Strafrecht overig

Conclusie AG. Profijtontneming. Kon het hof w.v.v. uit vennootschap onder firma toerekenen aan firmant?…

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
16 augustus 2026
Zaaknummer
24/03822
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:777
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie AG. Profijtontneming. Kon het hof w.v.v. uit vennootschap onder firma toerekenen aan firmant? Conclusie strekt tot verwerping cassatieberoep. Samenhang met 24/03921 en 24/03922.

Conclusie

Inhoudsopgave

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03822 P

Zitting 18 augustus 2026

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[betrokkene 1] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 oktober 2024 (parketnr. 20-001988-22) het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 augustus 2022 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde betalingsverplichting, en onder aanvulling van gronden. Bij dat vonnis is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 22.250,-. Aan de betrokkene is door het hof een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 19.000,-.

2. Er bestaat samenhang met de zaken 24/03921 en 24/03922. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het cassatiemiddel

4. De klacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, het wederrechtelijk verkregen voordeel van de vennootschap onder firma [A] , te weten voor de helft van het aankoopbedrag van de Jeep Grand Cherokee, heeft toegerekend aan de betrokkene. Daartoe wordt aangevoerd dat het enkele feit dat de betrokkene één van de twee vennoten was niet zonder meer meebrengt dat hij persoonlijk voordeel heeft genoten.

De grondslag en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover van belang, het volgende in:

“4.1Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

(…)

Ontneming op grond van 36e, lid 3 Sr

De rechtbank is van oordeel dat ontneming wel mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 36e, lid 3 Sr. Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van deze bepaling is vereist dat betrokkene in de hoofdzaak is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Betrokkene is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III op 30 november 2011. Dit betreft een misdrijf waarvoor krachtens artikel 55, lid 3 van de Wet wapens en munitie een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit feit kan dus als grondslag dienen voor het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel "indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Dat dit feit op zichzelf geen voordeel heeft opgeleverd, doet hier niet aan af. Het voordeel kan ook uit andere strafbare feiten afkomstig zijn.

In artikel 36e, lid 3, onder b, is bepaald: “In dat geval kan ook worden vermoed dat voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt." Het is dan aan de veroordeelde om aannemelijk te maken dat aan die verkrijging een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.

Feiten

In het bedrijfspand van [A] werden onder meer een Jeep Grand Cherokee en twee Harley Davidson motoren in beslag genomen. De Jeep is volgens een inkoopnota op 2 november 2011 door [A] gekocht voor € 17.500,-. De aankoop van de Jeep voor € 17.500,00 op 2 november 2011 is niet verwerkt in de kasadministratie. Uit onderzoek van de kasadministratie kwam naar voren dat er op dat moment een negatief kassaldo was.

De beide motoren zijn niet terug te vinden in de (administratieve) voorraad van [A] . [betrokkene 2] heeft hierover verklaard dat beide motoren privé zijn gekocht voor ongeveer € 13.500,- per stuk. Bij de rechter-commissaris verklaarde [betrokkene 2] dat de ene motor op zijn naam is gezet, de andere motor op naam van zijn zoon (betrokkene) en dat hij beide motoren heeft betaald. Betrokkene verklaarde bij de politie dat een motor van hem is, de andere van zijn vader en dat hij er € 13.500,- voor heeft betaald. Bij de rechter-commissaris verklaarde hij dat hij niet meer wist of hij betaald had en dat zijn vader dat had geregeld.

Kijkend naar de bedrijfsadministratie en de verklaringen van betrokkene en [betrokkene 2] dat zij geen privévermogen hebben, in samenhang bezien met het aantreffen van meerdere dure voertuigen, acht de rechtbank het aannemelijk dat er voordeel uit andere feiten is verkregen. De rechtbank is van oordeel dat de Jeep en de motoren voorwerpen zijn als bedoeld in artikel 36e, lid 3, onder b, waarvan kan worden vermoed dat ze wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de Jeep en de motoren zijn gefinancierd middels gelden met een legale herkomst. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier komt naar voren dat uit de bedrijfsadministratie blijkt dat het administratieve kasgeld onvoldoende was om de Jeep in te kopen met gelden uit het eigen bedrijf. De verklaringen van betrokkene en [betrokkene 2] over de herkomst van het geld voor de aankoop van de motoren zijn wisselend, maar voor de rechtbank staat vast dat dit in ieder geval niet uit het bedrijf afkomstig kon zijn. Ook van enig privévermogen waarmee de aankoop gefinancierd kan zijn is niet gebleken, nu betrokkene heeft aangegeven geen privévermogen te hebben en [betrokkene 2] heeft verklaard wel wat spaargeld te hebben maar dat hij daarvan moest leven. Dat het bedrag, zoals bij de rechter-commissaris door betrokkene is verklaard, afkomstig was uit een lening bij familie, is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank acht deze verklaring dan ook niet aannemelijk. Ook de verklaring van [betrokkene 2] over een lening uit Dubai acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het gerechtshof in de strafzaak tegen [betrokkene 2] , waarin is overwogen dat de verklaring met betrekking tot de geldlening in Dubai als ongeloofwaardig moet worden bestempeld.

Nu niet aannemelijk is dat de aankoop van de Jeep en de twee motoren is gefinancierd middels een legale bron van herkomst, wordt vermoed dat deze aankopen wederrechtelijk verkregen voordeel vormen.

Wederrechtelijk voordeel dat ook aan betrokkene kan worden toegerekend. De Jeep stond op naam van het bedrijf waarvan betrokkene en [betrokkene 2] de vennoten waren. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat de helft van het aankoopbedrag van de Jeep (€ 17.500,-) aan betrokkene kan worden toegerekend. De rechtbank gaat ervan uit dat een van de twee motoren (inkoopprijs € 13.500,-) aan betrokkene toebehoorde. Het wederrechtelijk verkregen voordeel voor betrokkene bedraagt dus € 22.250,-.

Conclusie

Gelet op bovenstaande overwegingen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat er is voldaan aan de vereisten van artikel 36e, lid 3 Sr en kan het wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen. Zij zal het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op € 22.250,-.”

6. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel overgenomen. Onder ‘Aanvulling en verbetering van gronden’ heeft het hof hieraan geen nadere inhoudelijke overwegingen gewijd.

Vaststellingen die in cassatie tot uitgangspunt kunnen worden genomen

7. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Uit de cassatieschriftuur valt op te maken dat het bedrijf [A] wordt gedreven door een vennootschap onder firma. De rechtbank overweegt echter (slechts) dat de betrokkene en zijn vader samen “de vennoten” van [A] zijn. Hoewel de rechtsvorm van [A] daarmee nog niet met zekerheid vaststaat, zal ik omwille van de argumentatie de steller van het middel volgen en van hem aannemen dat [A] wordt gedreven door een vennootschap onder firma.

8. In het bedrijfspand van [A] werd onder meer een Jeep Grand Cherokee in beslag genomen. De Jeep is volgens een inkoopnota op 2 november 2011 door [A] gekocht voor € 17.500,-. Het kenteken van de Jeep stond bij de RDW geregistreerd op naam van [A] . Hoewel de rechtbank dat niet met zoveel woorden heeft vastgesteld, ga ik ervan uit dat de Jeep tot het vennootschapsvermogen (de goederengemeenschap) van de firma [A] behoort. Dat neemt de steller van het middel kennelijk ook tot uitgangspunt.

9. Verder heeft de rechtbank - in cassatie onweersproken - geoordeeld dat de Jeep een voorwerp is als bedoeld in artikel 36e lid 3 onder b Sr, waarvan kan worden vermoed dat het wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt.

De klacht van het middel

10. De steller van het middel betoogt dat (wederrechtelijk) voordeel dat aan een onderneming toebehoort alleen onder bepaalde condities kan worden ontnomen bij degene die in die onderneming participeert. Voor ontneming van dit voordeel is vereist, zo begrijp ik de steller van het middel, hetzij dat de ontnemingsrechter uitdrukkelijke vaststellingen doet die de ‘vereenzelviging’ van het vermogen van de onderneming met het vermogen van de participant wettigen, hetzij vaststelt dat de tussenkomst van de onderneming slechts als een schijnhandeling (simulatie) kan worden aangemerkt en dat het voordeel in werkelijkheid is toegekomen aan de participant. De motiveringsklacht van het middel luidt dat de rechtbank heeft verzuimd dergelijke vaststellingen te doen.

Kader I: ontneming van rechtspersoonlijk voordeel bij een bestuurder c.q. aandeelhouder

11. Voor een beter begrip van de discussie, schets ik de grote lijnen van de juridische verhandeling waaruit de steller van het middel in zijn schriftuur citeert. Hierbij spreek ik uitdrukkelijk alleen over de rechtspersoon (waarbij ik een kapitaalvennootschap als een nv of een bv op het oog heb). Verderop bespreek ik de vraag of deze beschouwingen (onverkort) opgaan voor de vennootschap onder firma (een personenvennootschap).

12. De hoofdregel van artikel 2:5 BW, dat wil zeggen: de vermogensrechtelijke gelijkstelling van rechtspersonen met natuurlijke personen, brengt mee dat een als rechtspersoon erkend rechtssubject voor wat betreft het vermogensrecht als zelfstandige drager van rechten en plichten deelneemt aan het maatschappelijk verkeer en dientengevolge beschikt over een eigen vermogen. De rechtspersoon is in volle omvang eigenaar van zijn vermogensbestanddelen. De (natuurlijke of rechts-)personen die het beleid van de rechtspersoon kunnen bepalen en/of tot het vermogen ervan in de vorm van aandelen gerechtigd zijn, hebben als zodanig géén goederenrechtelijke aanspraak op het vennootschapsvermogen.

13. Ingevolge artikel 51 lid 1 Sr kunnen rechtspersonen strafbare feiten begaan en zodoende wederrechtelijk voordeel verwerven. Ingevolge artikel 51 lid 2 Sr kan een rechtspersoon worden vervolgd, bestraft en - ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel - aan de maatregel van artikel 36e Sr worden onderworpen.

14. Wederrechtelijk voordeel dat aan een rechtspersoon is toegekomen en waarmee zijn vermogen is toegenomen, kan in de regel dus niet worden ontnomen bij de personen die als bestuurder en/of als aandeelhouder achter de rechtspersoon schuilgaan. Vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel moet bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden uitgegaan van de vermogenstoename die de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Het vermogen van de rechtspersoon waarin de betrokkene zeggenschap en/of aandelen heeft, is niet per definitie ook zijn vermogen.

15. Niettemin kan wederrechtelijk voordeel onder bijzondere omstandigheden (ook) bij de personen achter de rechtspersoon worden ontnomen. Ik onderscheid hier drie categorieën van gevallen. In de eerste categorie van gevallen wordt de hoofdregel van artikel 2:5 BW gerespecteerd. Het gaat dan om situaties waarin het wederrechtelijk voordeel indirect ten deel is gevallen aan degene die (overheersende) zeggenschap heeft over het handelen van de rechtspersoon en/of degene die aandelen in het kapitaal van de rechtspersoon houdt. Voordeelsontneming kan eventueel plaatsvinden wanneer vaststaat dat de bestuurder uit het voordeel dat de rechtspersoon wederrechtelijk heeft verkregen (extra) wordt beloond dan wel op andere wijze (bijv. met gunstige leningen) profiteert van het voordeel van de rechtspersoon. Mogelijk is ook dat de aandelen in het kapitaal van de rechtspersoon in waarde toenemen alleen al doordat het wederrechtelijk voordeel in het vermogen van de rechtspersoon is gevloeid. Bij voldoende causaal verband wordt het voordeel van de rechtspersoon - indirect - het voordeel van de bestuurder en/of de aandeelhouder.

16. De tweede en derde categorie van gevallen van ontneming van corporatief voordeel bij een bestuurder en/of aandeelhouder hebben met elkaar gemeen dat bij de voordeelbepaling de hoofdregel van artikel 2:5 BW wordt doorbroken en de vennootschappelijke sluier wordt opgetild. Van het voordeel dat (ogenschijnlijk alleen) de rechtspersoon is toegekomen wordt dan aangenomen dat het rechtstreeks en tegelijkertijd (tevens) de bestuurder en/of aandeelhouder is toegekomen.

17. In de gevallen van categorie 2 doen zich uitzonderlijke omstandigheden voor waarin (het vermogen van) de rechtspersoon met (dat van) de bestuurder en/of aandeelhouder kan worden ‘vereenzelvigd’. In zo’n geval wordt het identiteitsverschil tussen de rechtspersoon en de bestuurder/aandeelhouder genegeerd.

18. Categorie 3 betreft de gevallen waarin op feitelijke gronden wordt aangenomen dat het voordeel slechts ogenschijnlijk de vermogenspositie van de rechtspersoon heeft verbeterd, maar in werkelijkheid rechtstreeks de achterman heeft verrijkt. In dat geval wordt niet het verschil in identiteit tussen de rechtspersoon en de achterman genegeerd, maar wordt de tussenkomst van de rechtspersoon - zijnde een schijnhandeling - weggedacht. Dit betreft gevallen waarin de sluier van de rechtspersoon wordt gebruikt (misbruikt) voor het verhullen van het profijt en/of de identiteit van de werkelijke profiteur.

19. In alle categorieën van gevallen zal de ontnemingsrechter in zijn bewijsmotivering moeten uiteenzetten dat én op welke feitelijke gronden mag worden aangenomen dat het voordeel aan de achterman kan worden toegerekend. De zeggenschapsstructuur binnen de rechtspersoon kan hierbij van belang zijn, maar zij is niet doorslaggevend. Het enkele feit dat de betrokkene bijvoorbeeld directeur-grootaandeelhouder van de vennootschap is, is niet voldoende voor een doorbraak van de hoofdregel van artikel 2:5 BW. Dat zou van deze - ook bij de strafrechtspleging te respecteren - regel een wassen neus maken.

Intermezzo: een nadere uitleg van de door het hof bevestigde ontnemingsuitspraak

20. De steller van het middel constateert met juistheid dat de rechtbank geen vaststellingen heeft gedaan die de toepassing van de leerstukken vereenzelviging (categorie 2) of schijnhandeling (categorie 3) rechtvaardigen. Zoals ik het door het hof bevestigde vonnis begrijp, heeft de rechtbank hiervan ook niet de toepassing beoogd. De rechtbank heeft het voordeel m.i. eenvoudigweg aan een firmant toegerekend met inachtneming van het vennootschapsgoederenrecht. Het gaat hier immers niet om een rechtspersoon. Ik licht dat toe.

Kader II: de vennootschap onder firma

21. Ingevolge artikel 51 lid 3 Sr wordt de ‘vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid’ voor de toepassing van artikel 51 lid 1 en lid 2 Sr gelijkgesteld met een rechtspersoon. Dit betekent dat een vennootschap onder firma volgens de wet strafbare feiten kan begaan. Zij kan daarvoor worden vervolgd, bestraft en zo nodig onderworpen aan een ontnemingsmaatregel. Dit betekent echter niet dat de vennootschap onder firma - voor de toepassing van het sanctierecht - ook een rechtspersoon is.

22. Vermogensrechtelijk wordt de vennootschap onder firma - behalve door het vennootschapscontract - beheerst door de artikelen 15 e.v. van het Wetboek van Koophandel (afdeling ‘Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of "en commandite" genaamd’) en het Burgerlijk Wetboek, Boek 7A, negende titel (‘Van maatschap’). Bepalingen van Boek 3, titel 7 (‘Gemeenschap’) kunnen — zij het niet rechtstreeks — van betekenis zijn. Veel van deze wetgeving is van regelend recht. Het regime wordt bovendien in belangrijke mate bepaald door ongeschreven recht en rechtspraak, terwijl de literatuur niet steeds eenduidig is. Overzichtelijk is het geheel daarmee niet.

23. Hoewel zij naar buiten toe als eenheid optreedt, is de firma naar het huidige vermogensrecht géén rechtspersoon en heeft zij dus goederenrechtelijk niet te gelden als eigenaar van de goederen die door de firmanten zijn ingebracht of going concern zijn verworven. Anders dan bij de vermogensbestanddelen van de kapitaalvennootschap, waarbij een goederenrechtelijke schakel met de aandeelhouder afwezig is, hebben de firmanten ten aanzien van de vennootschapsgoederen een goederenrechtelijke positie: die van deelgenoten in een gebonden gemeenschap. De goederen van de firma behoren toe aan de deelgenoten gezamenlijk. Het is overigens niet zo dat de firmanten over de vennootschapsgoederen vrijelijk (als waren zij de enige eigenaar) kunnen beschikken. De beschikkingsgebondenheid van de vennootschappelijke goederengemeenschap staat daaraan in de weg.

24. Hoewel de vermogensbestanddelen van de vennootschap onder firma in beginsel aan de firmanten gezamenlijk toebehoren, kent de firma volgens vaste rechtspraak een (van het privévermogen van de firmanten) ‘afgescheiden’ vermogen., Dit houdt in dat de vennootschappelijke goederengemeenschap (het afgescheiden vermogen dus) dient als verhaalsobject voor de crediteuren van de vennootschap (de zaakcrediteuren), maar gevrijwaard blijft van verhaal door privécrediteuren van de firmanten. Spiegelbeeldig is deze verhaalverhouding niet. De zaakcrediteuren kunnen wel degelijk (zij het in concurrentie met de privécrediteuren) het privévermogen van de firmanten aanspreken, omdat iedere vennoot ingevolge artikel 18 WvK hoofdelijk is verbonden voor de vennootschapsschulden. Anders dan de beschikkingsgebondenheid van de vennootschappelijke goederengemeenschap, die de verhoudingen binnen de vennootschap aangaat, betreft het hier een externe kwestie, namelijk van schuldverhaal. Aan mijn betoog onder randnummer 23 doet de notie van het afgescheiden vermogen niets af.

25. Uit het voorgaande vloeit voort dat een door de vennootschap gegenereerde toename van het vermogen in beginsel toekomt aan de firmanten gezamenlijk. Er is geen reden waarom dat voor wat betreft wederrechtelijk voordeel anders zou zijn. Dit brengt mee dat, evenals bij de belastingheffing, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de vennootschap heen kan worden gekeken. Er valt geen vennootschappelijke sluier op te tillen. Deze ‘transparantie’ sluit aan bij de goederenrechtelijke werkelijkheid van de vennootschap onder firma en is er dus vanzelf, ook zonder toepassing van leerstukken als vereenzelviging en schijnhandeling.

26. Dit laat onverlet dat voor ontneming bij een individuele firmant moet worden vastgesteld welk concreet aandeel in dat voordeel hem is toegekomen. In dit verband kan de ontnemingsrechter het voordeel aan ieder van de firmanten toerekenen naar rato van hun aandeel in de gemeenschap. Als daarover niets bekend is, mag de rechter uitgaan van het vermoeden dat ieder der firmanten voor een gelijk deel in de gemeenschap gerechtigd is, tenzij de betrokkene (bijvoorbeeld aan de hand van het vennootschapscontract) het tegendeel aannemelijk maakt.

De beoordeling van het middel

27. Met het voorgaande betoog ik dat het cassatiemiddel in de eerste plaats berust op een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het veronderstelt dat de toerekening van voordeel uit een vennootschap onder firma aan een firmant uitsluitend mogelijk is met toepassing van de voor rechtspersonen ontwikkelde leerstukken van vereenzelviging of schijnhandeling.

28. Ten tweede berust het cassatiemiddel op een verkeerde lezing van de bestreden ontnemingsuitspraak. Het oordeel dat (de helft van) het voordeel dat de Jeep Grand Cherokee belichaamt aan de betrokkene kan worden ontnomen, heeft de rechtbank - anders dan de steller van het middel aanneemt - niet doen steunen op de leerstukken van vereenzelviging of schijnhandeling.

Slotsom

29. Het cassatiemiddel faalt.

30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voor zover nodig nadere toelichting: het aandeel in het kapitaal van een rechtspersoon behelst een (overdraagbaar) vermogensrecht (art. 3:6 BW). Het aandeel vertegenwoordigt een lidmaatschapsverhouding met vermogensrechtelijke en zeggenschapscomponenten. Economisch betreft het aandeel ‘slechts’ een residuele aanspraak: pas na voldoening van alle crediteuren (ook de achtergestelde crediteuren) resteert hetgeen de aandeelhouder toekomt. Het ‘eigen vermogen’ van de rechtspersoon is boekhoudkundig dan ook een sluitpost (activa minus vreemd vermogen), niet een vermogensbestanddeel waarop een recht rust. Met andere woorden, de aandeelhouder als zodanig heeft een (obligatoir) vermogensrecht jegens de rechtspersoon, geen recht op diens activa. Vgl. onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714, NJ 1998/242 m.nt. Reijntjes, rov. 4.3 en 4.4; HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364, NJ 2016/10; HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:840, NJ 2022/280 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.2, en HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1821, NJ 2025/51 m.nt. Vellinga, rov. 2.5. Voor rechtspraakverwijzingen en een meer uitgebreide bespreking van deze driedeling, zie mijn conclusie van 2 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1320, i.h.b. randnrs. 11-18. De passages in die conclusie zijn een actualisering van nagenoeg overeenkomstige passages in mijn conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:895, i.h.b. randnrs. 9-16. Zie over deze problematiek ook de conclusie van a-g Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:228, die voorafging aan HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691, NJ 2026/186. Zie andermaal mijn conclusie van 2 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1320, i.h.b. randnrs. 11-18, en mijn conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:895, i.h.b. randnrs. 9-16. Uiteraard kon ik toen ik de conclusie op 2 december 2025 uitbracht nog niet bekend zijn met het arrest HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1818, NJ 2026/19. Daarin bespreekt de Hoge Raad de gevallen die ik schaar onder categorie 2 (zie rov. 3.5, eerste alinea), respectievelijk onder categorie 3 (zie rov. 3.5, tweede alinea). Ik citeer: “3.4. Het hof heeft overwogen dat met de verkoop van de ‘private equity’ portefeuille door […] aan […] een provisie was gemoeid van 2% van de verkoopwaarde van die portefeuille en dat die aan […] B.V. betaalde provisie het resultaat is van de niet-ambtelijke omkoping. Verder heeft het hof overwogen dat de betrokkene in de bewezenverklaarde periode ‘enig bestuurder en aandeelhouder was en ook de enige persoon die werkzaam was voor […] B.V.’ en dat alleen hij ‘de volledige beschikkingsmacht over […] B.V. en daarmee ook over het vermogen daarvan’ had. Op die grond heeft het geoordeeld dat de betrokkene en […] B.V. ‘in dit verband kunnen worden vereenzelvigd’. 3.5. Voor zover hierin besloten ligt dat de betrokkene en […] B.V. moeten worden vereenzelvigd – in die zin dat het identiteitsverschil tussen die beide (rechts)personen volledig moet worden weggedacht (vgl. HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480) – geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit de vaststellingen van het hof geen uitzonderlijke omstandigheden blijken die zo’n oordeel, dat verder strekt dan slechts de toerekening van het door […] B.V. ontvangen provisiebedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, kunnen dragen. Voor zover het hof op andere grond het door […] B.V. ontvangen provisiebedrag heeft aangemerkt als wederrechtelijk voordeel dat niet alleen door […] B.V., maar ook door de betrokkene is ontvangen, is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd. Uit de vaststellingen van het hof blijkt niet of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat die provisie als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Daarbij zijn de vaststellingen van het hof ook onvoldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van ‘gemeenschappelijk voordeel’ dat zowel aan […] B.V. als aan de betrokkene, ieder voor het geheel, kan worden toegerekend. (Vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884, rechtsoverweging 2.4.6-2.4.8.)” Zie vorige voetnoot en zie ook HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:691, NJ 2026/186, waarin de Hoge Raad casseerde en daartoe overwoog: “Het hof heeft het door het hof als “component 1” aangeduide door de “inhouse I vennootschappen” en de “inhouse II vennootschappen” wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op (…) en overwogen dat dit voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het oordeel van het hof dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, is niet toereikend gemotiveerd. Daarvoor volstaat niet dat de betrokkene “materieel de zeggenschap” had over die rechtspersonen en hij daardoor over het vermogen van die rechtspersonen kon beschikken, omdat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene daarover in die mate vrijelijk en te eigen bate heeft beschikt of heeft kunnen beschikken dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel als daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend.” De meest doorwrochte bespreking van het vermogensrechtelijke regime van de vennootschap onder firma betreft volgens mij: M. van Olffen, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel VII. Maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap, Deventer: Wolters Kluwer 2022, waarvan met name (maar niet uitsluitend) hoofdstuk 6, ‘Het vennootschapsgoederenrecht bij maatschap en vennootschap onder firma’, p. 199-248, nrs. 149-202. Hieruit heb ik geput, zonder vermelding van de vele nuanceringen van de auteur. Ik verwijs hieronder naar de nummers (en dus niet naar de paginanummering). Geheel ten overvloede wil ik hier nog wel wijzen op het naderende einde van Boek 7A BW. Of mijn beschouwingen daarna nog van toepassing zijn, is de vraag. Het voorontwerp van het wetsvoorstel modernisering personenvennootschappen voorziet in de vaststelling van een nieuwe titel 7.13 in het Burgerlijk Wetboek betreffende vennootschappen (cv, vof en maatschap). De huidige regeling stamt uit 1838 en is volgens de minister toe aan vernieuwing. Bij de uitwerking van de regeling wordt het rapport van de Werkgroep personenvennootschappen (ook: de Werkgroep Van Olffen) als uitgangspunt genomen (tweede consultatie afgerond). Het wetsvoorstel kent de openbare vennootschap rechtspersoonlijkheid toe, waarmee een bestaande vof van rechtswege een openbare personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid wordt en het vermogen onder algemene titel overgaat. Zie hierover: Werkgroep personenvennootschappen, Rapport modernisering personenvennootschappen, Amsterdam 2016, en in het algemeen H.N. Schelhaas, ‘Het naderende einde van Boek 7A BW’, NTBR 2016/24. Ook het Wetboek van Koophandel heeft overigens, naar mag worden aangenomen, zijn langste tijd gehad. Aangetekend zij dat de bepalingen van titel 3.7 BW betreffende de gemeenschap, niet gelden voor een (stille of openbare) maatschap of vennootschap zolang deze niet ontbonden is. Zie art. 3:189 lid 1 en lid 2 BW, en Van Olffen, a.w., nr. 149. Zulks naar analogie van art. 3:166 lid 1 BW. Ik schrijf ‘naar analogie’, want art. 3:189 lid 1 BW zondert de niet-ontbonden maatschap en vennootschap nu juist van titel 3.7 uit; die titel gaat pas na ontbinding gelden (art. 3:189 lid 2 BW). Zie Van Olffen, a.w., nrs. 162 e.v. Zie Van Olffen, a.w., nrs. 173-180 (met name nr. 176), 182-185. In mijn conclusie van 2 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1320, i.h.b. randnrs. 11-18, en mijn conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:895, i.h.b. randnrs. 9-16, maakte ik ook gebruik van het begrip ‘afgescheiden vermogen’, maar dan om daarmee het vermogen van de rechtspersoon (met name de kapitaalvennootschap) te onderscheiden van dat van de aandeelhouders. Ik vind die term achteraf bezien ongelukkig gekozen, omdat het vermogen van de rechtspersoon per definitie het geheel van rechten en verplichtingen van het rechtssubject is; er valt in dat geval niets ‘af te scheiden’ van het vermogen van de aandeelhouders. Zie Van Olffen, a.w., nrs. 164-166. De vennootschap onder firma is fiscaal transparant: voor de heffing van belasting naar de winst is niet de vennootschap, maar zijn de vennoten belastingplichtig. De door de vennootschap behaalde winst wordt rechtstreeks bij ieder van hen belast, bij vennoten-natuurlijke personen als winst uit onderneming in de inkomstenbelasting. Vgl. art. 3.4 Wet IB 2001, dat voor het fiscale ondernemerschap aanknoopt bij het rechtstreeks verbonden worden voor verbintenissen betreffende de onderneming; dezelfde verbondenheid die de firmant ingevolge art. 18 WvK kenmerkt. Vgl. art. 3:166 lid 2 BW en zie HR 3 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8512, NJ 1985/623 m.nt. J.M.M. Maeijer, BNB 1984/314, en de voorafgaande conclusie van a-g Moltmaker.