Strafrecht overig

Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Middel klaagt over verwerping…

Zaakgegevens

Op 19 mei 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19 mei 2026
Datum publicatie
11 mei 2026
Zaaknummer
25/01279
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:485
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat bij berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel slechts kan worden uitgegaan van één hennepoogst. De AG concludeert dat het middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 maart 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:895
  2. Conclusie A-G · 19 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:485

  3. Hoge Raad · 14 juli 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1206

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01279 P

Zitting 19 mei 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de betrokkene

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 maart 2025 (parketnr. 20-001775-21), middels bevestiging van de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 juli 2021 (parketnr. 03/702548-17 (ontneming)) (met aanvulling van gronden) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 186.323,52 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van een bedrag van € 186.323,52.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend, vandaag ook concluderen. De zaak 25/01277 betreft de onderliggende strafzaak van de betrokkene.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 De strafzaak

2.1

In de strafzaak tegen de betrokkene heeft het hof bij arrest van 28 maart 2025 bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – het telen van hennep in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 14 mei 2016.

2.2

Voor de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen verwijs ik naar de weergave hiervan in de conclusie die ik vandaag heb genomen in de onderliggende strafzaak.

3 Het middel

3.1

In het middel wordt geklaagd dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het dossier slechts voldoende aanwijzingen bevat dat de betrokkene één keer hennep heeft geoogst en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dus op basis van één oogst berekend diende te worden, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.

Opmerkingen vooraf

3.2

Voordat ik begin met de bespreking van het middel merk ik op dat de behandeling van de onderhavige ontnemingszaak bij het hof (evenals bij de rechtbank) gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de behandeling van de onderliggende strafzaak. De door de raadsvrouw in hoger beroep voorgedragen en overgelegde pleitnota heeft betrekking op beide zaken. Naar aanleiding van de bewezenverklaring van de – op meerdere oogsten gebaseerde – gehele ten laste gelegde periode door de rechtbank is in beide zaken het standpunt ingenomen dat het dossier slechts voldoende aanwijzingen bevat dat de betrokkene één keer hennep heeft geoogst. Daartoe werden vijf factoren besproken waaraan de rechtbank, in de strafzaak, het uitgangspunt had ontleend dat sprake was geweest van meerdere oogsten, en daarnaast twee indicatoren genoemd die juist op het tegendeel (niet meer dan één oogst) zouden wijzen. In de onderliggende strafzaak bepleitte de verdediging dat, uitgaande van één oogst, niet de volledige ten laste gelegde periode bewezen kon worden verklaard. In de ontnemingszaak leidde dit uitgangspunt ertoe dat volgens de verdediging het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van één oogst berekend diende te worden.

3.3

In zowel de onderhavige ontnemingszaak als de onderliggende strafzaak is een (gelijkluidend) cassatiemiddel ingediend, waarin wordt geklaagd dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Om doelmatigheidsredenen zal ik in deze conclusie een aantal maal verwijzen naar de conclusie in de strafzaak, die ik ook vandaag heb genomen.

De bespreking van het middel

3.4

Het hof heeft in de ontnemingszaak de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met aanvulling van gronden. In de ontnemingszaak is het hof uitgegaan van de bewezenverklaring in de strafzaak. Ik citeer uit de door het hof bevestigde uitspraak van de rechtbank:

“3.3.2 Het bewijs

De rechtbank verwijst naar de gebruikte bewijsmiddelen en -motivering zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 9 juli 2021 in de onderliggende strafzaak. Op grond daarvan concludeert de rechtbank, anders dan zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging, dat het dossier meer dan voldoende aanwijzingen bevat dat sprake is geweest van zes eerdere oogsten waaruit [betrokkene] voordeel heeft gekregen.”

3.5

Blijkens het proces-verbaal van de zittingen van het hof in de ontnemingszaak heeft de raadsvrouw gepleit overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Daarin heeft de raadsvrouw, zoals gezegd, bepleit dat “hetgeen in het dossier is opgenomen over [de] hennepkwekerij tot de conclusie kan leiden dat er minimaal één keer geoogst moet zijn, maar niet meer dan dat”. Voor het volledige pleidooi van de raadsvrouw op dit punt, alsook voor de dupliek op dit punt, verwijs ik naar de weergave ervan in de conclusie die ik heb genomen in de onderliggende strafzaak. Met betrekking tot de ontnemingsvordering houdt de pleitnota, voor zover van belang voor de bespreking van het middel, daarnaast het volgende in:

“Ontnemingsprocedure

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Ik heb uw gerechtshof verzocht bij de bewezenverklaring van feit 1 uit te gaan van één oogst. Uiteraard verzoek ik u dan ook in het kader van de ontneming uit te gaan van één oogst. Op p. 4 van het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak is mijns inziens een juiste berekening gemaakt van de totale opbrengst voor één oogst, te weten €31.053.92.”

3.6

Het hof heeft in de ontnemingszaak de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met aanvulling van de gronden waarop het berust. Het arrest van het hof bevat, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, de volgende aanvullende overwegingen:

“Aanvulling van gronden

De raadsvrouw van de betrokkene heeft bepleit dat er in de hennepkwekerij van de betrokkene slechts één keer geteeld en geoogst zou zijn. Derhalve kan het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden vastgesteld op een bedrag van € 31.053,92. De raadsvrouw heeft daartoe - onder verwijzing naar het verweer in de hoofdzaak - onder meer aangevoerd dat niet alle positieve netmetingen te herleiden kunnen zijn tot [bedrijf 1] , alwaar de hennepkwekerij is aangetroffen. Immers is er op 29 juli 2015 door de politie een onderzoek verricht in de panden van de [a-straat 3] t/m [...] en is daarbij geen hennepplantage aangetroffen. De positieve netmetingen van 11 t/m 18 september 2014 en van 13 t/m 19 mei 2015 op de hoofdkabel GLN354 - die betrekking heeft op alle panden van [a-straat 1] t/m [...] of [...] (oneven) - moeten dus slaan op een ander pand dan het pand van [bedrijf 1] . Als de hennepruimtes zoals deze zijn aangetroffen op 17 mei 2016 al hadden bestaan op 29 juli 2015, had de politie deze - ook zonder een kelderverdieping te betreden - tijdens het onderzoek kunnen vinden. De politie heeft in het proces-verbaal foutief opgenomen dat zij bij huisnummer [...] een onderzoek hebben verricht in plaats van bij [bedrijf 1] , aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij heeft de politie op 29 juli 2015 een onderzoek ingesteld in het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] naar aanleiding van een melding dat er zich mogelijk een hennepkwekerij in dat pand bevond (dossierpagina’s 31-32 van zaakdossier 14). Een meldster had tijdens een bezoek aan de autogarage opgemerkt dat er een hennepplantage in de kelder aanwezig was. Tijdens een naar aanleiding van deze melding op 29 juli 2015 verricht onderzoek, hebben de verbalisanten in alle ruimten in het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] gekeken. In het bijzijn en met toestemming van de betrokkene hebben zij die dag ook alle niet verhuurde appartementen bekeken en met toestemming van de bewoners zijn ook alle verhuurde appartementen bekeken. Er werd door de politie echter geen hennepkwekerij aangetroffen en ook troffen zij geen kelders aan.

Het hof leidt uit voornoemd proces-verbaal af dat de politie op 29 juli 2015 - ondanks dat de meldster een melding had gemaakt over een hennepkwekerij in de kelder van de autogarage - geen onderzoek heeft verricht bij [bedrijf 1] gelegen aan de [a-straat 3] in [plaats] . De politie heeft op die dag blijkens de bevindingen enkel het pand aan de [a-straat 2] in [plaats] , alsmede alle daarbij behorende appartementen, onderzocht. Het onderzoek op 29 juli 2015 heeft dus plaatsgevonden op een ander adres dan waar de hennepkwekerij van de betrokkene later is aangetroffen. Blijkens de bevindingen van de verbalisanten hebben zij tijdens het onderzoek op 29 juli 2015 geen kelder aangetroffen, maar wel bijbehorende appartementen. Die zijn er niet bij de garage. Het hof leidt daaruit af dat de verbalisanten zich niet - zoals door de raadsvrouw gesuggereerd - hebben vergist in de weergave van het adres, maar tijdens dit onderzoek niet bij [bedrijf 1] zijn geweest.

Blijkens het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij is op 17 mei 2016 de hier in geding zijnde doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd op het adres [a-straat 3] [plaats] , zijnde het adres van de autogarage die bij de betrokkene in gebruik was. Vanuit de garage werden via een magazijn en een daarin gelegen afgesloten deur de kweekruimten waarin de hennepkwekerij zich bevond, bereikt. Dit was een voormalige woning die nu geheel ingericht was als hennepkwekerij met verschillende kweekruimten, waaronder een kweekruimte in de kelder.

Het hof trekt uit deze bevindingen de conclusie dat het onderzoek op 29 juli 2015 in het geheel niet heeft plaatsgevonden in de garage op nummer [...] . Het standpunt van de verdediging, in de kern inhoudende dat de hennepkwekerij van de betrokkene op 29 juli 2015 nog niet bestond, omdat deze anders wel zou zijn aangetroffen door de verbalisanten, wordt om die reden dan ook verworpen.

De overige verweren van de verdediging met betrekking tot de tenlastegelegde periode en het aantal oogsten van de hennepkwekerij, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank.”

3.7

Het hof heeft het standpunt dat namens de betrokkene in hoger beroep is ingenomen opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarvoor indien van het standpunt wordt afgeweken een responsieplicht geldt. De omvang van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat het hof bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet ingaan.

3.8

Evenals in de onderliggende strafzaak meen ik dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat slechts één oogst heeft plaatsgevonden. Voor een bespreking van de redenen daarvoor verwijs ik (wederom) naar mijn conclusie in de onderliggende strafzaak. Hetgeen daarin is opgemerkt over de motivering van het hof ten aanzien van (de bewezen verklaarde periode en) het aantal oogsten waarvan het hof uitgaat, geldt evenzo in de ontnemingszaak.

3.9

Ten overvloede merk ik nog op dat de steller van het middel lijkt te miskennen dat de rechter die oordeelt over de ontnemingsvordering is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. Daaraan doet niet af dat aan de rechter in de ontnemingszaak een zelfstandig oordeel toekomt over alle verweren die betrekking hebben op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wel betekent het dat in de ontnemingsprocedure niet opnieuw kan worden onderzocht of het feit waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld kan worden bewezen. In de strafzaak heeft het hof blijkens de bewezenverklaring en bewijsvoering reeds vastgesteld dat meer dan één oogst heeft plaatsgevonden, zodat het hof dat in de ontnemingszaak niet opnieuw hoefde te doen.

4 Slotsom

4.1

Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard. Conclusie A-G Sinnige 19 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:472. P. 2 van de uitspraak. Randnrs. 2.5 en 2.6 van de conclusie. P. 2 e.v. van het arrest. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma. Zie onder meer HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1668, rov. 2.3.