Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 24 maart 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 maart 2026
Datum publicatie
6 juli 2026
Zaaknummer
24/01698
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:713
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:713

  2. Hoge Raad · 7 juli 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1195

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01698

Zitting 24 maart 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

hierna: de verdachte

Inleiding

1. Na een integrale vrijspraak in eerste aanleg is de verdachte bij arrest van 22 april 2024 (parketnr. 21-002684-23) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27 lid 1 Sr. Verder heeft het hof beslissingen genomen over het beslag.

2. Het cassatieberoep is op 26 april 2024 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

3. De verdachte is bij vonnis van 22 mei 2023 vrijgesproken, onder meer op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat de pakketten die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen explosieven bevatten. Met name het NFI-rapport van 10 maart 2023 achtte de rechtbank daarvoor niet toereikend. Het hof acht daarentegen bewezen dat de verdachte explosieven voorhanden had. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het ‘tweede’ NFI-rapport van 14 november 2023.

4. Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vraag of de pakketten – naast de stof kaliumperchloraat – een brandstof bevatten. Met het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek tot aanvulling van het tweede NFI-rapport. Met het tweede middel wordt bestreden dat de bewijsvoering redengevend is voor het voorhanden hebben van explosieve stoffen.

De bewezenverklaring, de bewijsmotivering en het standpunt van de verdediging

5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij op 20 november 2022 te [plaats], gemeente [...] omstreeks 22:20 uur, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten

- de in artikel 157 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven ontploffing,

opzettelijk voorwerpen en stoffen, te weten verpakkingen met nieuwe regenkleding en een breekijzer en meerdere paren (nieuwe) werkhandschoenen en hoofdlampjes en bivakmutsen en twee nieuwe 9 volt batterijen en meerdere zwarte pakketten met explosieve stoffen, met daaraan bevestigd elektriciteitsdraad,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad”.

6. Deze bewezenverklaring berust onder meer op het ‘eerste’ en het ‘tweede’ NFI-rapport. Dat zijn achtereenvolgens:

“6. Het deskundigenrapport , Explosievenonderzoek naar aanleiding van de vondst van vermeende explosieve constructies in een taxi op de snelweg A12 nabij [plaats] op 20 november 2022, opgemaakt door [naam 1], werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 10 maart 2023, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Op 20 november 2022 werd op de A12 rechts ter hoogte van 116.0 te [plaats] een taxi gecontroleerd. In de auto werden onder andere drie pakketten met mogelijke explosieven aangetroffen. De Explosieve Opruimingsdienst heeft onderzoek verricht en heeft de pakketten tot ontploffing gebracht. De grondmonsters worden aangeboden voor vervolgonderzoek.

Toelichting: onderzoeksmateriaal [AAFI4072NL] betreft twee grondmonsters. Eén dat is genomen als controlemonster ('schone grond'), voordat de constructies door de EODD zijn ingegraven en door een gecontroleerde ontploffing zijn vernietigd. En één grondmonster ('detonatie grond ') die na die gecontroleerde ontploffing is genomen.

[afbeelding niet beschikbaar]

Perchloraat-ionen komen normaal gesproken niet in het milieu voor en kennen ook geen toepassingen in ‘huishoudelijke’ artikelen. Deze ionen kennen wel een relatie met een explosieve stof op basis van een perchloraat-verbinding. In de waterextracten van het grondmonster na de ontploffing zijn met IC-S/UV aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van perchloraat-ionen. Dit vormt een aanwijzing dat de ontplofte explosieve lading een perchloraat-verbinding bevat heeft. De aanwijzingen voor de aanwezigheid van sterk verhoogde concentraties chloride- en kaliumionen, vormen een aanwijzing dat deze perchloraat-verbinding het zout kaliumperchloraat is geweest.

Samengevat wijzen de analyseresultaten richting een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat.

7. Het deskundigenrapport , Explosievenonderzoek naar aanleiding van de vondst van vermeende explosieve constructies in een taxi op de snelweg A12 nabij [plaats] op 20 november 2022, opgemaakt door [naam 2], werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 14 november 2023, voor zover – zakelijk weergegeven –inhoudende:

Er zijn vanuit de IC-S/UV-analyseresultaten van het eerste onderzoek geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een specifieke brandstof. Dat betekent echter niet automatisch dat er geen brandstof met de kaliumperchloraat gemengd was in de pakketten. Op basis van het onderzoek kan alleen niet aangegeven worden welke brandstof aanwezig was. Om die reden wordt in de conclusie gesproken over ‘sporen van een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat'. Het overige met IC-S/UV gemeten ionenbeeld past namelijk wel bij het post-explosie sporenbeeld van een pyrotechnisch mengsel van kaliumperchloraat en een brandstof. In het bijzonder de hoge gehaltes kalium- en chloride-ionen in combinatie met de aanwezigheid van chloraat-ionen in een concentratie lager dan die van de perchloraat-ionen in het ‘vuile' grondmonster passen bij de reactieproducten die men verwacht van een pyrotechnisch mengsel bestaande uit hoofdzakelijk kaliumperchloraat en een brandstof.

Om de vraag te beantwoorden of de lading van één of meerdere van de met tape omwikkelde pakketten in de taxi nu wel of niet een explosieve lading bevatte, heb ik de volgende hypothese-set opgesteld:

Hypothese 1: Eén of meerdere van de met tape omwikkelde pakketten bevatte wel kaliumperchloraat maar geen brandstof.

Hypothese 2: Eén of meerdere van de met tape omwikkelde pakketten bevatte alleen kaliumchloride.

Hypothese 3: Eén of meerdere van de met tape omwikkelde pakketten bevatte een explosief mengsel op basis van kaliumperchloraat en een brandstof (al dan niet aluminium).

Door het NFI is in het verleden een experiment uitgevoerd waarbij een met tape omwikkeld pakket gevuld met alleen de stof kaliumperchloraat gecontroleerd tot ontploffing is gebracht door de EODD op een vergelijkbare wijze als de drie pakketten in deze zaak. Hetzelfde is gedaan voor een pakket met alleen kaliumchloride erin en voor een pakket met alleen flitspoeder erin. Vervolgens zijn de grondmonsters van voor en na het experiment geanalyseerd met IC-S/UV. Het sporenbeeld na de gecontroleerde ontploffing van een pakket met alleen kaliumperchloraat past absoluut niet bij het sporenbeeld dat is verkregen bij het eerder door het NFI uitgevoerde explosievenonderzoek. Ik verwerp dan ook hypothese 1.

Het met IC-S/UV verkregen ionenbeeld in het 'vuile’ grondmonster van [AAF14072NL] is veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Naast het chemisch sporenbeeld in het grondmonsters, geeft ook de opbouw van de drie pakketten in deze zaak aanwijzingen dat het constructies waren die daadwerkelijk tot ontploffing gebracht hadden kunnen worden.

Hoewel absolute zekerheid niet meer verkregen kan worden door het vernietigen van de pakketten door de EODD, acht ik op basis van alle verkregen aanwijzingen de kans dat het drie ‘echte bommen’ waren in de taxi hoog.

Kaliumperchloraat kent geen gangbare toepassingen voor alledaags gebruik c.q. huishoudelijk gebruik. Voor met tape omwikkelde pakketten met kaliumperchloraat erin en een elektrasnoer eraan, ken ik sowieso geen toepassingen.

De opbouw van de drie constructies is als volgt:

- Elke constructie bestond uit een langwerpig met verstevigde tape (type Duct) omwikkeld pakket. Op de röntgenopnamen is te zien dat de pakketten gevuld waren.

- De bruto gewichten van de drie tapepakketten (zonder elektrasnoer) zoals geregistreerd door de EODD waren: circa 510 gram (pakket 1), circa 702 gram (pakket 2) en circa 1370 gram (pakket 3).

- Bij constructie 1 was aan één zijde van het pakket één strook dubbelzijdige tape met een geel schutvel aanwezig (aangegeven in foto 1).

- Bij constructie 3 waren aan één zijde van het pakket drie stroken dubbelzijdige tape met een geel schutvel aanwezig (aangegeven in foto 5).

- Uit elk pakket stak een lang (tientallen meters) elektrasnoer met een zwarte isolatiemantel. Het lange elektrasnoer was opgerold en de rol werd bij elke constructie bij elkaar gehouden met twee witte touwtjes of elastiekjes.

- Op de röntgenopname van elk van de constructies was te zien dat binnenin het pakket met de lading, elke elektriciteitsdraad van het elektrasnoer was verbonden met een andere, dunnere draad (verbindingspunten aangegeven met gele cirkels in foto 's 2, 4 en 6). Deze dunnere draden kwamen tezamen bij een soort van langwerpige kop (eveneens aangegeven in foto 's 2, 4 en 6). De langwerpige kop op alle röntgenopnames herken ik als een gloeipil.

De beoogde werking van dergelijke explosieve constructies is als volgt.

- De explosieve lading in het met tape omwikkelde pakket bestaat doorgaans uit circa 250 tot 1500 gram flitspoeder. Een gloeipil die in het flitspoeder steekt dient als elektrische ontsteker.

- Het lange elektrasnoer waarmee de draden van de gloeipil zijn verlengd, is bedoeld om voor de gebruiker/plaatser van de explosieve constructie een veilige afstand te creëren op het moment van de beoogde ontploffing.

- Om de gloeipil te activeren – en zo een ontploffing te bewerkstelligen – dienen de koperen kernen van de beide draden aan het uiteinde van het elektrasnoer te worden gestript van hun kunststof mantel en tegen de polen van een energiebron te worden aangehouden.

Op van de contactpersoon van de politie verkregen foto's is te zien dat er in de taxi meerdere 9-Volt blokbatterijen zijn aangetroffen in ogenschijnlijk ongeopende verpakkingen. Een dergelijke 9-Volt blokbatterij is in principe geschikt als energiebron om een gloeipil te activeren.

Onder de aannames dat de lading van de pakketten inderdaad flitspoeder op basis van kaliumperchloraat en aluminiumpoeder betrof en alle onderdelen naar behoren functioneerden, treden bij een ontploffing effecten als hitte, kortstondige vuurverschijnselen (met felle witte flits) en een drukgolf met een zeer luide knal op. Bij een ontploffing van een dergelijk pakket met een hoeveelheid flitspoeder tussen de circa 450-1310 gram is materiële schade aan in de directe nabijheid aanwezige omgevingsmaterialen een gegeven. Er kan scherfwerking optreden van (delen van) deze omgevingsmaterialen, waarbij scherven met veel energie weggeslingerd worden. Dit vergroot de gevaarzetting voor personen en andere omgevingsmaterialen.

Het gevaar voor personen is sterk afhankelijk van waar de persoon zich bevindt ten tijde van de ontploffing:

- voor omstanders binnen een afstand van één tot enkele meters (in een vrije baan) is zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel door de drukgolf een gegeven;

- wanneer er sprake is van rondvliegende scherven en brokstukken van omgevingsmaterialen, is er tot op enkele tientallen meters afstand van de ontploffing (in een vrije baan) nog gevaar voor lichamelijk letsel tot dodelijk letsel;

- ook is er binnen tientallen meters gevaar voor (al dan niet permanente) gehoorschade.

Technisch gezien voldoen explosieve constructies aan de definitie van: “voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing”, zoals vermeld in artikel 2, lid 1, categorie II. 7° van de Wet wapens en munitie.”

7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2024 blijkt dat de raadsman heeft gepleit overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in:

“De verdediging heeft kennis genomen van het tweede NFI-rapport.

De hele opzet van het rapport is – aldus de verdediging – gericht op het afzwakken van de meest cruciale conclusie uit het eerste rapport: kaliumperchloraat is van zichzelf niet explosief.

Voor de rechtbank was die conclusie doorslaggevend om cliënt vrij te spreken. Immers er was geen bewijs voor het tenlastegelegde feit; de plofkraak of een van de andere feiten uit de tenlastelegging.

Heeft het tweede rapport nu het ontbrekende bewijs geleverd? Volgens de verdediging niet. Het bewijs dat de pakketten explosief waren wordt niet geleverd. Dit blijkt als er verschillende onderdelen uit het tweede rapport achter elkaar worden gelegd.

• Er zijn vanuit de IC-S/UV-analyseresultaten van het eerste onderzoek geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een specifieke brandstof. (blz. 5).

Opvallend bij dit gehanteerde uitgangspunt is dat er een verschil is met de vaststelling uit het eerste rapport. Immers de zinssnede 'geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een specifieke brandstof’ wijst er op dat er wel sprake is van een brandstof maar welke is niet aan te tonen.

In het eerste rapport staat: Er zijn vanuit de IC-S/UV resultaten geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een brandstof. (blz. 5 eerste rapport). Dat is een ander standpunt dan in het tweede rapport. Uit het standpunt van het eerste rapport volgt: er is geen brandstof. Dus blijft over: kaliumperchloraat is van zichzelf niet explosief.

• Als de grondmonsters deeltjes van (al dan niet geoxideerde) aluminiumpoeder bevatten, dan valt dit niet met een analysetechniek zoals IC-S/UV aan te tonen, (blz. 5)

Aluminiumpoeder wordt niet voor niets genoemd omdat dit, aldus het NFI, de meest gebruikte combinatie oplevert: flitspoeder.

• Het NFI beschikt ook niet over andere analyse-technieken waarmee deze aluminiumsporen in enkel en alleen grondmonsters aangetoond kunnen worden. (blz. 5)

De technische mogelijkheden zijn er niet.

• In vergelijkbare zaken waarbij nog een fysiek restant van de explosieve constructie in de grond aanwezig is, is het vaak wel mogelijk om aluminium(oxide)deeltjes met een elektronenmicroscoop hierop aan te tonen, omdat deze deeltjes vaak nog ruim aanwezig zijn op zo'n fysiek restant. In de grond raken dergelijke deeltjes echter zo verdund dat ze niet meer terug te vinden zijn met microscopie. (blz. 6)

In deze zaak of is misschien EOD-bewijs-ontploffing is er geen fysiek restant. Dus er is geen aluminiumoxide aangetoond.

Er kan in deze zaak met deze ontploffing door de EOD waarvoor ook een brandstof moet worden gebruikt niet – met uitsluiting van alle andere mogelijkheden – de aanwezigheid van een brandstof in de pakketten worden aangetoond. Wederom resteert: kaliumperchloraat is van zichzelf niet explosief.

Vervolgens gaat het NFI over naar de hypothese aanpak. Bij deze aanpak hoort wat mij betreft voor deze zaak de grote disclaimer uit het eerste NFI rapport: Er zijn vanuit de IC-S/UV resultaten geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een brandstof.

Ik zou bijna zeggen dan kun je zoveel hypothesen bedenken en naast elkaar leggen wat uitkomt, maar er is geen brandstof vastgesteld. Wederom resteert: kaliumperchloraat is van zichzelf niet explosief.

Als u de weg opgaat van het gebruik van de aanname dan wel verwerping van de opgestelde hypothesen als bewijsmiddel dan verzoekt de verdediging tot aanvulling van het tweede NFI-rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het op blz. 6 genoemde experiment van het NFI. Immers dit experiment is de basis waarop de deskundige zijn opgestelde hypothesen toetst. Deze bias is voor de verdediging en ook voor u, niet bekend en is mitsdien ook niet te controleren. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat de IC-S/UV de grondmonsters zijn geanalyseerd terwijl die methode nu juist niet geschikt was om de brandstof aan te tonen, aldus het NFI rapport 1 en 2.

Wat dat betreft is het aannemen van de ‘veel waarschijnlijker’-status een hele lastige exercitie. Veel waarschijnlijker tegenover ‘er zijn vanuit de IC-S/UV resultaten geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een brandstof’.

Dat is voor mij geen basis om te komen tot een bewezenverklaring.

Conclusie: vrijspraak en dus bevestiging van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 22 mei 2023.”

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 april 2024 houdt onder meer in:

“De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, die per e-mailbericht aan de griffier is toegezonden, aan het dossier is toegevoegd en in kopie aan dit proces-verbaal is gehecht en voegt daar het volgende aan toe:

Het is jammer dat de onderzoeksvragen die het openbaar ministerie aan het NFI heeft gesteld geen deel uitmaken van het dossier. De onderzoeksvragen die zijn opgenomen in de rapportage, lijken te zijn geherformuleerd door het NFI. Het lijkt erop dat in het tweede rapport is toegewerkt naar de conclusie, op basis van de gedachte ‘If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck '. Ik verzoek, als uw hof het rapport of de daarin genoemde hypothesen als bewijsmiddel gebruikt, tot aanvulling van het tweede NFI-rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het op pagina 6 van dat rapport genoemde experiment van het NFI. Blijkbaar heeft een experiment plaatsgevonden, maar dat experiment is op basis van dit rapport voor de verdediging niet te controleren of te toetsen. Ik zou graag vragen formuleren voor een eigen deskundige.

De voorzitter merkt op:

U stelt dat sprake is van een tegenstelling tussen het eerste en tweede NFI-rapport en dat de zin uit het eerste rapport "Er zijn vanuit de IC-S/UV resultaten geen duidelijke aanwijzingen te herleiden voor een brandstof” niet mag worden opgevat als dat er geen "specifieke" brandstof is aangetroffen. In dat eerste rapport staat echter ook dat “aanwijzingen [zijn] verkregen voor de aanwezigheid van sporen van een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat”. Hoe verhoudt zich dat bij uw standpunt dat sprake van een tegenstelling?

De raadsman antwoordt:

Die tweede passage heb ik ook gezien. Voor mijn standpunt doe ik echter een beroep op de eerste zin die u voorhoudt.

De advocaat-generaal repliceert als volgt:

In het nieuwe NFI rapport wordt uitgelegd dat de stelling over de afwezigheid van een brandstof, niet betekent dat er geen brandstof in de pakketten heeft gezeten. Ik acht het door de raadsman gevraagde aanvullende onderzoek niet noodzakelijk. In het rapport is duidelijk uiteengezet waar het eerdere experiment uit heeft bestaan en waarom dat onderzoek in dit geval relevant is. Ik zie daarin geen bias. Het NFI kan kennelijk aan de hand van het sporenbeeld herleiden of er een brandstof bij zat. Dat kan niet op basis van technisch onderzoek, maar wel door de concentratie van de overgebleven stoffen te meten.”

9. Het hof heeft onder meer het volgende overwogen over het bewijs:

“Op 20 november 2022 gaf de politie op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 116 een Volkswagen Passat voorzien van een Nederlands kenteken – [kenteken] – en blauwe taxiplaten een stopteken. In deze auto bevond zich één persoon, te weten verdachte. De auto werd gecontroleerd en in de auto werden op de achterbank meerdere verpakkingen met nieuwe regenkleding, een breekijzer, meerdere paren (nieuwe) werkhandschoenen, hoofdlampjes en bivakmutsen aangetroffen. Ook lagen in de auto een verpakking met twee 9-volt-batterijen. In de kofferruimte lag in een grote witgekleurde tas, waarin drie zwarte pakketten zaten, geheel omwikkeld met zwarte tape en voorzien van dubbelzijdige bevestigingstape, met daaraan bevestigd elektriciteitsdraad.

Verdachte heeft zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij op de bewuste dag onderweg was naar Duitsland, dat hij een ritje aangeboden had gekregen van iemand die hem op straat had benaderd, dat hij in de tussentijd onderweg was naar een vriendin en dat de tas met pakketten buiten zijn weten in de auto terecht is gekomen. Verdachte heeft daarbij gezegd dat hij bij zijn eerdere verklaring blijft. Bij zijn staandehouding en bij de behandeling van de vordering gevangenhouding door de rechtbank heeft verdachte verklaard dat hij op weg was naar een vriendin.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat verdachte spullen voorhanden heeft gehad die onmiskenbaar waren bestemd tot het plegen van een plofkraak. Mede gelet op de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) van 10 maart 2023 en 14 november 2023 kan worden vastgesteld dat de zwarte pakketten die bij verdachte in de auto zijn aangetroffen explosieve stoffen bevatten. De pakketten waren naar alle waarschijnlijkheid werkzame explosieven, die alleen nog ontstoken dienden te worden, en derhalve gebruiksklaar waren. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd over het voorhanden hebben van die goederen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat – overeenkomstig de redenering van de rechtbank – niet kan worden vastgesteld dat de pakketten explosieven bevatten, omdat er geen brandstof is vastgesteld en kaliumperchloraat van zichzelf niet explosief is. Het tweede NFI rapport biedt ook niet het bewijs dat de pakketten explosieven bevatten. Bovendien kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat de aangetroffen goederen naar uiterlijke verschijningsvorm bestemd waren ter voorbereiding van een plofkraak en dat het opzet van verdachte daarop was gericht.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt in het bijzonder als volgt. (…)

Ten aanzien van de explosieve stoffen

Anders dan de rechtbank en de verdediging, is het hof van oordeel dat de drie zwarte pakketten die in de door verdachte bestuurde auto zijn aangetroffen, explosieve stoffen hebben bevat.

De pakketten zijn door de EOD gecontroleerd tot ontploffing gebracht. Zowel voorafgaand aan de ontploffing als na afloop daarvan zijn monsters van de grond genomen, welke door het NFI zijn onderzocht. Daarbij zijn perchloraat-ionen gevonden in de grond na de ontploffing, wat een aanwijzing is dat de ontplofte lading een perchloraatverbinding bevat heeft. Het NFI heeft in het rapport van 14 november 2023 nadrukkelijk als kanttekening bij het (eerste) onderzoek geplaatst dat het feit dat er vanuit de IC-S/UV resultaten geen duidelijke aanwijzingen zijn te herleiden voor een specifieke brandstof, niet zegt dat er geen brandstof was, maar dat er op basis van het onderzoek alleen niet worden aangegeven welke brandstof aanwezig was, en dat het overige met IC-S/UV gemeten ionenbeeld wel past bij het post-explosie sporenbeeld van een pyrotechnisch mengsel van kaliumperchloraat en een brandstof. Het NFI heeft het in de onderhavige zaak verkregen sporenbeeld afgezet tegen sporenbeelden die zijn verkregen middels eerdere experimenten en mede op grond daarvan de hypothese dat de onderhavige pakketten enkel kaliumperchloraat (en geen brandstof) bevatten verworpen. Volgens het NFI is het aangetroffen sporenbeeld in het grondmonster veel waarschijnlijker als de pakketten een explosief mengsel op basis van kaliumperchloraat en een brandstof hebben bevat dan wanneer de pakketten alleen kaliumchloride hebben bevat.

Gelet op die bevindingen alsook de omstandigheden dat de pakketten volledig met tape waren omwikkeld en dat daarin, zoals hierna onder het kopje ‘ten aanzien van de bestemming’ nog nader wordt overwogen, een elektriciteitsdraad met een zogenoemde gloeipil was aangebracht, stelt het hof vast dat het ging om pakketten die klaar voor gebruik waren en dat zich in die pakketten ook een brandstof heeft bevonden, en in de pakketten dus explosieve stoffen hebben gezeten.

Ten aanzien van de bestemming

Naar het oordeel van het hof waren de zwarte pakketten met explosieve lading en de overige in de tenlastelegging genoemde voorwerpen, die allen zijn aangetroffen in de auto waar verdachte in reed, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, gezamenlijk en in onderling verband gezien, bestemd voor het plegen van een misdrijf en wel het teweegbrengen van een ontploffing, zoals het plegen van een plofkraak of het veroorzaken van een andersoortige explosie. In dat verband is redengevend dat kaliumperchloraat geen gangbare toepassingen voor alledaags gebruik c.q. huishoudelijk gebruik kent. Daar komt bij dat op twee van de drie pakketten dubbelzijdig tape aan de buitenzijde was bevestigd, met schutvel, kennelijk om de betreffende pakketten ergens op of aan te kunnen bevestigen. Terwijl voorts aan alle drie de pakketten een meterslange elektriciteitsdraad was bevestigd, waarbij - zo is te zien op de röntgenopnamen van de pakketten – die elektriciteitsdraad doorloopt tot diep in het pakket en in het pakket het eind van elke draad steeds uitkwam in twee andere draden met een dunne kop, overeenkomend met een gloeipil. De 9-Volt-batterijen die tevens bij verdachte in de auto zijn aangetroffen, zijn geschikt voor het activeren van een dergelijke ontsteker met gloeipil, om explosieve ladingen tot ontploffing te kunnen brengen. Er was dus sprake van het voorhanden hebben van gebruiksklare explosieven. Dat in combinatie het voorhanden hebben van bivakmutsen, regenpakken en handschoenen – voorwerpen die, in die combinatie, bij het plegen van misdrijven worden gebruikt voor het voorkomen van herkenning of achterlaten van sporen – brengt het hof tot het oordeel dat dit voorhanden hebben plaatsvond met het hiervoor beschreven misdadige doel.”

10. Het hof heeft het verzoek van de verdediging tot aanvulling van het tweede NFI-rapport als volgt samengevat en verworpen:

“Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft verzocht – ingeval het hof gebruik zou maken van de aanname dan wel verwerping van de in het NFI-rapport van 14 november 2023 opgestelde hypothesen als bewijsmiddel – tot aanvulling van het tweede NFI-rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het op pagina 6 van dat rapport genoemde experiment van het NFI.

De advocaat-generaal heeft zich gemotiveerd verzet tegen toewijzing van het verzoek.

Het hof zal het verzoek beoordelen aan de hand van het noodzaakscriterium. Het hof wijst het verzoek af. Gelet op de onderbouwing van het verzoek, waaruit geenszins blijkt dat de gebezigde onderzoeksmethode en/of de resultaten van het onderzoek worden betwist, is het hof de noodzaak van het verzoek niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.”

Een analyse van het bewijs dat de pakketten een explosieve stof bevatten

11. Het is voor de bespreking van de middelen nuttig om andermaal stil te staan bij de wijze waarop het hof de vaststelling dat de voorhanden pakketten een explosieve stof bevatten heeft gemotiveerd.

12. Het eerste rapport wijst uit welk forensisch onderzoek het NFI heeft verricht naar de chemische samenstelling van de inhoud van de pakketten. Uit veiligheidsoverwegingen heeft de EOD de onderwerpelijke pakketten op gecontroleerde wijze tot ontploffing gebracht. Vóór de explosie is een grondmonster genomen met het oog op de vergaring van controlemateriaal (‘schone grond’), terwijl ná de explosie een grondmonster is genomen dat representatief is voor ‘vuile grond’ of ‘detonatiegrond’. Waterextracten van deze grondmonsters zijn onderzocht door middel van een chemische analyse (ion-chromatografie). Uit de verschillen tussen de daarbij gemeten ionenbeelden van vóór en ná de explosie is afgeleid wat van deze explosie residuen zijn, alsook (grofweg) in welke concentraties en in welke verhoudingen. Uitsluitend in het chemisch sporenbeeld van detonatiegrond zijn aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van perchloraat-ionen. Die komen niet van nature voor in het milieu en kennen ook geen toepassingen in huishoudelijke artikelen. Zij zijn wel bekend in relatie met een explosieve stof op basis van een perchloraat-verbinding. Dit vormt een aanwijzing dat de ontplofte lading een perchloraat-verbinding bevatte. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van sterk verhoogde concentraties chloride- en kaliumionen, wijzen erop dat deze perchloraat-verbinding het zout kaliumperchloraat is geweest, aldus het eerste rapport. Samengevat wijzen de analyseresultaten richting een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat.

13. Het tweede NFI-rapport behelst géén nieuwe analyseresultaten. Voor zover voor het bewijs gebruikt, bestaat het tweede NFI-rapport in essentie uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel betreft een verduidelijking van een mededeling in het eerste rapport (p. 5), te weten dat uit de resultaten van de chemische analyse “geen duidelijke aanwijzingen [zijn] te herleiden voor een brandstof.” Het tweede rapport licht toe: “Dat betekent echter niet automatisch dat er geen brandstof met de kaliumperchloraat gemengd was in de pakketten. Op basis van het onderzoek kan alleen niet aangegeven worden welke brandstof aanwezig was. Om die reden wordt in de conclusie gesproken over ‘sporen van een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat'.”

14. Het tweede onderdeel van het tweede NFI-rapport betreft een herformulering van de conclusie van het eerste NFI-rapport. Die herformulering volgt een Bayesiaans redeneerschema, waarbij drie elkaar uitsluitende hypothesen over de samenstelling van de inhoud van de pakketten zijn opgesteld en de vraag is beantwoord bij welke van die drie hypothesen het waargenomen post-explosie-sporenbeeld het beste past. Ter staving van deze evaluatie, verwijst de rapporteur naar een eerder door het NFI uitgevoerd experiment waarbij – op een vergelijkbare wijze als bij de pakketten in de voorliggende zaak – door de EOD drie pakketten gecontroleerd tot ontploffing zijn gebracht. Corresponderend met de drie hiervoor bedoelde hypothesen, betrof de lading van de pakketten in het experiment: (1) alleen kaliumperchloraat, (2) alleen kaliumchloride en (3) alleen flitspoeder (dat betreft een mix van kaliumperchloraat en een brandstof als aluminiumpoeder). Vervolgens zijn grondmonsters van vóór en ná de ontploffingen chemisch geanalyseerd. De daarmee verkregen chemische sporenbeelden zijn gebruikt voor vergelijkingen met het post-explosie-sporenbeeld in de voorliggende zaak.

15. Volgens het tweede rapport stemt dit post-explosie-sporenbeeld niet overeen met het chemisch sporenbeeld dat ontstaat na de gecontroleerde ontploffing van een pakket indien dat alleen kaliumperchloraat bevat (hypothese 1). Het post-explosie-sporenbeeld past minder goed wanneer de pakketten alleen kaliumchloride bevatten (hypothese 2), terwijl “in het bijzonder de hoge gehaltes kalium- en chloride-ionen in combinatie met de aanwezigheid van chloraat-ionen in een concentratie lager dan die van de perchloraat-ionen in het ‘vuile' grondmonster passen bij de reactieproducten die men verwacht van een pyrotechnisch mengsel bestaande uit hoofdzakelijk kaliumperchloraat en een brandstof” (hypothese 3). De rapporteur verwerpt zodoende hypothese 1 en acht het ionenbeeld van het 'vuile’ grondmonster veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

16. Het derde onderdeel van het tweede NFI-rapport bevat een beschrijving van de constructie van de onderwerpelijke pakketten (met inbegrip van een lang elektrasnoer dat binnen in het pakket is verbonden aan een gloeipil). Het rapport geeft een functionele interpretatie van die constructie, met als conclusie: “Naast het chemisch sporenbeeld in het grondmonsters, geeft ook de opbouw van de drie pakketten in deze zaak aanwijzingen dat het constructies waren die daadwerkelijk tot ontploffing gebracht hadden kunnen worden.” De rapporteur voegt daaraan toe: “Voor met tape omwikkelde pakketten met kaliumperchloraat erin en een elektrasnoer eraan, ken ik sowieso geen [bedoeld is: geen andere dan pyrotechnische] toepassingen.” Met dit derde onderdeel geeft de rapporteur in wezen te kennen dat – afgezien van het resultaat van onderzoek naar de chemische samenstelling van de lading – de aanwezigheid van een ontstekingsmechanisme in de pakketten een aanwijzing vormt voor de functie (bestemming) van die pakketten.

Het eerste middel

17. De verdediging heeft ter terechtzitting voorwaardelijk verzocht om aanvulling van het tweede NFI-rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het door het NFI uitgevoerde experiment. Thans wordt geklaagd dat het hof dit verzoek op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

18. In de toelichting op het middel wordt onder meer het volgende gesteld:

“Art. 6, eerste lid, gecombineerd met het derde lid onder b) en d) van het EVRM kan meebrengen dat als van de zijde van het openbaar ministerie tegen een verdachte bepaald deskundigenonderzoek wordt ingebracht dat zo specialistisch van aard is dat dezelfde deskundigheid nodig is om (de grondslagen en methoden van) dat onderzoek en de resultaten daarvan te kunnen begrijpen en tot het voeren van verweer daartegen in staat te zijn, de verdachte, op gelijke wijze als het openbaar ministerie, de gelegenheid moet worden geboden om met behulp van een eigen deskundige aannemelijk te maken dat en waarom het onderzoek en de resultaten daarvan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet kunnen dragen. (…) Mede gelet op het gewicht dat het aanvullende NFI-rapport in de bewijsvoering in hoger beroep heeft (…) alsook het feit dat de rechter zelf in deze evenmin deskundig geacht kan worden te zijn en aldus geen compenserende factor kan vormen als het gaat om de interpretatie van de resultaten van het onderzoek dat aan het aanvullende NFI-rapport ten grondslag ligt (…), had het (…) hof het verzoek niet mogen afwijzen zonder daarbij mede te betrekken het recht van de verdachte op een eerlijk proces, meer in het bijzonder het recht om op gelijke wijze als het openbaar ministerie en met de daartoe benodigde faciliteiten de verdediging te kunnen vormgeven. Daar komt bij dat de motivering die het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft gegeven onbegrijpelijk is. (…) Anders dan het hof overweegt, heeft de verdediging de onderzoeksmethode en onderzoeksresultaten namelijk wél ter discussie gesteld. (…) Daarnaast heeft de verdediging ook meer in zijn algemeenheid gesteld dat in het aanvullende rapport “het bewijs dat de pakketten explosief waren niet wordt geleverd”. Een en ander kan derhalve wel degelijk worden beschouwd als een betwisting van de onderzoeksmethoden/resultaten van dat onderzoek.”

De bespreking van het eerste middel

19. Het ter terechtzitting in hoger beroep gedane (voorwaardelijke) verzoek tot “aanvulling van het tweede NFI-rapport met de volledige onderzoeksopzet en de resultaten van het op blz. 6 genoemde experiment van het NFI” is een verzoek als bedoeld in artikel 328 juncto artikel 331 Sv in verbinding met artikel 315 lid 1 Sv. Maatstaf voor de beoordeling van een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.

20. Ik wijs erop dat het verzoek van de verdediging uitsluitend betrekking heeft op het tweede onderdeel van het tweede NFI-rapport, en niet op het eerste NFI-rapport en evenmin op het eerste en het derde onderdeel van het tweede NFI-rapport. De raadsman bracht immers naar voren: “Als u de weg opgaat van het gebruik van de aanname dan wel verwerping van de opgestelde hypothesen als bewijsmiddel dan verzoekt de verdediging tot aanvulling van het tweede NFI-rapport met (…)”. Op zichzelf heeft het hof – door “deze weg op te gaan” en het tweede NFI-rapport ook in zoverre voor het bewijs te gebruiken – de aan het verzoek gestelde voorwaarde vervuld. Het hof heeft echter aan het tweede onderdeel van het tweede NFI-rapport in de bewijsvoering een bescheiden rol toebedeeld. Dat onderdeel betreft slechts de herformulering van een conclusie die reeds in het eerste rapport – op basis van de resultaten van een chemische analyse – is getrokken en in het tweede rapport, eerste onderdeel, is verduidelijkt.

21. In dat licht bezien acht ik het oordeel van het hof dat uit de onderbouwing van het verzoek tot aanvulling van het tweede NFI-rapport “geenszins blijkt dat de gebezigde onderzoeksmethode en/of de resultaten van het onderzoek worden betwist”, waardoor de noodzaak van het verzoek niet is gebleken, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.

22. De cassatieklacht is (tevens) geplaatst in de sleutel van artikel 6 lid 1 en lid 3 sub b en d EVRM. Ik onderschrijf de opvatting van de steller van het middel dat het thans besproken verzoek tot aanvulling van een voor het bewijs gebruikt deskundigenrapport door deze verdragsbepaling wordt bestreken. Niettemin geeft ’s hofs oordeel, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, m.i. geen blijk van miskenning van die bepaling.

23. Allereerst wijs ik nogmaals op de bescheiden rol van het tweede onderdeel van het tweede NFI-rapport, waarop het verzoek betrekking heeft. Dit onderdeel van het tweede NFI-rapport kan uit de bewijsvoering worden weggedacht, zonder haar onbegrijpelijk te maken.

24. Mogelijk moet de toelichting op het middel in de tweede plaats zo worden gelezen dat daarin wordt geklaagd dat het forensische onderzoek “zo specialistisch van aard is dat dezelfde deskundigheid nodig is om (de grondslagen en methoden van) dat onderzoek en de resultaten daarvan te kunnen begrijpen en tot het voeren van verweer daartegen in staat te zijn” en dat het hof daarom “het verzoek niet [had] mogen afwijzen zonder daarbij mede te betrekken het recht van de verdachte op een eerlijk proces, meer in het bijzonder het recht om op gelijke wijze als het openbaar ministerie en met de daartoe benodigde faciliteiten de verdediging te kunnen vormgeven”.

25. In het oordeel van het hof ligt evenwel besloten dat uit de omstandigheid dat de raadsman uitgebreid en met inhoudelijke argumenten verweer heeft gevoerd tegen de inhoud van het tweede NFI-rapport, en daarbij in geen enkel opzicht te kennen heeft gegeven dat hij dit niet heeft begrepen, blijkt dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM niet door de afwijzing van het verzoek is geschonden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

26. Het middel faalt.

Het tweede middel

27. In het middel wordt – kort gezegd – geklaagd dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van “meerdere zwarte pakketten met explosieve stoffen”, nu uit die bewijsvoering niet kan volgen dat de drie in beslag genomen pakketten (ook) brandstof bevatten, nu de vaststelling door het hof van de aanwezigheid van (ook) brandstof daarin op grond van de conclusie van de deskundige onbegrijpelijk is en/of niet voldoende met redenen is omkleed, terwijl de inhoud van de deskundigenrapporten niet toereikend is voor de door het hof getrokken conclusie dat de pakketten daadwerkelijk, naast kaliumperchloraat, een voor ontploffing noodzakelijke brandstof bevatten. Met deze klachten vecht de steller van het middel de redengevendheid van de door mij onder de randnummers 14, 15 en 16 weergegeven onderdelen van de bewijsvoering aan.

28. Wat mij betreft is dat tevergeefs. Het hof heeft het derde onderdeel van het tweede NFI-rapport (zie randnummer 16) begrepen en ook kunnen begrijpen als de mededeling dat, nog afgezien van de samenstelling, a priori de opbouw van de pakketten (met inbegrip van een daarin aangebracht ontstekingsmechanisme) al een aanwijzing is dat het om explosieven gaat. Daarbovenop komt dat het NFI in het eerste rapport concludeerde dat de resultaten van de daarin omschreven analyse (zie randnummers 12 en 13) wezen in de richting van een explosieve lading op basis van in ieder geval kaliumperchloraat. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof deze conclusie van het NFI betrouwbaar acht en aan het bewijs ten grondslag heeft gelegd. Met het tweede onderdeel van het tweede NFI-rapport geeft het NFI bovendien te kennen dat de analyseresultaten (in mijn woorden) veruit het beste worden verklaard door de derde van de drie hypothesen, en die houdt in dat de pakketten waren gevuld met kaliumperchloraat (als oxidator) en een brandstof (als reductor). Dat het hof hieraan de gevolgtrekking heeft verbonden dat de onder de verdachte veiliggestelde pakketten een explosieve stof bevatten, is niet onbegrijpelijk. Hierop stuiten alle klachten af.

Slotsom

29. De middelen falen.

30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Met weglating van de in bewijsmiddel 7 opgenomen foto’s en röntgenopnames van de aangetroffen pakketten. Zie p. 14 in het tweede NFI-rapport of het als bewijsmiddel 7 gebezigde tweede NFI-rapport, bijna aan het einde. Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2250, NJ 2006/34 m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3. Ik wijs in dit verband ook op HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, NJ 2026/47, rov. 2.3.6.