Strafrecht overig
Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Hennepteelt meermalen gepleegd. Middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk…
ECLI:NL:PHR:2026:472 · Parket bij de Hoge Raad · 19 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-472
Zaakgegevens
Op 19 mei 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Datum publicatie
- 8 mei 2026
- Zaaknummer
- 25/01277
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:472
Samenvatting
Conclusie AG. Onderzoek Kievit. Hennepteelt meermalen gepleegd. Middel klaagt over verwerping uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. bewezenverklaring pleegperiode. De AG concludeert dat het middel faalt. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO). Samenhang met 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 maart 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:896Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 mei 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:472
Hoge Raad · 14 juli 2026
ECLI:NL:HR:2026:1205
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01277
Zitting 19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 28 maart 2025 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001774-21), middels bevestiging van het vonnis van de rechtbank Limburg van 9 juli 2021 (parketnr. 03/702548-17) met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf, wegens (onder feit 1) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01279, 25/01299, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend, vandaag ook concluderen. De zaak 25/01279 betreft de ontnemingszaak die voortkomt uit de onderhavige strafzaak.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2 Het middel
In het middel wordt geklaagd dat het hof is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat op basis van het dossier slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte één keer hennep heeft geoogst en dat de ten laste gelegde periode dus moest worden ingekort naar 5 maart 2016 tot en met 14 mei 2016, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 14 mei 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 410 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”.
Het vonnis van de rechtbank houdt met betrekking tot de bewezenverklaring van dit feit (met weglating van voetnoten) het volgende in:
“De bewijsmiddelen
Op 17 mei 2016 vond een doorzoeking plaats in het bedrijfspand op het adres [a-straat 1] te [plaats] , waar een garagebedrijf was gevestigd. Daarbij werd een (net geoogste ) hennepkwekerij, bestaande uit drie kweekruimtes, aangetroffen. De politie relateerde hierover onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Vanuit de garage kon men magazijn 1 inlopen. Via een deur achter in magazijn 1 kwam men in een gangetje. Daar bevond zich een afgesloten deur die toegang verschafte naar een daarachter liggende ruimte die in het verleden kennelijk als woning in gebruik is geweest. Op de grond voor die afgesloten deur lagen resten van blaadjes van een hennepplantage, waarvan een monster positief reageerde op de aanwezigheid van hennep. Achter de afgesloten deur was een gangetje dat in een keuken uitkwam. Direct rechts achter de gesloten deur bevond zich een kelderdeur die toegang gaf tot kweekruimte 1. In de keuken was middels gipsplaten een ruimte gemaakt waarin zich kweekruimte 2 bevond. Vanuit de keuken kwam men in een ruimte die vroeger mogelijk als slaapkamer in gebruik is geweest. Hierin bevond zich kweekruimte 3. De afgesloten deur die toegang gaf tot het gedeelte met de kweekruimtes kon alleen vanaf de zijde van de garage met een sleutel geopend worden.
In de garage stond een rode afvalcontainer, gevuld met onder andere grijze plastic vuilniszakken, die weer gevuld waren met nog vochtige wortels en afgeknipte stengels van hennepplanten, met lege jerrycans groeimiddel en met vijf lege stekkentrays van elk 84 stuks. Een monster van een afgeknipte stengel testte positief op de aanwezigheid van hennep. Bij de container lagen ook kartonnen dozen, met in een van die dozen resten van hennepbladeren, waarvan een monster positief testte op de aanwezigheid van hennep.
In magazijn 2 werden in een bergruimte achter een stalen deur goederen aangetroffen welke gebruikt worden in de hennepteelt, zoals een slakkenhuis met flexibele slang, een koolstoffilter, een geluiddemper, een onderdeel van een knipmachine en een aangebroken fles slaolie.
In een kantoor werden een offerte en diverse rekeningen aangetroffen van onder andere de growshops [growshop 1] uit [plaats] , [growshop 2] uit [plaats] en [growshop 3] te [plaats] . Op de offerte d.d. 9 april 2014 en de rekening van 23 juni 2014 van [growshop 1] staan goederen welke in de eerste kweekruimte (kelder) zijn aangetroffen.
Een uittreksel van de Kamer van Koophandel vermeldt dat [verdachte] sinds 27 februari 2014 bestuurder was van [bedrijf 1] B.V., gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] en in die hoedanigheid alleen/zelfstandig bevoegd.
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel vermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer dat de gehele hennepkwekerij, bestaande uit drie kweekruimtes met daarin respectievelijk 182, 43 en 195 potten, een zeer vervuilde indruk maakte, waaronder zeer sterk vervuilde grondzeilen in alle kweekruimtes. De rapporteur relateerde in honderden kwekerijen zelden zulke vervuilde grondzeilen te hebben gezien. Verder vermeldt de rapportage dat sprake was van kalkafzetting aan de onderzijde van de plantenpotten, stof op de koolstoffilters, armaturen en transformatoren alsmede een vliegenvanger vol met kleine vliegjes in de eerste kweekruimte en een schaartje en erg verkleurd purschuim in de derde kweekruimte. De rapporteur relateerde voorts gezien te hebben dat de gebruikte elektriciteitskabels en assimilatielampen productiedata hadden van respectievelijk 31 oktober 2013 en februari 2014.
Enexis heeft onderzoek gedaan naar de vermoedelijke hoeveelheid oogsten van de hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te [plaats] . De rapportage hiervan vermeldt onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Het adres [a-straat 1] te [plaats] hebben wij op 17 mei 2016 bezocht. Tijdens het bezoek hebben wij geen frauduleuze handelingen aan onze installatie geconstateerd. De panden [...] tot en met [...] worden door de aansluiting en kWh meter in het pand [...] van spanning voorzien. Op 9 september 2014 is het pand bezocht in verband met het aantreffen van een hennepplantage in een van de bovenwoningen tussen huisnummer [...] en [...] , waarbij de kWh-meter op huisnummer [...] is gecontroleerd.
In de voorgaande jaren hebben er diverse netmetingen plaatsgevonden op de hoofdkabel GLN354 waarop ook bovengenoemd pand is aangesloten. Kort na de ontruiming op 9 september 2014 heeft de eerste netmeting plaatsgevonden van 11 tot en met 18 september 2014 die duidelijk aangaf dat er weer een à twee plantage(s) actief waren in een van de aangesloten panden. Tevens hebben er nog (zes) positieve netmetingen plaatsgevonden in de periode van 13 mei 2015 tot 17 mei 2016. Ook na ons bezoek op 17-5-2016 heeft er nog netmeting plaatsgehad namelijk van 19 tot en met 24 mei 2016. Op deze netmeting is geen patroon te herkennen zoals wij dat zien als er een hennepplantage actief is.
Op grond van (naar de rechtbank begrijpt: het vermogen van) de aangetroffen apparatuur, waaruit een energieverbruik per volledige kweek is afgeleid, in combinatie met het historische geregistreerde verbruik, concludeert Enexis B.V. vervolgens dat de hoeveelheid geregistreerde energie voldoende is voor 6 volledige kweken.
Een aanvullende rapportage van Enexis vermeldt dat de 12-uurs patronen in de elektriciteitsmeting alleen te zien zijn tot en met 14 mei 2016, hetgeen erop zou kunnen duiden dat de hennepplantage per 14 mei 2016 niet meer in bedrijf was.
(…)
Overwegingen en conclusies van de rechtbank
Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Hennepteelt (feit 1)
Op 17 mei 2016 werd in het bedrijfspand op het adres [a-straat 1] te [plaats] een niet meer in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met een capaciteit van circa 420 hennepplanten. In het bedrijfspand was tot dat moment het bedrijf [bedrijf 1] B.V. gevestigd waarvan [verdachte] de bestuurder was en in die hoedanigheid alleen/zelfstandig bevoegd. In het kantoor van de verdachte werd diverse documentatie aangetroffen in relatie tot materialen ten behoeve van een kwekerij en die materialen werden ook aangetroffen in de hennepkwekerij. Net als het Openbaar Ministerie en de verdediging concludeert de rechtbank mede op grond hiervan tot bewezenverklaring van hennepteelt door de verdachte. Kern van de zaak, gelet op het pleidooi van de verdediging, is echter, de vraag in welke periode de verdachte heeft geteeld en of dat al dan niet samen met een of meer anderen was.
Medeplegen?
(…)
Periode?
Ook anders dan de verdediging acht de rechtbank de ten laste gelegde periode van de hennepteelt van 13 oktober 2015 tot en met 14 mei 2016 wettig en overtuigend bewezen.
Ten eerste heeft Enexis op grond van de aangetroffen apparatuur en het historische verbruik in het pand, berekend dat zes voorgaande oogsten kunnen hebben plaatsgevonden. Uitgaande van een kweekperiode van 10 weken, zou dat resulteren in een periode van ruim een jaar. Hoewel uiteraard niet specifiek gericht op dit ene pand, wijzen ook de in totaal zeven positieve netmetingen na het aantreffen van een kwekerij in september 2014, in de richting van een actieve kwekerij, temeer nu de eerste netmeting na ontruiming in mei 2016 negatief is. Dat maakt dat het ook niet aannemelijk is dat nog een andere kwekerij in de omgeving actief was op de betreffende hoofdkabel.
Voorts bevat het dossier diverse indicatoren die het vermoeden van een langere teeltperiode naar het oordeel van de rechtbank bevestigen: naast de gebruikelijke indicatoren zoals stof en kalk en de productiedata op kabels en gipsplaten, zijn dat in dit geval in het bijzonder de ongekend ernstige vervuiling van de grondzeilen en de aangetroffen facturen van bij de kwekerij gebruikte materialen.
Een en ander tezamen en in onderling verband bezien, brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de hennepteelt plaatsvond in de gehele ten laste gelegde periode.”
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde – waaronder de gehele periode en met uitzondering van het medeplegen.
Blijkens het proces-verbaal van de zittingen van het hof heeft de raadsvrouw gepleit overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt (met weglating van voetnoten) onder meer het volgende in:
“Bewezenverklaring feit 1 en bijbehorende ontneming
Ten aanzien van het telen van hennep refereer ik mij in hoger beroep aan het oordeel van uw gerechtshof, net zoals ik dat in eerste aanleg heb gedaan. Over de vraag of cliënt betrokkenheid heeft gehad bij de reeds geoogste plantages die zijn aangetroffen in [bedrijf 1] bestaat wat mij betreft namelijk geen discussie.
Waar wat mij betreft ook geen discussie over bestaat, is de vraag of cliënt moet worden vrijgesproken van medeplegen. Hoewel er in het dossier aanknopingspunten zijn voor betrokkenheid van anderen - buiten cliënt - bij de hennepkwekerij, ben ik het met de AG eens dat hetgeen daarover in het dossier zit, onvoldoende is om van medeplegen te kunnen spreken. Ik verzoek u derhalve cliënt vrij te spreken van medeplegen.
Anders is dat voor de vraag hoe lang er is geteeld en het daarmee samenhangende ontnemingsbedrag. Wat betreft de verdediging is de rechtbank bij de bewezenverklaring ten onrechte uitgegaan van een te lange teelperiode en een te hoog ontnemingsbedrag. De rechtbank heeft bij haar oordeel grofweg vijf factoren betrokken, die ik achtereenvolgens zal bespreken waarbij ik de volgorde die de rechtbank heeft aangehouden, ook zal aanhouden.
Ik kom tot de conclusie dat op basis van het dossier slechts kan worden vastgesteld dat er één keer geoogst is, hetgeen moet leiden tot een kortere bewezenverklaarde periode en een lager ontnemingsbedrag.
Offertes en facturen
De rechtbank heeft allereerst een offerte en facturen betrokken in de bewijsconstructie. In ‘kantoor 1’ werden een offerte en diverse rekeningen aangetroffen van een aantal winkels waarop goederen staan die teruggevonden zijn in kweekruimte 1 van de hennepkwekerij. De data: 9 april 2014 en 23 juni 2014. Ook de AG heeft bij requisitoir hiernaar verwezen.
Allereerst de offerte met datum 9 april 2014. Een offerte is geen bewijs van daadwerkelijke aanschaf van goederen, maar ‘een aanbod om iets tegen een bepaalde prijs te doen of leveren', aldus de Vandale. Het is dus goed mogelijk dat de goederen die op de offerte staan, pas veel later zijn aangeschaft. Met andere woorden: die datum 9 april 2014 is niet relevant.
De datum 23 juni 2014 stond wel op een factuur, dus het lijkt erop dat de goederen op die factuur op voornoemde datum aangeschaft zijn. Maar, dat zegt op zichzelf dan weer niets over wanneer die goederen vervolgens zijn gebruikt in de hennepkwekerij in [bedrijf 1] . De goederen kunnen na aanschaf eerst zijn opgeslagen voordat ze later gebruikt zijn in de hennepkwekerij in [bedrijf 1] . Kijkend naar de lijst met goederen die op de factuur zijn opgenomen, valt op dat dit in ieder geval zeker geen volledige kweekinrichting is. Er moesten dus nog meer spullen worden verzameld om een kwekerij op te zetten en dat kan later zijn gebeurd. Dat weten we simpelweg niet.
Het is overigens ook mogelijk dat de goederen eerst in een andere plantage zijn gebruikt en pas later in de kwekerij in [bedrijf 1] zijn ingezet.
Maar, u merkt het al aan de manier waarop ik dit zeg: we weten het niet. Het zijn slechts aannames. En dat is precies de reden dat ik uw gerechtshof verzoek de data op de offerte en de factuur niet mee te nemen in een bewijsconstructie om te komen tot een bepaalde teelperiode.
Zeer vervuilde indruk van de kweekruimtes
Vervolgens heeft de rechtbank de - volgens de politie - zeer vervuilde indruk van de kweekruimtes meegenomen in de vaststelling dat er zes keer geteeld is. Wat betreft de verdediging kan die grote stap niet zomaar gezet worden.
Waar gaat het om? Het gaat om sterk vervuilde grondzeilen, kalkafzetting aan de onderzijde van de plantenpotten, stof op de koolstoffilters, armaturen en transformatoren, een vliegenvanger vol met kleine vliegjes, een schaartje en erg verkleurd purschuim. Al hetgeen ik hiervoor heb opgesomd kan mijns inziens niet leiden tot de conclusie dat er zes keer geteeld is.
Grondzeilen kunnen immers eerder in een andere kwekerij zijn gebruikt en daarna in de kwekerij van [bedrijf 1] gelegd zijn en alle andere indicatoren passen ook bij één oogst, net zoals zij passen bij twee, drie of tien oogsten. Wat ik wil zeggen is: hoe kunnen we nou aan de hand van vervuilde grondzeilen vaststellen dat er zes keer geteeld is? Dat kan niet.
Productiedata op spullen
In de kwekerij zijn goederen aangetroffen met daarop productiedata. Zo heeft de rapporteur waargenomen dat in de eerste kweekruimte op elektriciteitskabels de datum 31 oktober 2013 stond en op assimilatielampen stond 0214, hetgeen zou staan voor februari 2014.
Wanneer gipsplaten zijn geproduceerd door een fabrikant, zegt helemaal niets over wanneer de kwekerijen zijn opgezet met die spullen waar die productiedata op staan. Als ik nu naar de Gamma ga, vind ik daar vast ook producten die in 2023 of 2024 zijn geproduceerd.
Ik heb in eerste aanleg een voorbeeld uit mijn eigen leven gebruikt en ik gebruik dit voorbeeld graag nog een keer. Mijn toenmalig partner had vlak voor de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg in onze tuin een houthok gebouwd. Hij had daarbij hout gebruikt van onze buurman. De productiedata op die houten platen zijn van ver voor 2021. Als daar bijv. 2013 op staat, betekent dat niet dat het houthok in 2013 is gebouwd.
Ik verzoek u om die reden de productiedata op de spullen niet mee te nemen in uw bewijsoverwegingen.
Berekening Enexis
De fraude-inspecteur van Enexis heeft vastgesteld dat het "meer dan aannemelijk'’ is dat er zes voorgaande kweken hebben plaatsgevonden. [naam 1] , de fraude-inspecteur, is hierbij uitgegaan van het vermogen van de aangetroffen apparatuur in combinatie met het historische geregistreerde verbruik.
Het probleem met deze berekening van Enexis is dat de panden [a-straat 1] t/m [...] door de aansluiting en kWh-meter op het adres [a-straat 1] van spanning worden voorzien. Op het adres [a-straat 2] is ook een aansluiting, maar daarvan is bekend dat deze sinds 5 april 2007 geen energie meer heeft geregistreerd. Dat betekent dat niet alleen de stroom van [bedrijf 1] en de ruimtes waar de hennepkwekerij is aangetroffen via die kWh-meter loopt die door [naam 1] is gebruikt voor de berekening van het aantal oogsten, maar ook nog de stroom van een aantal andere stroomverbruikers in de panden [a-straat 1] t/m [...] . Zo werd bijvoorbeeld ook de bovenwoning tussen huisnummer [...] en [...] waar in september 2014 een andere hennepkwekerij werd aangetroffen, via diezelfde kWh-meter van stroom voorzien.
Stel nou dat er in bijvoorbeeld diezelfde bovenwoning in 2015 een hennepkwekerij heeft gestaan met 600 planten? Of er op nummer [...] een gezin is gaan wonen met grote energie verbruikende apparaten? Dan is het heel logisch dat er zo veel stroom is verbruikt via die kWh meter die Enexis heeft onderzocht. Het is niet zo dat de enige verklaring voor het stroomverbruik, de hennepkwekerij in [bedrijf 1] is.
Als de kWh-meter op basis waarvan deze berekening gemaakt is slechts één pand van stroom zou voorzien, zijnde [bedrijf 1] , had ik dit verweer niet gevoerd.
U kunt dus niet zonder meer uitgaan van deze berekening van Enexis.
Netmetingen op de hoofdkabel GLN354
En tot slot moet ik het hebben over de netmetingen die zijn uitgevoerd. Er zijn in totaal zeven positieve netmetingen geweest op de hoofdkabel GLN354, na het aantreffen van een andere kwekerij in september 2014 in de eerder genoemde bovenwoning. Ook is vastgesteld dat de eerste netmeting na de ontruiming van mei 2016 negatief was. De rechtbank betrekt voornoemde in haar bewijsoverwegingen en stelt vast dat het niet aannemelijk is dat er nog een andere kwekerij in de omgeving actief was op de betreffende hoofdkabel.
Dit is wat betreft de verdediging veel te kort door de bocht.
De netmetingen zijn namelijk uitgevoerd op de hoofdkabel GLN3546 en die hoofdkabel heeft betrekking op alle panden van [a-straat 3] t/m [...] of [...] oneven. [...] t/m [...] . Dat zijn een heleboel panden. Dat er positieve netmetingen zijn geweest op die hoofdkabel betekent niet meer en niet minder dan dat er een vermoeden is dat in één van die panden een hennepplantage heeft gestaan.
Dat op 17 mei 2016 in [bedrijf 1] een hennepplantage wordt aangetroffen, betekent dan niet dat alle positieve netmetingen die vanaf september 2014 hebben plaatsgevonden één op één te herleiden zijn tot [bedrijf 1] . Er kunnen immers in andere panden ook kwekerijen hebben gestaan. Ook dat weten we simpelweg niet.
Dat in de buurt van [bedrijf 1] kennelijk meer mensen op het idee zijn gekomen om hennep te telen, blijkt wel uit de aangetroffen hennepplantage in de bovenwoning van perceel [...] van de [a-straat] op 9 september 2014.
En dat niet alle positieve netmetingen te herleiden kunnen zijn tot [bedrijf 1] , blijkt eigenlijk ook gewoon uit het dossier. Er vinden bijv, netmetingen plaats op voornoemde kabel van 11 t/m 18 september 2014 en van 13 t/m 19 mei 2015. Deze netmetingen hebben wel moeten slaan op een ander pand dan het pand van [bedrijf 1] , want op 29 juli 2015 wordt een doorzoeking verricht in de panden van de [a-straat 1] t/m [...] en er wordt er geen hennepplantage aangetroffen.
Uit het dossier blijkt dan wel niet dat men in een kelder is geweest, maar dat is ook niet relevant. Slechts één van de drie op 17 mei 2016 aangetroffen hennephokken bevond zich op de kelderverdieping, de overige twee bevonden zich gewoon op de begane grond. Als de hennepruimtes zoals deze zijn aangetroffen op 17 mei 2016 al hadden bestaan op 29 juli 2015, had de politie deze bij de doorzoeking kunnen vinden zonder een kelderverdieping te betreden.
De melding van [betrokkene 1] zag namelijk zeer specifiek op de kelder van de garage (p. 31 ZD14) en zij noemt daarbij, zo mag worden aangenomen, abusievelijk huisnummer [...] . De politie neemt in het PV dit huisnummer (foutief) over en noemt de garage ook nummer [...] , maar het lijkt mij duidelijk dat men eerst in de garage is gaan kijken gelet op de melding van [betrokkene 1] , omdat zij het specifiek heeft over haar bezoek aan de autogarage om haar auto te laten maken. Uit het PV van de politie blijkt namelijk dat de politie naar aanleiding van die melding is gaan kijken. Dan ga je niet eerst naar een naastgelegen appartement. De politie bedoelt in het PV op p. 31 en 32 van het dossier met nummer [...] dus [bedrijf 1] .
Tijdens dat onderzoek hebben wij in alle ruimten in het pand [a-straat 2] te [plaats] gekeken. Wij hebben toen geen hennepkwekerij aangetroffen.
P. 31 ZD14
De politie heeft in het PV op p. 31 ZD14 vastgelegd dat zij in alle ruimten van het pand hebben bekeken en zij hebben geen hennepkwekerij aangetroffen. Dan mogen we er dus vanuit gaan dat alle ruimten van het pand, in ieder geval op de begane grond, bekeken zijn. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen.
Waarom leg ik dit uit? Omdat dit relevant is voor de bewijswaarde van de netmetingen die verricht zijn in deze zaak. Die bewijswaarde is hierdoor namelijk nul. De gemeten kabel beslaat 30 oneven huisnummers (zonder a’s en b's gerekend) en gebleken is dat de netmetingen zowel op 9 september 2014 als op 29 juli 2015 moeten hebben gezien op een ander pand dan [bedrijf 1] . In het verlengde daarvan is dus aan de hand van de netmetingen van 13 t/m 29 oktober 2015, 13 januari t/m 18 januari 2016 en 18 februari t/m 23 februari 2016 niet te zeggen op welk pand of panden die hebben geslagen. Dat het OM zelf een klein beetje, maar ook weer niet écht uitgaat van de bewijswaarde van de netmetingen blijkt wel uit de keuze voor 13 oktober als start van de tenlastegelegde periode en niet bijvoorbeeld 11 september 2014 als start genomen heeft.
Ik verzoek uw gerechtshof dan ook, anders dan de rechtbank, deze positieve netmetingen niet te betrekken bij het bewijs.
Indicatoren die juist duiden op één oogst
Er zijn twee indicatoren die juist beter passen bij het scenario dat er één keer geoogst is. Er zijn vijf lege stekkentrays aangetroffen. Als er vaker geoogst was, hadden we dan niet juist méér lege stekkentrays aangetroffen? 5 x 84 = 420 en duidt dus juist op één oogst.
En nog vochtige wortels van planten duiden juist op het kort ervoor oogsten van de plantages. Als er oude wortels waren aangetroffen zou je nog kunnen stellen dat er minimaal twee keer geoogst zou moeten zijn, maar dat is niet aan de orde.
Conclusie t.a.v. de bewezenverklaring
Hetgeen in het dossier is opgenomen over deze hennepkwekerij, kan tot de conclusie leiden dat er minimaal één keer geoogst moet zijn, maar niet meer dan dat. Uitgaande van een teelperiode van 10 weken verzoek ik u bij bewezenverklaring de tenlastegelegde periode in te korten naar 5 maart 2016 t/m 14 mei 2016.”
Uit het proces-verbaal van de zittingen volgt dat de raadsvrouw bij dupliek – als reactie op de repliek van de advocaat-generaal - het volgende naar voren heeft gebracht:
“Ik heb inderdaad de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen één voor één aangevallen. Ik vind dat we kritisch moeten zijn naar welk bewijs gebruikt wordt in een bewijsconstructie. Daarvoor moeten de bewijsmiddelen ook afzonderlijk bekeken worden. De politie is bij het pand gaan kijken naar aanleiding van een vrouw die heeft gebeld. We mogen ervan uit gaan dat de politie daarbij het hele pand heeft doorzocht. Dat is al helemaal wanneer zij in het proces-verbaal hebben opgenomen dat alle ruimtes zijn bekeken en zij geen hennepkwekerij hebben aangetroffen. Ik vind het wonderlijk dat de advocaat-generaal zegt dat de politie misschien niet goed heeft gekeken. We moeten ervan uit gaan dat er in het pand geen hennepkwekerij is aangetroffen in juli 2015. Hoe verhoudt zich dat tot al het andere bewijs? Het maakt dat de bewijswaarde van de netmeting 0 is. Dat geldt ook voor het andere bewijs. Ik zie genoeg redenen voor het hof om te twijfelen aan die zes oogsten. Ik geef toe dat de factuurdatum vragen oproept. Die waarde zal ik een 2 geven. Maar 2 x 0 x 0 x 0 x 0 = 0. Er is in juli 2015 geen hennepkwekerij aangetroffen in het pand en er moet gekeken worden naar wat dit met het overige bewijs doet.”
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en aanvulling van de gronden waarop het berust. Het arrest van het hof bevat de volgende aanvullende bewijsoverwegingen:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat enkel de periode van 5 maart 2016 tot en met 14 mei 2016 bewezen kan worden verklaard en dat er in de hennepkwekerij van de verdachte slechts één keer geteeld en geoogst zou zijn.
Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat niet alle positieve netmetingen te herleiden kunnen zijn tot [bedrijf 1] , alwaar de hennepkwekerij is aangetroffen. Immers is er op 29 juli 2015 door de politie een onderzoek verricht in de panden van de [a-straat 1] t/m [...] en is daarbij geen hennepplantage aangetroffen. De positieve netmetingen van 11 t/m 18 september 2014 en van 13 t/m 19 mei 2015 op de hoofdkabel GLN354 - die betrekking heeft op alle panden van [a-straat 3] t/m [...] of [...] (oneven) - moeten dus slaan op een ander pand dan het pand van [bedrijf 1] . Als de hennepruimtes zoals deze zijn aangetroffen op 17 mei 2016 al hadden bestaan op 29 juli 2015, had de politie deze - ook zonder een kelderverdieping te betreden - tijdens het onderzoek kunnen vinden. De politie heeft in het proces-verbaal foutief opgenomen dat zij bij huisnummer [...] een onderzoek hebben verricht in plaats van bij [bedrijf 1] , aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij heeft de politie op 29 juli 2015 een onderzoek ingesteld in het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] naar aanleiding van een melding dat er zich mogelijk een hennepkwekerij in dat pand bevond (dossierpagina’s 31-32 van zaakdossier 14). Een meldster had tijdens een bezoek aan de autogarage opgemerkt dat er een hennepplantage in de kelder aanwezig was. Tijdens een naar aanleiding van deze melding op 29 juli 2015 verricht onderzoek, hebben de verbalisanten in alle ruimten in het pand aan de [a-straat 2] te [plaats] gekeken. In het bijzijn en met toestemming van de verdachte hebben zij die dag ook alle niet verhuurde appartementen bekeken en met toestemming van de bewoners zijn ook alle verhuurde appartementen bekeken. Er werd door de politie echter geen hennepkwekerij aangetroffen en ook troffen zij geen kelders aan.
Het hof leidt uit voornoemd proces-verbaal af dat de politie op 29 juli 2015 - ondanks dat de meldster een melding had gemaakt over een hennepkwekerij in de kelder van de autogarage - geen onderzoek heeft verricht bij [bedrijf 1] gelegen aan de [a-straat 1] in [plaats] . De politie heeft op die dag blijkens de bevindingen enkel het pand aan de [a-straat 2] in [plaats] , alsmede alle daarbij behorende appartementen, onderzocht. Het onderzoek op 29 juli 2015 heeft dus plaatsgevonden op een ander adres dan waar de hennepkwekerij van de verdachte later is aangetroffen. Blijkens de bevindingen van de verbalisanten hebben zij tijdens het onderzoek op 29 juli 2015 geen kelder aangetroffen, maar wel bijbehorende appartementen. Die zijn er niet bij de garage. Het hof leidt daaruit af dat de verbalisanten zich niet - zoals door de raadsvrouw gesuggereerd - hebben vergist in de weergave van het adres, maar tijdens dit onderzoek niet bij [bedrijf 1] zijn geweest.
Blijkens het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij is op 17 mei 2016 de hier in geding zijnde doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd op het adres [a-straat 1] [plaats] , zijnde het adres van de autogarage die bij de verdachte in gebruik was. Vanuit de garage werden via een magazijn en een daarin gelegen afgesloten deur de kweekruimten waarin de hennepkwekerij zich bevond, bereikt. Dit was een voormalige woning die nu geheel ingericht was als hennepkwekerij met verschillende kweekruimten, waaronder een kweekruimte in de kelder.
Het hof trekt uit deze bevindingen de conclusie dat het onderzoek op 29 juli 2015 in het geheel niet heeft plaatsgevonden in de garage op nummer [...] . Het standpunt van de verdediging, in de kern inhoudende dat de hennepkwekerij van de verdachte op 29 juli 2015 nog niet bestond, omdat deze anders wel zou zijn aangetroffen door de verbalisanten, wordt om die reden dan ook verworpen.
De overige verweren van de verdediging met betrekking tot de tenlastegelegde periode en het aantal oogsten van de hennepkwekerij, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank.”
Het standpunt van de verdediging in hoger beroep houdt in dat op basis van het dossier slechts kan worden vastgesteld dat er één keer geoogst is (hetgeen moet leiden tot een kortere bewezen verklaarde periode). Ter onderbouwing van dit standpunt is de verdediging ingegaan de vijf factoren op grond waarvan de rechtbank was uitgegaan van (meerdere oogsten en) een langere teeltperiode en heeft, kort gezegd, van elk van deze factoren gesteld dat deze niet (zonder meer) redengevend is voor het bewijs en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten of niet zonder meer tot uitgangspunt kan worden genomen. Daarnaast heeft de verdediging twee indicatoren benoemd die beter zouden passen bij het scenario dat slechts één oogst heeft plaatsgevonden.
Hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof is van dit standpunt afgeweken, door de gehele ten laste gelegde pleegperiode bewezen te verklaren. Dit betekent dat het hof was gehouden op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt te responderen. De omvang van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat het hof bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet ingaan.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en zich daarmee verenigd met het oordeel dat de door de rechtbank in het vonnis benoemde feiten en omstandigheden “tezamen en in onderling verband bezien” tot de conclusie leiden dat wettig en overtuigend bewezen is dat de hennepteelt plaatsvond in de gehele ten laste gelegde periode. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht de feiten en omstandigheden die de rechtbank in aanmerking heeft genomen in onderlinge samenhang redengevend te achten voor het bewijs. Hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd heeft het hof niet tot een andere conclusie gebracht.
Het hof heeft op één onderdeel van de argumentatie van de verdediging gereageerd in een aanvullende overweging. Dit betreft de door de verdediging ingenomen stelling dat niet alle positieve netmeldingen te herleiden kunnen zijn tot [bedrijf 1] waar de hennepkwekerij is aangetroffen, omdat uit het procesdossier kan worden afgeleid dat op 29 juli 2015 een doorzoeking is verricht in (onder meer) het pand van [bedrijf 1] en daarbij geen hennepplantage is aangetroffen, zodat ervan uit moet worden gegaan dat de hennepkwekrij van de verdachte toen niet bestond. Anders dan de verdediging leidt het hof uit het procesdossier af dat de bedoelde doorzoeking in het geheel niet heeft plaatsgevonden in de garage op nummer [...] (maar alleen het pand op nummer [...] en de daarbij behorende appartementen). Daarmee heeft het hof het verweer van de verdediging op dit punt verworpen. Ten aanzien van de overige verweren van de verdediging heeft het hof overwogen dat deze hun weerlegging vinden in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank.
Voorafgaand aan de bespreking van het middel wijs ik op – in de woorden van A-G Aben – het probabilistische en holistische karakter van bewijs. De aanname dat bewijsmateriaal redengevend is voor het bewijsoordeel, vereist niet dat bewijsmateriaal hiervoor steeds een sluitende reden geeft. De enkele omstandigheid dat bewijsmateriaal een alternatieve mogelijkheid openlaat, behoeft de rechter er niet van te weerhouden om dat materiaal in aanmerking te nemen. Daarnaast is van belang dat bewijsmateriaal altijd moet worden beschouwd in onderling verband en samenhang. De redengevendheid van bewijsmateriaal dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Ter illustratie wijs ik er op dat over de “factor” van de berekening van Enexis door de verdediging is aangevoerd dat het hof niet “zonder meer” kan uitgaan van deze berekening. Hier zit de crux: het hof kan (en heeft) de berekening in samenhang met de andere factoren in de bewijsconstructie bezien.
Mijns inziens heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het is afgeweken van het standpunt van de verdediging. Daarbij is van belang dat de verdediging in hoger beroep steeds per door de rechtbank in aanmerking genomen “factor” de redengevendheid heeft betwist, kort gezegd, omdat er ook een andere verklaring voor de in aanmerking genomen feiten en omstandigheden kan zijn. Dit is alleen anders voor de netmetingen, waarvan de verdediging heeft gesteld dat (in ieder geval voor een deel van de positieve netmetingen) deze wel moeten zijn veroorzaakt door hoog stroomverbruik in een ander pand dan [bedrijf 1] . Op dit verweer heeft het hof gerespondeerd. Voor wat de overige factoren betreft geldt dat het hof, evenals de rechtbank, heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden “tezamen en in onderling verband bezien” de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van zes oogsten en dat deze in onderlinge samenhang dus wel redengevend zijn voor het bewijs. Gelet hierop, en op het beoordelingskader zoals hiervoor geschetst, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering, ook niet naar aanleiding van het ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Gelet op het voorgaande concludeer ik dat aan de uit art. 359 lid 2 Sv voortvloeiende responsieplicht is voldaan.
Het middel faalt.
3 Slotsom
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G