoer, 12 maanden gevangenisstraf bij verkoop;

2. Geen oriëntatiepunten, maar voor het aanwezig hebben geldt 100 uur taakstraf;

3. 4 maanden gevangenisstraf voor het vuurwapen (in de oriëntatiepunten die in 2015 golden was dit nog 3 maanden gevangenisstraf), € 150,00 geldboete voor de munitie (in de oriëntatiepunten die in 2015 golden was dit nog € 110,00 geldboete);

4. 80 uur taakstraf;

5. € 290,00 geldboete.

Wat meteen in het oog springt, is dat de oriëntatiepunten voor de verkochte amfetamine met afstand het hoogst zijn. Daarbij valt vooral op dat er een groot verschil zit in de oriëntatiepunten voor de uitvoer en voor de verkoop van de amfetamine. Wat de verdediging betreft dient aansluiting te worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor verkoop, en niet bij de oriëntatiepunten voor uitvoer. Ik zal dat toelichten.

Het concrete verwijt dat cliënt wordt gemaakt, is dat hij bij hem thuis amfetamine en hennep heeft geleverd aan iemand die er vervolgens mee naar België is gereden. Hoewel kan worden vastgesteld dat cliënt wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de drugs België als bestemming hadden, en de verdediging hier dus geen verweer op heeft gevoerd, stelt de verdediging zich op het standpunt dat deze vorm van verlengde uitvoer beduidend minder ernstig is dan het daadwerkelijk zelf of in georganiseerd verband uitvoeren van de drugs naar een land dat – bijvoorbeeld – niet een direct buurland is.

De vraag is waarom het zoveel ernstiger is dat cliënt de drugs heeft verkocht aan iemand die uit België komt dan wanneer cliënt de drugs zou hebben verkocht aan iemand uit de randstad of uit het noorden van het land, wat nog verder rijden is ook. Cliënt heeft de drugs simpelweg verkocht aan een bekende, die toevallig uit België komt. Cliënt verkocht de drugs niet bewust aan iemand uit een ander land zodat hij er bijvoorbeeld meer voor zou kunnen krijgen. Dat de koper uit België kwam, was voor cliënt van geen enkele toegevoegde waarde. In zoverre dient wat de verdediging betreft te worden uitgegaan van het oriëntatiepunt voor ‘verkoop’ en niet van het oriëntatiepunt voor ‘uitvoer’ van de drugs.

Uitgaande van het oriëntatiepunt voor de verkoop van 3 kilogram amfetamine en de overige oriëntatiepunten, voor zover aanwezig, kom je opgeteld – en alle straffen omgezet in een gevangenisstraf – uit op een gevangenisstraf van ongeveer 18 maanden. Dat is beduidend lager dan de straf die door de rechtbank is opgelegd. Deze straf is wat de verdediging betreft, met name gelet op het tijdsverloop, buitenproportioneel en dient geen enkel redelijk strafdoel.

Cliënt dient wat de onderhavige feiten betreft te worden aangemerkt als first offender. Verder merk ik – en ik kondigde het al aan – op dat de redelijke termijn in deze zaak ruimschoots is overschreden. In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Een meer specifieke regel daaromtrent valt niet te geven. Anders dan wel wordt aangenomen, dwingt art. 6 EVRM niet tot de opvatting dat het eerste verhoor van de verdachte door de politie steeds als zodanige handeling heeft te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de inleidende dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt dit eveneens. Behoudens bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld.

Ook wanneer het tijdsverloop in de afzonderlijke fasen van de procedure niet van dien aard is dat geoordeeld moet worden dat de redelijke termijn is overschreden, valt niet uit te sluiten dat in bijzondere gevallen de totale duur van het geding zodanig is dat een inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM moet worden aangenomen.

De vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Daarbij hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat hij in de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden naar bevind van zaken handelt. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd, zijn niet te geven. In dit verband dient evenwel te worden opgemerkt dat behalve de oplegging van een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, als strafvermindering geldt de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr als minder zwaar moet worden aangemerkt, of die in (gedeeltelijk) voorwaardelijke vorm wordt opgelegd.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 27 mei 2015. Op die dag is cliënt aangehouden en in verzekering gesteld. Al kort na de aanhouding van cliënt werd duidelijk dat hij geen lid was van de Bandidos, en in zoverre dat het niet noodzakelijk was zijn zaak gelijktijdig met die van de overige verdachten te behandelen. De toenmalige verdediging van cliënt heeft reeds op de zittingen bij de rechtbank van 28 augustus 2015 en 24 november 2015 nadrukkelijk en gemotiveerd verzocht de behandeling van de zaak van cliënt af te splitsen van die van de overige verdachten, maar die verzoeken werden helaas afgewezen, kennelijk omdat het Openbaar Ministerie van mening was dat toch bewezen zou kunnen worden dat cliënt strafbaar betrokken was bij de Bandidos. Dit leidde tot nieuwe zittingen op 15 december 2016, 13 juni 2017, 4 april 2018 en uiteindelijk de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechtbank in 2021. Onderaan de streep heeft de verdediging gelijk gekregen. Cliënt is door de rechtbank – terecht – vrijgesproken van alle delicten die dan ook maar enigszins verband houden met de Bandidos. Gebleken is dus dat er geen enkele reden was de zaak van cliënt niet af te splitsen van die van de overige verdachten. Cliënt is sterk gedupeerd doordat dit niet is gebeurd, want de redelijke termijn is ruimschoots overschreden, zowel in eerste aanleg (met ruim 4 jaren) als in hoger beroep. Dit kan aan cliënt bezwaarlijk worden verweten, nu de verdediging nauwelijks onderzoekswensen heeft ingediend en steeds maar weer heeft aangestuurd op afsplitsing van de zaak. Daarnaast is cliënt vermoedelijk – bewust of onbewust – toch als prominent onderdeel van het grote onderzoek gezien, hetgeen zijn weerslag zal hebben gehad op de strafmaat. In de media werd cliënt nadat de rechtbank vonnis had gewezen niet voor niets aangemerkt als één van de kopstukken van de Bandidos, met bovendien één van de hoogste straffen. Wederom een groot nadelig gevolg van het niet afsplitsen van de zaak van cliënt. De zaak tegen cliënt, althans datgene dat over is gebleven, is niet heel omvangrijk of complex. Ook dat is dus geen goede reden voor het enorme tijdsverloop. In totaal zal met het arrest van Uw hof de redelijke termijn in de zaak van cliënt met bijna 5 jaren zijn overschreden. Dit dient wat de verdediging betreft duidelijke gevolgen te hebben voor de strafmaat. De vermindering van de straf met 1/3 die door de rechtbank is toegepast, doet wat de verdediging betreft geen recht aan de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn.

Een strafvermindering die ertoe leidt dat aan cliënt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd waarvan de duur gelijk is aan de tijd die cliënt in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (27 mei 2015 tot 27 november 2015, dus 185 dagen, waarvan 44 dagen in beperkingen!), eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een forse taakstraf, is wat de verdediging betreft wel passend. Daarbij betrekt de verdediging ook de persoonlijke omstandigheden van cliënt, zoals hiervoor reeds geschetst. De verdediging verzoekt Uw hof dan ook met oplegging van een dergelijke straf te volstaan. De door de rechtbank opgelegde straf is wat de verdediging betreft totaal niet passend. Het dient geen enkel redelijk strafdoel cliënt, bijna 10 jaar na dato, opnieuw de penitentiaire inrichting in te sturen. Ik verzoek Uw hof dan ook met klem dit niet te doen.”

De bespreking van het middel

3.5

Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid, wat inhoudt dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. De verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting ligt in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. Waar het gaat om de motiveringsverplichting van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv, die naast de motiveringsvoorschriften van art. 359 lid 5 en 6 Sv zelfstandige betekenis heeft, past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de feitenrechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden aangemerkt een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de feitenrechter daarvan juist zou moeten afzien. De feitenrechter moet dan op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door de feitenrechter genoemde gronden voor de opgelegde straf.

3.6

De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (185 dagen). In dat verband is onder meer bepleit dat:

- de verdachte en zijn gezin flinke gevolgen hebben overgehouden aan de inval, de aanhouding en de tijd in voorlopige hechtenis;

- de voorlopige hechtenis van de verdachte lange tijd onder zeer strikte voorwaarden geschorst is geweest;

- de verdachte, werkzaam als zzp’er, kostwinner in zijn gezin is en zijn vrouw grotendeels arbeidsongeschikt is verklaard;

- de ten laste gelegde verlengde uitvoer – het bij de verdachte thuis leveren van amfetamine en hennep aan iemand die er vervolgens mee naar België is gereden – beduidend minder ernstig is dan het daadwerkelijk zelf of in georganiseerd verband uitvoeren van drugs naar een ander land dan een direct buurland, en daarom moet worden uitgegaan van de LOVS oriëntatiepunten voor ‘verkoop’ en niet voor ‘uitvoer’ van drugs;

- een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met name gelet op het tijdsverloop, buitenproportioneel is en geen enkel redelijk strafdoel dient;

- de verdachte first offender is wat betreft de ten laste gelegde feiten;

- sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de vermindering van de straf met 1/3 die door de rechtbank is toegepast, geen rechtdoet aan de ernst van de overschrijding.

3.7

De stellers van het middel voeren aan dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het hof acht heeft geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging en dat het hof evenmin voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht niet opwoog tegen de gronden voor de opgelegde straf. Geklaagd wordt dat niet is ingegaan op het standpunt dat de LOVS-oriëntatiepunten voor de ‘verkoop’ van drugs in plaats van de ‘uitvoer’ van drugs en het standpunt dat oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan verzocht, mede gelet op het tijdsverloop, geen redelijk strafdoel dient. Voorts menen de stellers van het middel dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het betoog van de verdediging over de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn, door – zonder nadere motivering – een strafkorting van acht maanden toe te passen.

3.8

Blijkens het bestreden arrest heeft het hof hetgeen door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, gekwalificeerd als een straftoemetingsverweer. In zijn strafmaatoverwegingen is het hof ingegaan op de door de verdediging geschetste persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De overwegingen van het hof houden onder meer in dat de verdachte kostwinner van zijn gezin is omdat zijn vrouw grotendeels arbeidsongeschikt is verklaard en psychische hulp heeft gezocht voor zijn moeilijke ervaringen met de inval door de politie en de beperkingen tijdens zijn voorarrest. Het hof heeft deze omstandigheden beperkt meegewogen bij het bepalen van de strafmaat, gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Daarover heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkoop en verlengde uitvoer naar België van drugs en het voorhanden hebben van pepperspray en een pistool met bijbehorend kogelpatroon, dat de verdachte zich van de negatieve gevolgen van zijn handelen onvoldoende rekenschap heeft gegeven en met zijn strafbare handelen, kennelijk met het oog op persoonlijk financieel gewin, de instandhouding van het criminele drugscircuit heeft bevorderd. Ook heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk voor strafbare feiten was veroordeeld, maar niet recent en niet voor soortgelijke feiten. Het hof heeft voorts acht geslagen op de LOVS oriëntatiepunten. Verder heeft het hof rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en een (aanzienlijke) strafvermindering van acht maanden toegepast. Het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarmee heeft het hof genoegzaam de redenen opgegeven waarom het – in afwijking van het door de verdediging naar voren gebrachte standpunt – meent dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Dat het hof daarbij niet uitvoerig op ieder aspect van dit standpunt is ingegaan, maakt dat niet anders. Het middel faalt.

4 Slotsom

4.1

Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard. HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde. Zie over de reikwijdte van de uit art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, waarnaar de Hoge Raad verwijst in HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294, NJ 2025/122, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.4.4.