Strafrecht overig
Conclusie AG. Profijtontneming. Art. 36e lid 2 (oud) Sr. Falend middel over het oordeel dat er voldoende…
ECLI:NL:PHR:2026:783 · Parket bij de Hoge Raad · 18 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-783
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2026
- Datum publicatie
- 16 augustus 2026
- Zaaknummer
- 24/04242
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:783
Samenvatting
Conclusie AG. Profijtontneming. Art. 36e lid 2 (oud) Sr. Falend middel over het oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat betrokkene een soortgelijk feit (mensenhandel, art. 273f Sr) heeft begaan. Conclusie strekt tot verwerping.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04242 P
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 november 2024 (parketnr. 22-000933-23) het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2023, met aanvulling van gronden, bevestigd. Bij dat vonnis is het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 116.150,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
De zaak
3. De betrokkene is in de strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor (onder meer) mensenhandel, meermalen gepleegd. Bewezen verklaard is kort gezegd dat de betrokkene in 2010 en 2011 met één of meer van de onder artikel 273f lid 1 sub 1 (oud) Sr genoemde middelen slachtoffers heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen die zij moesten verrichten (artikel 273f lid 1 sub 9 (oud) Sr). In de ontnemingsprocedure heeft de rechtbank ter zake van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geoordeeld dat de grondslag (mede) in het tweede lid van artikel 36e (oud) Sr ligt, omdat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene zich ten aanzien van [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk feit (mensenhandel). Het hof heeft dit oordeel van de rechtbank bevestigd.
Het middel
4. Het middel bevat de klacht dat het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank, inhoudende dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich ten aanzien van [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk is.
Het vonnis van de rechtbank
5. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt over de grondslag voor de ontneming en de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“4.De grondslag voor ontneming
(…)
Standpunt van de officier van justitie
(…)
Ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op het standpunt gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde strafbare feiten heeft begaan. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van deze vrouwen onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat is voldaan aan de criteria van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.
Oordeel van de rechtbank
(…)
Ten aanzien van [betrokkene 1]
Op 20 januari 2016 hebben verbalisanten van de politie een gesprek gevoerd met [betrokkene 1]. In dat gesprek heeft zij verklaard dat zij in september 2009 begon met werken als prostituee voor een pooier genaamd [betrokkene 4]. Na enige tijd is zij via [betrokkene 5] terechtgekomen bij een andere pooier, de veroordeelde. Zij woonde samen met een aantal andere vrouwen bij hem in. Al het door haar verdiende geld stond zij aan de veroordeelde af, omdat zij bang was om klappen te krijgen. Als er vrouwen waren die lastig deden of die niet genoeg verdienden, nodigde de veroordeelde wel eens vrienden uit die in de woning kwamen zitten, wat bedreigend overkwam. Verder blijkt uit haar verklaring dat [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet sprak en niet goed wist hoe ze de dingen hier in Nederland aan moest pakken. Uiteindelijk is zij met hulp van de beheerster van het pand waar zij als prostituee werkte bij de veroordeelde vertrokken.
De rechtbank ziet in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht geen reden om aan de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring te twijfelen. Daartoe is niet alleen van belang dat de verklaring op zichzelf authentiek en geloofwaardig overkomt, maar ook dat de verklaring op belangrijke punten wordt ondersteund door de verklaringen van aangeefsters [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8].
De rechtbank is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde zich ten aanzien van [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit mensenhandel zoals genoemd in artikel 273f Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank leidt uit de verklaring van [betrokkene 1] verder af dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van dit strafbare feit. De grondslag voor ontneming van dat voordeel is daarom een soortgelijk feit als de in hoofdzaak bewezen verklaarde feiten, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht.
5. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
Bewijsmiddelen
De rechtbank gebruikt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel de volgende bewijsmiddelen. De redengevende inhoud daarvan wordt hierna onder de berekening vermeld.
1. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde op 3 mei 2022 gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag.
2. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, opgemaakt op 6 november 2018 door [rapporteur].
3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant], opgemaakt op 17 november 2015, met bijlagen.
4. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [betrokkene 6], opgemaakt op 18 februari 2013.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 7], opgemaakt op 17 november 2015.
Berekening
(…)
[betrokkene 1]
heeft verklaard dat zij ongeveer een jaar voor de veroordeelde in de prostitutie heeft gewerkt. In deze periode heeft zij op een aantal dagen na elke dag gewerkt. Ook is zij in totaal vier weken naar Hongarije gegaan. De rechtbank stelt gelet op haar verklaring het aantal dagen dat zij voor de veroordeelde heeft gewerkt vast op 330 dagen (365 - 28 - een schatting van 7 niet-gewerkte dagen).
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten die zien op de hoogte van de verdiensten, de kosten en de hoeveelheid afgedragen geld aan de veroordeelde. De rechtbank gaat daarom bij de schatting van de gemiddelde omzet van [betrokkene 1] uit van het in de rechtspraak inmiddels gangbare forfaitaire bedrag van € 200,- per dag. De kosten zijn in dit bedrag reeds verdisconteerd. Omdat [betrokkene 1] al haar verdiensten aan de veroordeelde af moest staan, moet het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde worden geschat op een bedrag van in totaal (330 x € 200=) € 66.000,-.”
De beoordeling van het middel
6. Het middel gaat in de eerste plaats uit van de opvatting dat de rechtbank dan wel het hof bij de vraag of sprake is van een ‘soortgelijk feit’ (artikel 36e lid 2 (oud) Sr) had moeten specificeren welke van de in artikel 273f lid 1 (oud) Sr strafbaar gestelde gedragingen aan de orde was. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Nu de kwalificatie van het feit waarvoor voldoende aanwijzingen dienen te bestaan gelijk is aan het bewezen verklaarde feit in de strafzaak, heeft de rechtbank niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het een soortgelijk feit betreft.
7. In de tweede plaats wordt betwist dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene ten aanzien van [betrokkene 1] zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Meer specifiek voert de steller van het middel aan dat de door de rechtbank uiteengezette feiten en omstandigheden niet onder één van de in artikel 273f lid 1 (oud) Sr strafbaar gestelde gedragingen kunnen worden geschaard.
8. De verdediging heeft in feitelijke aanleg de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] betwist. Het (door het hof bevestigde) oordeel van de rechtbank houdt in dat zij geen reden heeft aan die betrouwbaarheid te twijfelen. Nu daarover in cassatie niet wordt geklaagd, moet van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] worden uitgegaan. De rechtbank heeft op basis van de verklaringen, die worden ondersteund door de verklaringen van aangeefsters [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8], het volgende overwogen:
i. [betrokkene 1] heeft ongeveer een jaar voor de betrokkene gewerkt en heeft, samen met andere vrouwen, bij hem ingewoond totdat zij met hulp van een derde is vertrokken;
ii. [betrokkene 1] heeft al haar geld aan de betrokkene moeten afstaan;
iii. [betrokkene 1] was bang om klappen te krijgen van de betrokkene als zij haar geld niet aan hem afstond en heeft in het huis van de betrokkene dreigende situaties ervaren; en
iv. [betrokkene 1] was de Nederlandse taal niet machtig en wist niet goed hoe zij het een en ander moest aanpakken in Nederland.
9. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat de betrokkene zich ten aanzien van [betrokkene 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Dat oordeel getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. De feiten en omstandigheden duiden erop dat de betrokkene [betrokkene 1] heeft gedwongen dan wel bewogen om hem te bevoordelen uit de opbrengst van de door haar verrichte seksuele handelingen, terwijl zij in een kwetsbare positie verkeerde. Temeer nu de genoemde gedragingen nagenoeg identiek zijn aan de bewezen verklaarde gedragingen in de strafzaak, heeft het hof voldoende inzichtelijk gemaakt waarom er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene het soortgelijke feit mensenhandel jegens [betrokkene 1] heeft begaan.
Slotsom
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG