Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Parket bij de Hoge Raad, 25 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
24/01902
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:796
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2026:796

  2. Hoge Raad · 3 november 2026

    ECLI:NL:HR:2026:1804

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/01902

Zitting 25 augustus 2026

CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 8 mei 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-001052-23), wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

1.2

Er bestaat samenhang met de zaak 24/01901. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.

1.3

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

1.4

Het eerste middel klaagt over de kwalificatie van het bewezenverklaarde voor zover die ziet op de strafverzwarende omstandigheid uit art. 141 lid 2 Sr dat ten gevolge van de openlijke geweldpleging zwaar lichamelijk letsel is opgetreden. Het tweede middel gaat over het oordeel van het hof dat tussen de verdachte en de aangever een worsteling heeft plaatsgevonden. Het derde middel bevat een klacht over de inzendtermijn.

2 De tenlastelegging, de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof

2.1

De verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij, op of omstreeks 5 november 2021 te Arnhem openlijk, te weten in/voor uitgaansgelegenheid [B] op/aan de [a-straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door – voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen op/tegen de borst en/of de rug, althans op/tegen het lichaam, te schoppen en/of te trappen; - voornoemde [slachtoffer] met een glas, althans een scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of de arm en/of de hand, althans in/op het lichaam, te steken en/of te slaan en/of – voornoemde [slachtoffer] op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of op/tegen zijn lichaam te schoppen/trappen, terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten (glasfragementen in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en/of de arm en/of de hand en/of twee losse voortanden voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij, op 5 november 2021 te Arnhem openlijk, te weten in/voor uitgaansgelegenheid [B] aan de [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door

- voornoemde [slachtoffer] tegen de borst en de rug te trappen;

- voornoemde [slachtoffer] met een glas, tegen het gezicht/hoofd te slaan en

- voornoemde [slachtoffer] tegen het hoofd te stompen en tegen zijn lichaam te trappen, terwijl dit gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten (glasfragmenten in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en twee losse voortanden voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

2.3

De Promis-bewijsoverwegingen van het hof luiden als volgt:

“5. Overweging met betrekking tot het bewijs

(…)

5.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Primair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het jegens aangever gepleegde geweld. Allereerst kan niet worden vastgesteld dat verdachte bovenop aangever lag, aangezien enkel getuige [getuige 1] dit verklaart en die verklaring niet betrouwbaar is. Deze verklaring is immers drie-en-een-halve maand na het incident telefonisch tegen een verbalisant afgelegd en twee dagen na dat telefoontje verklaart de getuige dat hij zich niet kan herinneren of hij heeft gezien dat één van de verdachten op het slachtoffer lag. Voorts is volgens de raadsman - anders dan de rechtbank heeft overwogen - op de beelden niet te zien dat verdachte de trui van aangever vastpakt en hem de weg verspert, maar juist dat verdachte zijn zoon, medeverdachte [medeverdachte 1] , probeert weg te halen van aangever en dat verdachte juist een duw van aangever krijgt.

Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap had van het door anderen tegen aangever gepleegde geweld. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk in vereniging geweld jegens aangever gepleegd.

Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat het (door verdachte) gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, zowel ten aanzien van de littekens als de gebitschade, de informatie in het dossier over het letsel van aangever te mager is om te kunnen oordelen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Voorts kan volgens de raadsman niet worden vastgesteld hoe het glas in het gezicht van aangever terecht is gekomen. Niet uit te sluiten is dat het glas door de val van aangever op de grond in zijn gezicht is gekomen. Als al moet worden aangenomen dat aangever met een glas is geslagen, dan kan bovendien niet worden vastgesteld wie daarmee heeft geslagen. Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten dat slaan dan hebben meegekregen.

5.3

Oordeel van het hof

5.3.1

De bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer] heeft het volgende verklaard. Aangever was op 5 november 2021 in café [B] in Arnhem. Aangever liep in het café de trap op, maar besloot om terug naar beneden te gaan toen hij bijna boven was. Aangever had zich nog niet omgedraaid toen hij opeens een trap voelde. Hij zag dat iemand hem trapte die op de eerste verdieping stond. Aangever werd geraakt op zijn borst en raakte uit balans naar achteren. In een reflex pakte hij de schoen vast, waardoor hij niet achterover viel. Toen aangever zich omdraaide om naar beneden te gaan, werd hij voor de tweede keer getrapt. Hij werd hierbij geraakt in zijn rug en kon zich nog net vasthouden aan de leuning. Als aangever zich niet had vastgehouden, was hij van de trap gevallen. Aangever liep vervolgens naar beneden. Toen hij beneden stond, voelde hij ineens een harde klap tegen de rechterzijde van zijn hoofd. Hij voelde dat hij met iets hards werd geslagen en het begon meteen heel hard te bloeden. Direct daarop voelde aangever dat hij tegen de rechterzijde van zijn hoofd en tegen zijn mond werd geslagen. Aangever denkt dat met vuisten werd geslagen, want hij voelde echt pijn van de klappen. Hij weet niet hoe vaak er is geslagen. Aangever voelde heftige pijn aan zijn mond en voelde dat hij een tand kwijt was. Aangever liep vervolgens weg en voelde toen dat hij nog een keer werd aangevallen.

Uit de medische verklaring van 6 november 2021 blijkt dat aangever bij zijn rechter wenkbrauw een wondje van 1 centimeter heeft dat arterieel bloedt. Meer naar het jukbeen zit een wond van 4 centimeter. Deze bloedt na het schoonmaken en wijkt fors. Daarnaast zijn er nog oppervlakkige wondjes. De tanden zijn gereponeerd, maar deze staan nog heel los. De MKA-chirurg heeft de glaspartikels infratemporaal rechts operatief verwijderd en daarnaast de radix 11 en de horizontale wortelfractuur 21. Op 13 mei 2022 - een halfjaar na het incident - zijn implantaten geplaatst op de plek waar de voortanden van aangever waren losgekomen. De verwachting is dat de implantaten om de vijftien jaren moeten worden vervangen.

De politie heeft de camerabeelden van het café [B] van 5 november 2021 bekeken. In het proces verbaal waarin door de politie een beschrijving van de beelden wordt gegeven, wordt gesproken over vier verdachten. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE 2’ (hierna: verdachte 2) herkend als medeverdachte B.V. [A] . Verbalisant [verbalisant 2] heeft voorts gezien dat verdachte tijdens het verhoor dezelfde jas droeg als de jas die de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE3’ (hierna: verdachte 3) aanhad. Verbalisant [verbalisant 2] is ervan overtuigd dat de persoon die op de beelden wordt aangeduid als ‘VE 1’ (hierna: verdachte 1) medeverdachte [medeverdachte 2] is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof met alle betrokkenen vastgesteld dat verdachte 1 medeverdachte [medeverdachte 2] is, dat verdachte 2 medeverdachte [medeverdachte 1] is en dat verdachte op de beelden wordt aangeduid als verdachte 3. Verdachte 4 komt ook in het proces-verbaal voor maar is geen verdachte in deze zaak.

De politie heeft beschreven dat op de camerabeelden van café [B] het volgende te zien is. Na 6 minuten en 54 seconden komt verdachte 2 in beeld. Hij blijft bij de uitgang staan. Na 7 minuten en 9 seconden verschijnt verdachte 3 in beeld. Ook hij blijft - samen met verdachte 2 - bij de uitgang staan. Na 7 minuten en 13 seconden verschijnt verdachte 4 in beeld. Ook hij gaat bij verdachte 2 en verdachte 3 staan. Na 7 minuten en 19 seconden draait verdachte 3 weg van het groepje en verdwijnt uit beeld. Na 7 minuten en 34 seconden verdwijnen zowel verdachte 2 als verdachte 4 snel rechts uit beeld. Het is duidelijk dat er iets gaande is waar zij op afgaan, nader te noemen het incident, aangezien zij echt ergens op reageren en direct hierop ook portiers van het café aan komen rennen. Na 7 minuten en 40 seconden komt verdachte 1 in beeld. Te zien is dat verdachte 1 door twee portiers wordt weggetrokken van het incident. Na 7 minuten en 43 seconden is te zien hoe verdachte 1 door de portier het terras van het café wordt afgegooid. Na 7 minuten en 49 seconden is te zien hoe verdachte 3 het slachtoffer vasthoudt aan zijn witte trui terwijl het slachtoffer probeert om het café uit te gaan. Na 7 minuten en 49 seconden is te zien hoe verdachte 2 het slachtoffer van achteren ook bij zijn witte trui vastpakt. Na 7 minuten en 51 seconden is duidelijk te zien hoe het slachtoffer zich los trekt door zijn witte trui over zijn hoofd te doen. Op de beelden van de openbare camera is na 16 seconden te zien dat het slachtoffer buiten wordt aangevallen door verdachte 1. Verdachte 1 komt op het slachtoffer af, pakt hem vast en maakt met zijn rechterarm een slaande beweging richting het hoofd van het slachtoffer. Te zien is hoe het slachtoffer zich wederom losrukt van verdachte 1 en wegrent in de richting van de politie. Verdachte 1 rent kort achter het slachtoffer aan en maakt met nog een trapbeweging naar het slachtoffer met zijn rechterbeen.

De compilatie van de hierboven omschreven beelden uit het dossier is uitvoerig ter terechtzitting van het hof bekeken en besproken. Met vooraf gegeven toestemming van de verdediging en advocaat-generaal heeft het hof het betreffende filmfragment nogmaals in raadkamer bekeken. Het hof neemt op de beelden waar dat niet alleen verdachte 2 en 4 na 1 minuut en 6 seconden (op de langere versie: 7 minuten en 34 seconden) rechts uit beeld verdwijnen en op het incident afgaan, maar ook verdachte 3.

Voorts neemt het hof op de beelden waar dat verdachte 3 na 1 minuut en 21 seconden (op de langere versie: na 7 minuten en 49 seconden) met zijn linkerarm opgeheven het slachtoffer bij zijn witte trui grijpt en daarbij naar het slachtoffer kijkt, waarna hij het slachtoffer de weg verspert en vervolgens door het slachtoffer wordt weggeduwd. Verdachte 3 staat op dat moment tussen aangever en verdachte 2 in.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft telefonisch contact opgenomen met de portier van café [B] , getuige [getuige 1] . Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij zich het incident op 5 november 2021 nog kon herinneren, omdat het slachtoffer na de mishandeling zwaargewond naar hem toe was gekomen en hij nog met het slachtoffer had staan praten. [getuige 1] verklaarde dat hij zich nog kon herinneren dat [medeverdachte 1] en de broer van [medeverdachte 1] betrokken waren bij het incident en dat de broer van [medeverdachte 1] op het slachtoffer lag in de serre.

Tijdens de terechtzitting van de rechtbank is vastgesteld dat getuige [getuige 1] , wanneer hij spreekt over de broer van [medeverdachte 1] , de vader van [medeverdachte 1] , verdachte, bedoelt.

Op de zitting van de rechtbank van 9 februari 2023 is [getuige 2] als getuige gehoord. [getuige 2] heeft verklaard dat hij die avond in [B] was. Hij liep naar boven en zag dat [medeverdachte 1] ruzie had met een jongen. Die jongen trok aan het been van [medeverdachte 1] . De getuige zei tegen de jongen dat hij los moest laten, maar dat deed hij niet. De getuige liep vervolgens naar beneden om dit tegen de oom van [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] , te vertellen. Getuige zag toen dat medeverdachte [medeverdachte 2] de jongen met kracht met zijn vuist een klap in het gezicht gaf. De getuige weet niet of de jongen knock-out ging. Hij is meteen de beveiliging gaan halen die er snel bij kwam.

Enkele minuten na de vechtpartij heeft een van de portiers aan de politie laten zien waar in het café de vechtpartij vermoedelijk had plaatsgevonden. Daar lagen stukken glas op de grond, helemaal rood, vermoedelijk van het bloed.

Verdachte heeft verklaard dat hij verdachte 3 op de beelden is en dat hij samen met zijn zoon, zijn broer en nog een vriend naar [B] was gegaan. Verdachte was met iemand aan het praten en ineens viel een man bovenop verdachte.

5.3.2

Overweging van het hof

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat het ‘in vereniging’ plegen van geweld tegen personen zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is mede toepasselijk op - en wordt ook frequent toegepast bij - openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. De enkele omstandigheid dat iemand een groep getalsmatig versterkt geldt niet zonder meer als een voldoende significante of wezenlijke bijdrage. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in een aanvalsgolf met anderen is echter meer dan een groep getalsmatig versterken (vgl. HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9823). Tot slot is niet nodig dat de deelnemers gelijktijdig aan het geweld zijn begonnen (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132).

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. Toen aangever in café [B] de trap op liep, werd hij door medeverdachte [medeverdachte 1] tegen zijn rug en zijn borst getrapt. Hierop liep aangever naar beneden en aldaar werd hij in ieder geval één keer met kracht door medeverdachte [medeverdachte 2] op zijn mond geslagen. Het hof komt op grond van het dossier tot de conclusie dat aangever daarnaast met een glas tegen zijn hoofd is geslagen. In het hoofd van aangever zijn aan de rechterzijde immers glasscherven aangetroffen en aangever heeft verklaard dat hij bij de eerste klap met iets hards tegen de rechterzijde van zijn hoofd werd geslagen en dat het meteen heel hard begon te bloeden.

Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat aangever bij de eerste klap met een glas tegen de rechterzijde van zijn hoofd is geslagen. Bovendien acht het hof het door de raadsman geschetste scenario dat aangever wellicht glasscherven in zijn hoofd heeft gekregen doordat hij na de vuistslag van medeverdachte [medeverdachte 2] met zijn hoofd op glasscherven op de grond is gevallen, onaannemelijk, nu geen van de betrokkenen daarover heeft verklaard en dit niet overeenstemt met de aangifte. Het hof acht dan ook bewezen dat aangever met een glas op zijn hoofd is geslagen en gaat ervanuit dat dit door één van de verdachten moet zijn gebeurd, nu het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat iemand anders dan verdachte en zijn medeverdachten ruzie had met aangever.

Het hof stelt voorts vast dat op de camerabeelden is te zien dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en ‘verdachte 4’ na 7 minuten en 34 seconden rechts uit beeld verdwijnen en op het incident afgaan en dat direct hierop ook portiers van het café aan komen rennen. Na 7 minuten en 40 seconden - dus slechts zes seconden later - is te zien dat medeverdachte [medeverdachte 2] door twee portiers wordt weggetrokken van de plek waar het incident zich heeft afgespeeld en het café wordt uitgezet. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat rechts buiten beeld de eerste klap met het glas en direct daarop de vuistslag van [medeverdachte 2] tegen het hoofd en de mond van aangever moeten hebben plaatsvonden en dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en ‘verdachte 4’ daar spoorslags op afgingen. Het hof komt daarom tot de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 2] ook de persoon moet zijn geweest die aangever met een glas heeft geslagen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en ‘verdachte 4’ rennen op de klap met het glas af, zodat zij niet de persoon kunnen zijn geweest die aangever met een glas heeft geslagen. Uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt voorts dat medeverdachte [medeverdachte 2] van de getuige had gehoord dat zijn neefje ruzie had gehad met aangever en dat [medeverdachte 2] aangever vervolgens een vuistslag heeft gegeven. Getuige [getuige 2] is toen meteen de portiers gaan waarschuwen. Hieruit leidt het hof af dat medeverdachte [medeverdachte 2] de persoon is geweest die beneden in het café geweld heeft gebruikt jegens aangever. Daarbij betrekt het hof ook dat getuige [getuige 2] niet heeft verklaard dat hij iemand anders dan medeverdachte [medeverdachte 2] aangever heeft zien slaan. Zoals gezegd is aangever eerst met een glas tegen de rechterzijde van zijn hoofd geslagen en kreeg hij direct daarna van medeverdachte [medeverdachte 2] een vuistslag tegen de rechterzijde van zijn hoofd en mond. Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders dan dat medeverdachte [medeverdachte 2] ook de persoon is geweest die aangever met een glas heeft geslagen.

Getuige [getuige 2] heeft verder verklaard dat aangever na de klap van medeverdachte [medeverdachte 2] bovenop verdachte viel. Ook verdachte heeft verklaard dat ineens iemand bovenop hem viel. Gelet op bovenstaande vaststelling van het hof dat na 7 minuten en 34 seconden rechts buiten beeld de klappen van medeverdachte [medeverdachte 2] tegen het hoofd van aangever plaatsvonden en dat ook verdachte daar op afging, concludeert het hof echter dat aangever niet als gevolg van de klappen van medeverdachte [medeverdachte 2] bovenop verdachte kan zijn gevallen. Uit de verklaringen van getuige [getuige 2] en verdachte leidt het hof evenwel af dat kennelijk een worsteling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever. Daarbij betrekt het hof ook dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zich nog kan herinneren dat [medeverdachte 1] en zijn broer (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en zijn vader) bij het incident betrokken waren en dat de broer van [medeverdachte 1] (aldus: de vader van [medeverdachte 1] ) bovenop aangever lag. Het hof acht dit deel van de verklaring van getuige [getuige 1] betrouwbaar en dus bruikbaar voor bewijs, nu dit de eerste verklaring is van de getuige, deze verklaring voldoende gedetailleerd is en omdat het hof geen reden ziet om aan de inhoud ervan te twijfelen. Het enkele feit dat de verklaring drie-en-een-halve maand na het incident is afgelegd doet daar niets aan af. Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat vlak nadat aangever door medeverdachte [medeverdachte 2] was geslagen een worsteling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangever.

Het hof leidt verder uit de camerabeelden af dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 1] kort na het incident aangever de weg versperren en de trui van aangever vastpakken als deze het café probeert te verlaten. Het hof is met de raadsman eens dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte door het slachtoffer wordt weggeduwd, maar dit gebeurt pas nadat verdachte het slachtoffer de weg verspert en hem bij zijn witte trui grijpt. Op de beelden is niet te zien dat verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] juist bij aangever probeert weg te halen. Op het moment dat verdachte aan de trui van aangever trekt, staat verdachte immers tussen aangever en medeverdachte [medeverdachte 1] in. Bovendien kijkt hij daarbij aangever aan en niet medeverdachte [medeverdachte 1] .

Aangever weet enkel aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] te ontkomen door zijn omgeslagen witte trui over zijn hoofd af te doen. Eenmaal buiten het café heeft medeverdachte [medeverdachte 2] aangever nog een keer geslagen en hem nog een trap gegeven.

Openlijke geweldpleging in vereniging

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat in onderhavige zaak sprake is van openlijk geweld dat bestond uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende geweldshandelingen dat plaatsvond binnen een ongestructureerd, spontaan samenwerkingsverband en dat verdachte opzettelijk daaraan heeft deelgenomen. Het hof acht de door verdachte afgelegde verklaring dat hij niets heeft meegekregen van het door anderen tegen aangever uitgeoefende geweld volstrekt ongeloofwaardig. Allereerst volgt naar het oordeel van het hof uit de camerabeelden en de manier waarop de verschillende door verdachte en zijn medeverdachten tegen aangever uitgeoefende geweldshandelingen hebben plaatsgevonden dat tussen hen wel degelijk enige vorm van afstemming is geweest over het geweld jegens aangever. Daarbij betrekt het hof ook dat de geweldshandelingen jegens aangever plaatsvonden in een zeer kort tijdsbestek en werden verricht door drie familieleden die samen met elkaar in het café op stap waren. Daarnaast volgt zoals gezegd uit de bewijsmiddelen dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en ‘verdachte 4’ op het incident tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en aangever afgingen en dat vervolgens een worsteling tussen verdachte en aangever plaatsvond. Het hof acht het dan ook ongeloofwaardig dat verdachte niets van het door medeverdachte [medeverdachte 2] op aangever uitgeoefende geweld heeft meegekregen. Bovendien moet verdachte hebben gezien dat aangever onder het bloed zat toen hij aangever vastgreep. Verdachte heeft voorts een significante en wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld geleverd door in de aanvalsgolf op aangever mee te gaan, met aangever in een worsteling verzeild te raken en vervolgens - samen met zijn zoon - aan de trui van aangever te trekken en hem de weg te versperren als aangever zwaargewond het café probeert te verlaten.

Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangever. Dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten niet (steeds) gelijktijdig plaatsvonden doet aan het voorgaande niets af.

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag gesteld of het door aangever opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen onder andere als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Het hof stelt aan de hand van de medische informatie in het procesdossier vast dat aangever door de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte 2] meerdere wonden in het gezicht met daarin glasfragmenten, een afgebroken tand en een losse tand heeft opgelopen. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Zo moesten de glasfragmenten operatief uit de wonden in het gezicht worden verwijderd. Ook zijn tijdens deze operatie de losse tand en wortelresten verwijderd. Aangever heeft pas op 13 mei 2022 - een halfjaar na het incident - implantaten kunnen laten plaatsen op de plek waar zijn tanden loszaten of waren afgebroken. Naar verwachting moeten de implantaten om de vijftien jaren worden vervangen. Daarnaast had aangever een maand na het incident nog steeds geen gevoel in zijn wenkbrauw en kon hij zijn wenkbrauw niet heffen. Voorts zijn op de bijbehorende foto’s ontsierende littekens in het gezicht van aangever te zien. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het letsel dat aangever heeft opgelopen, gezien de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Het hof is evenwel van oordeel dat niet uit het dossier volgt dat het aan aangever toegebrachte zwaar lichamelijk letsel door verdachte is toegebracht. In zoverre zal verdachte dan ook partieel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , terwijl het door medeverdachte [medeverdachte 2] gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad”

2.4

Met betrekking tot de oplegging van de straf heeft het hof als volgt overwogen:

“Verdachte heeft zich samen met zijn broer en zoon schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon. Verdachte heeft een significante en wezenlijke bijdrage aan die openlijke geweldpleging geleverd door mee te gaan in de aanvalsgolf op aangever, met aangever in een worsteling verzeild te raken en aan de trui van aangever te trekken en hem de weg te versperren als aangever zwaargewond probeert het café te verlaten. Verdachte heeft dan ook inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Als gevolg van het door medeverdachte [medeverdachte 2] , in vereniging met verdachte, gepleegde geweld heeft het slachtoffer voorts zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten meerdere wonden in zijn gezicht waarin glasfragmenten zaten en twee losse voortanden. Ook geestelijk heeft het incident veel gevolgen gehad voor [slachtoffer] , zo blijkt uit de toelichting op de vordering. Tot slot roept dit soort uitgaansgeweld, met dergelijk ernstig letsel als gevolg, gevoelens van weerzin, onveiligheid en angst op in de samenleving.

Het hof heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Hieruit volgt dat bij openlijke geweldpleging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden is geïndiceerd wanneer het geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.”

2.5

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi het volgende naar voren gebracht:

“Het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] op aangever lag baseert de rechtbank op de “verklaring” van [getuige 1] (p. 99) en op de getuigenverklaring van [getuige 2] (afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg). Ten eerste is de verklaring (de auditu) van [getuige 1] geen getuigenverklaring in de zin van de wet en kan daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. Immers, verbalisant [verbalisant 2] tekent in zijn proces-verbaal van 28 april 2022 enkel het volgende op n.a.v. een telefoongesprek met [getuige 1] op 22 maart, drie-en-een-halve maand na het incident:

“ [getuige 1] verklaarde dat hij zich nog kon herinneren dat [medeverdachte 1] en de broer van [medeverdachte 1] betrokken waren bij het incident en dat de broer van [medeverdachte 1] op het SLT lag in de serre (…).”,

maar vermeldt in dat proces-verbaal niet de herkomst van wetenschap bij [getuige 1] . Gelet hierop en gelet op het feit dat op het moment dat [getuige 1] – op het moment dat hij twee dagen later (24 maart 2022, zie p. 99) heeft verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij überhaupt had gezien dat er een verdachte op het slachtoffer lag, laat staan wie, is er geen (betrouwbare) verklaring van [getuige 1] voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat hij, [getuige 1] , uit eigen waarneming en ondervinding heeft verklaard dat [verdachte] op het slachtoffer lag.”

2.6

In het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2024 staat verder onder meer nog het volgende:

“Op vragen van de voorzitter antwoordt verdachte:

Toen mijn broer aangever sloeg, stond ik links van hem met andere mensen te praten. Ik heb niks in de gaten gehad. Ineens viel een boom van een vent boven op me. Ik weet niet waar ik precies stond. De muziek was luid en het was donker in het café. U, voorzitter, merkt op dat op de beelden te zien is dat kennelijk iets buiten beeld gebeurt en dat ik daar op af ga. Het maakt niet uit wat buiten beeld gebeurde. Ik stond vlak bij de ingang. Ik kan me alleen herinneren dat iemand boven op me is gevallen.

(…)

Op vragen van de oudste raadsheer antwoordt verdachte:

Ik rende nergens op af. Ik heb pas achteraf gehoord dat mijn broer aangever had geslagen. Als ik had gehoord dat aangever mijn zoon een elleboog had gegeven, dan had ik hem ook aangesproken. U, oudste raadsheer, merkt op dat niemand aangever heeft aangesproken, maar dat aangever is getrapt en is geslagen. Aangever is een boom van een kerel en geeft iemand uit het niets een elleboog. U, oudste raadsheer, merkt op dat mensen elkaar in een drukke discotheek wel vaker per ongeluk aanraken. Het lijkt me sterk dat aangever mijn zoon per ongeluk een elleboog gaf. Mijn zoon had nota bene zijn tand door zijn lip.

Op vragen van de jongste raadsheer antwoordt verdachte:

Ik stond stil en ineens viel iemand op me. U, jongste raadsheer, merkt op dat op de beelden is te zien dat ik ergens op af ga en dat ik dus niet stilstond. In een discotheek hoefje niet stil te staan. Je kan ook dansen en bewegen. Ik was met een Turkse jongen aan het praten. U, jongste raadsheer, merkt nogmaals op dat het lijkt alsof ik ergens op af ga.

De raadsman merkt op:

We weten niet wat dit ‘iets’ is geweest. Je ziet dat mijn cliënt ergens naartoe kijkt en ergens heen loopt, maar we kunnen niet zien waar hij op af gaat.

(…)

Op vragen van de raadsman antwoordt verdachte:

Ik heb niet boven op aangever gelegen. Aangever viel boven op mij.”

3 Het eerste middel

3.1

Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” omdat het bewezen verklaarde niet het bestanddeel “het door hem” gepleegde geweld bevat dan wel doordat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en/of doordat het bewezen verklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan de aangever niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

Het beoordelingskader

3.2

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 141 lid 1 en lid 2 Sr, dat luidt:

“1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. De schuldige wordt gestraft:

1° met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2° met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;”

3.3

Tot 2000 was voor een bewezenverklaring van art. 141 lid 1 (oud) Sr vereist dat van de verdachte zelf enige gewelddadige handeling was uitgegaan. Het artikel bevatte toen nog het bestanddeel “met verenigde krachten”. In 2000 is dat bestanddeel vervangen door “in vereniging”. Over de reden voor die wijziging overwoog de wetgever toen het volgende:

“De voorgestelde aanpassing van artikel 141 WvSr beoogt te bewerkstelligen, dat de verruiming van het medeplegen ook bij dit artikel doorwerkt. Hij die zich met anderen verenigt, waarbij het resultaat van die vereniging is, dat openlijk geweld wordt gepleegd tegen personen of goederen, dient daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Wie welbewust meegaat naar een plaats waar vanuit een groep openlijk geweld zal worden gepleegd, en zich daar als een lid van die groep manifesteert, is niet «onschuldig». Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan het verband dat het openlijke geweld pleegt, tellen mee.

Door deze wijziging wordt de historische verhouding tussen artikel 141 en de deelnemingsfiguur medeplegen weer enigszins hersteld. (…) De vervanging van «met verenigde krachten» door «in vereniging» die in dit wetsontwerp wordt voorgesteld, brengt met zich dat artikel 141 en de deelnemingsfiguur medeplegen weer naar elkaar toegroeien in plaats van uiteendrijven. Tegelijk brengt de keuze voor de woorden «in vereniging» tot uitdrukking dat het medeplegen van openlijke geweldpleging een wat eigen karakter houdt. Het gaat gewoonlijk om een wat andere vorm van samenwerking dan (bijvoorbeeld) bij diefstal, waar de wet spreekt van «twee of meer verenigde personen». Daar is gewoonlijk het uitgangspunt een hechte samenwerking tussen twee (en in sommige gevallen drie, vier of vijf) personen, waaraan een gemeenschappelijk plan ten grondslag ligt. Bij openlijke geweldpleging is het uitgangspunt een vrij ongestructureerd samenwerkingsverband van enkele tientallen personen, dat veel minder planmatig te werk gaat. Daaraan doet niet af dat openlijke geweldpleging soms ook door enkele personen, en betrekkelijk planmatig kan worden gepleegd.

(…)

De wijziging die het onderhavige wetsontwerp voorstelt, verlicht – zo bleek reeds – de bewijslast. Bewezen hoeft niet meer te worden dat van de betrokkene zelf een «gewelddadige handeling» is uitgegaan. Voldoende is, dat de betrokkene opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad, en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd.”

3.4

Het tweede lid van art. 141 Sr is vanaf de introductie van de bepaling in het Wetboek van Strafrecht op 1 september 1886 inhoudelijk ongewijzigd gebleven. De memorie van toelichting met betrekking tot die strafverzwarende omstandigheden hield destijds het volgende in (met weglating van een voetnoot):

“Uit de voor de strafverzwaringen in geval van goederenvernieling en van ligchaamsleed gekozen bewoordingen blykt ondubbelzinnig, dat de zwaardere strafbedreiging beperkt is tot hen, die persoonlijk eenig goed hebben vernield of wier daden ligchamelijk leed, zwaar ligchamelijk letsel of den dood voor iemand hebben ten gevolge gehad. Onbillijk ware het, de verzwaring toe te passen op ieder, die deelneemt aan eene geweldpleging waarin door daden van anderen de bedoelde ernstige gevolgen zyn ontstaan.”

3.5

In de memorie van toelichting bij de wetswijziging uit 2000 nam de wetgever ook de volgende passage op over het tweede lid van art. 141 Sr:

“Het tweede lid van artikel 141 WvSr bevat een aantal strafverzwarende omstandigheden. De betrokkene kan met een hogere gevangenisstraf worden gestraft als hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld (zwaar) lichamelijk letsel of de dood ten gevolge

heeft gehad.

De interpretatie van dit tweede lid wordt door deze wetswijziging niet veranderd. Een consequentie van de onderhavige wetswijziging is daarmee dat het verschil tussen de bewijslast van het eerste lid en die van het tweede lid van artikel 141 WvSr wordt vergroot. Wie heeft bijgedragen aan de openlijke geweldpleging, is aansprakelijk op grond van het eerste lid; wie daadwerkelijk zelf geweld tegen personen of goederen heeft aangewend, riskeert onder de daar vermelde omstandigheden de strafverhoging van het tweede lid. Dat is een helder en goed verdedigbaar onderscheid; iets helderder zelfs dan het onderscheid dat thans tussen beide artikelleden bestaat. Ook dit kan als een – ondergeschikt – argument voor de voorgestelde wetswijziging worden gezien. Het is derhalve uitdrukkelijk niet de bedoeling om al degenen die zich schuldig maken aan openlijke geweldpleging, ook aansprakelijk te kunnen stellen voor de delictgevolgen van artikel 141, tweede lid, WvSr.”

3.6

Voor een bewezenverklaring van het delict uit art. 141 lid 1 Sr is noodzakelijk dat sprake is geweest van openlijk geweld dat in vereniging is gepleegd tegen personen of goederen. Niet vereist is dat de verdachte zelf geweld heeft gepleegd. Uit de wetsgeschiedenis zoals hierboven weergegeven volgt dat het voldoende is als wordt bewezen dat de verdachte opzet had op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Als een van de strafverzwarende omstandigheden uit het tweede lid is ten laste gelegd, dan dient wél bewezen te worden dat het door de verdachte aangewende geweld een van de omschreven gevolgen heeft gehad. Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis bij het tweede lid blijkt dat de zwaardere strafbedreiging alleen van toepassing is op de verdachte die zelf het bewezen verklaarde letsel heeft toegebracht, zodat de verdachte niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het door zijn mededaders in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel.

De bespreking van het eerste middel

3.7

Het hof heeft over de toedracht van het geweldsincident het volgende vastgesteld. Toen de aangever in café [B] de trap op liep, werd hij door medeverdachte [medeverdachte 1] (de zoon van de verdachte) tegen zijn rug en borst getrapt. Hierop liep de aangever naar beneden, waar hij in ieder geval één keer met kracht door medeverdachte [medeverdachte 2] op zijn mond werd geslagen. Daarnaast is de aangever met een glas tegen zijn hoofd geslagen. Volgens het hof moet [medeverdachte 2] ook de persoon zijn geweest die de aangever met een glas tegen zijn hoofd heeft geslagen. Vlak nadat de aangever door de medeverdachte [medeverdachte 2] was geslagen, heeft tussen de verdachte en de aangever kennelijk een worsteling plaatsgevonden. Kort na het incident versperren medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte de weg voor de aangever en pakken zij zijn trui vast als hij het café probeert te verlaten. Eenmaal buiten het café heeft medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever nog een keer geslagen en hem nog een trap gegeven. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte opzettelijk deelgenomen aan het openlijk geweld en heeft hij daaraan een significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte opzettelijk in vereniging met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] openlijk geweld heeft gepleegd tegen de aangever.

3.8

Vervolgens bespreekt het hof het letsel dat de aangever heeft opgelopen en de rol die de verdachte daarbij heeft gespeeld. Het hof is van oordeel dat het letsel, gezien de aard ervan, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en de duur van het herstel, moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier volgt echter niet dat het aan aangever toegebrachte zwaar lichamelijk letsel door de verdachte is toegebracht. Daarom spreekt het hof de verdachte in zoverre vrij van het tenlastegelegde. Die partiële vrijspraak geeft het hof de volgende vorm. Ten laste gelegd was dat:

“hij (…) openlijk (…) in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , (…) terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, (…) voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:

“hij (…) openlijk (…) in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , (…) terwijl dit gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel (…) voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

3.9

Het hof heeft aldus wél bewezen verklaard dat het openlijk geweld zwaar lichamelijk letsel bij de aangever tot gevolg heeft gehad, maar heeft niet bewezen geacht dat dit geweld door de verdachte (‘door hem’) is gepleegd. Door het ‘door hem’ gepleegde geweld weg te strepen, kon het hof wel tot een bewezenverklaring komen. Dat letsel was er immers. Het hof heeft het bewezen verklaarde vervolgens echter ten onrechte gekwalificeerd als “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”. De verdachte kan niet op grond van art. 141 lid 2 Sr strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het door zijn medeverdachten in het kader van het openlijke geweld veroorzaakte letsel. Voor toepassing van art. 141 lid 2 Sr is immers vereist dat wordt bewezen dat de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid het gevolg is van het geweld dat de verdachte zelf heeft aangewend. Een strafbepaling kan alleen maar worden toegepast als al haar wettelijke bestanddelen voorkomen in de bewezenverklaarde tenlastelegging. Het middel klaagt hierover terecht.

3.10

Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad de zaak zelf zou kunnen afdoen door de strafverzwarende omstandigheid uit de kwalificatie weg te strepen, maar zie daarvoor onvoldoende ruimte. Uit de strafmotivering van het hof lijkt te volgen dat het hof de verdachte ook bij de strafoplegging verantwoordelijk heeft gehouden voor het zwaar lichamelijk letsel dat door het geweld van de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de aangever is opgetreden. De strafmotivering houdt immers in dat het hof bij de strafoplegging heeft meegewogen dat bij de aangever zwaar lichamelijk letsel is ontstaan als gevolg van het openlijke geweld. Bovendien noemt het hof in dat kader de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor openlijke geweldpleging dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

3.11

Het eerste middel slaagt.

4 Het tweede middel

4.1

Het tweede middel klaagt dat het oordeel van het hof dat vlak nadat de aangever was geslagen door medeverdachte [medeverdachte 2] een worsteling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het hof de aan dit oordeel ten grondslag gelegde verklaring van getuige [getuige 1] ten onrechte heeft aangemerkt als getuigenverklaring in de zin van art. 342 lid 1 Sv en dat het hof niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid en bruikbaarheid voor het bewijs van die verklaring. In de tweede plaats heeft het hof voor zijn oordeel dat er een worsteling heeft plaatsgevonden verwezen naar gegevens die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld terwijl het hof ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend en/of is het oordeel van het hof dat het uit de verklaringen van de getuige [getuige 2] en de verdachte afleidt dat er een worsteling heeft plaatsgevonden niet zonder meer begrijpelijk.

4.2

Aangezien het eerste middel slaagt, heb ik mij afgevraagd of dit tweede middel nog bespreking behoeft. Ik ben van mening dat dat het geval is, aangezien het hof – voorafgaand aan zijn oordeel over de strafverzwarende omstandigheid – eerst heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging als bedoeld in art. 141 lid 1 Sr en bij dat oordeel heeft betrokken dat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen de aangever en de verdachte.

4.3

Voor de vaststellingen van het hof omtrent de toedracht van het incident en ’s hofs oordeel over de rol van de verdachte daarbij verwijs ik naar hetgeen ik hierboven onder 3.7 en 3.8 heb overwogen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd onder meer door met de aangever in een worsteling verzeild te raken. Dat die worsteling heeft plaatsgevonden, baseert het hof onder meer op de verklaring de getuige [getuige 1] , de portier van het café waar het geweldsincident plaatsvond. Deze getuige heeft verklaard dat hij “zich kon herinneren dat [medeverdachte 1] en de broer van [medeverdachte 1] betrokken waren bij het incident en dat de broer van [medeverdachte 1] op het slachtoffer lag in de serre”. Bij de rechtbank is vastgesteld dat de getuige de verdachte (de vader van [medeverdachte 1] ) bedoelt als hij spreekt over de ‘broer van [medeverdachte 1] ’.

4.4

Volgens de steller van het middel volgt uit de verklaring van de getuige [getuige 1] niet dat hij de worsteling zelf heeft waargenomen omdat de getuige heeft verklaard dat hij zich dit ‘kon herinneren’ en niet is geverbaliseerd waar die herinnering op is gebaseerd. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen. Uit de bewijsoverwegingen van het hof volgt dat de getuige heeft verklaard hij zich het incident kon herinneren omdat het slachtoffer na de mishandeling zwaargewond naar hem toe was gekomen en hij nog met het slachtoffer had staan praten. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid dat de getuige ten tijde van het incident (als portier) aanwezig was in het café en het incident in ieder geval deels heeft waargenomen. Dat is niet onbegrijpelijk en verklaart dat de getuige zich ook kon herinneren dat de verdachte die avond op de aangever heeft gelegen. Het middel faalt in zoverre.

4.5

Voor zover er verder wordt geklaagd dat uit het arrest van het hof niet of onvoldoende zou blijken waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 1] , faalt het middel eveneens. Het hof heeft immers overwogen dat het de verklaring van de getuige [getuige 1] op dit punt betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs acht, omdat het een eerste verklaring was van de getuige, die verklaring voldoende gedetailleerd is en omdat het hof geen reden ziet om aan de inhoud van die verklaring te twijfelen. Zonder nadere motivering van het middel op dit punt, zie ik niet in waarom deze motivering van het hof niet zou voldoen.

4.6

Tot slot zouden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen geen feiten of omstandigheden bevatten waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat er een worsteling tussen de verdachte en de aangever is geweest en zou het oordeel van het hof dat die worsteling heeft plaatsgevonden onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft overwogen dat op camerabeelden te zien is dat de verdachte op het incident afrent, dat de getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de aangever op de verdachte viel en dat de verdachte zelf ook heeft verklaar dat er ‘iemand’ bovenop hem viel. Aangezien de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte bij het incident bovenop de aangever lag, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat tussen de aangever en de verdachte een worsteling heeft plaatsgevonden. In zijn bewijsoverwegingen heeft het hof bovendien voldoende nauwkeurig aangegeven op welke bewijsmiddelen het dit oordeel heeft gebaseerd en de vindplaatsen daarvan in de voetnoten 14, 16 en 18 vermeld.

4.7

Het tweede middel faalt.

5 Het derde middel

5.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

5.2

Namens de verdachte is op 14 mei 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 16 mei 2025 binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan vier maanden overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren is niet meer mogelijk.

5.3

Aan het voorgaande hoeven op dit moment echter geen consequenties te worden verbonden, aangezien ik ten aanzien van het eerste middel concludeer tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het hof.

6 Slotsom

6.1

Het eerste en het derde middel slagen. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6.2

Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 13 mei 2026 is overschreden. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021519360, gesloten op 28 april 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 32 en 33. Medische verklaring van de SEH-arts, p. 47 en 48. Medische verklaring van de MKA-chirurg in opleiding, p. 49. Factuur van tandartspraktijk [...] d.d. 7 juni 2022, bijlage 13 bij het verzoek tot schadevergoeding. E-mail van tandartspraktijk [...] d.d. 31 januari 2023, bijlage 14 bij het verzoek tot schadevergoeding. Proces-verbaal herkenning persoon door opsporingsambtenaar, p. 111. Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en proces-verbaal van bevindingen, p. 95. Proces-verbaal van bevindingen, p. 103. Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 24 april 2024. Proces-verbaal van bevindingen, p. 60 en 61. Eigen waarneming van de camerabeelden door het hof in raadkamer (videobestand [bestand 1] en openbare camera's’; 01:06 - 01:08). Eigen waarneming van de camerabeelden door het hof in raadkamer (videobestand [bestand 1] en openbare camera's’; 01:21 - 01:23). Proces-verbaal van bevindingen, p. 99. Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 9 februari 2023. De verklaring van getuige [getuige 2] afgelegd ter terechtzitting van 9 februari 2023. Proces-verbaal van bevindingen, p. 54. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van 9 februari 2023. Dit onderdeel is weergegeven in de cassatieschriftuur, vlg. HR 3 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:832, rov. 3.3. Zie HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8600, NJ 1991/30, m.nt. A.C. ‘t Hart en HR 10 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD8636, NJ 2001/687, m.nt. Y. Buruma. Wet van 25 april 2000 tot wijziging van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, Stb 2000, 173. In werking getreden op 12 mei 2000 (Stb. 2000, 193). Zie Kamerstukken II 1998/99, 26519, 3, p. 4, 6. H.J. Schmidt & J.W. Schmidt, Geschiedenis van het wetboek van strafrecht. Volledige verzameling van regeeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen enz. (Deel II), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 91. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26519, 3, p. 6. HR 6 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8498, NJ 1990, 637 m.nt. G.E. Mulder, rov. 5.2; HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230; HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:934 (over art. 182 lid 2 Sr). Ik merk op dat “dat geweld” in art. 141 lid 2 sub 2 Sr terugslaat op “het door hem gepleegde geweld” zoals genoemd in art. 141 lid 2 sub 1 Sr. Een daarop afgestemde kwalificatie geeft wellicht minder reden voor verwarring. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 350. Vgl. HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1445, rov. 3.