Strafrecht overig

Openlijke geweldpleging bij uitgaansgelegenheid in Arnhem met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
24/01902
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1804
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Openlijke geweldpleging bij uitgaansgelegenheid in Arnhem met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art. 141.2.2 Sr. Kwalificatieklacht strafverzwarende omstandigheid. Heeft door verdachte gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel bestaande uit (glasfragmenten in) meerdere wonden op hoofd/gezicht van slachtoffer en 2 losse voortanden veroorzaakt?

Strafverzwaringsgronden in art. 141.2 Sr zijn alleen van toepassing op verdachte die zelf bewezenverklaarde goederen heeft vernield, bewezenverklaard (enig of zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht of bewezenverklaarde dood heeft veroorzaakt. Verdachte kan niet o.g.v. deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de door zijn mededader(s) bij openlijke geweldpleging vernielde goederen, veroorzaakt letsel of veroorzaakte dood (vgl. HR:1990:ZC8498 en HR:2004:AR3230).

Bewezenverklaring houdt o.m. in dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen slachtoffer en dat slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit (glasfragmenten in) meerdere wonden op hoofd/gezicht en 2 losse voortanden. Hof heeft niet bewezenverklaard dat “door hem” (dus door verdachte) gepleegd geweld dat letsel heeft veroorzaakt. Nu hof verdachte heeft vrijgesproken van dat onderdeel van tll. heeft hof het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, a.b.i. art. 141.2.2 Sr.

Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01901.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 25 augustus 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:796
  2. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1804

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/01902

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 mei 2024, nummer 21-001052-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de kwalificatie door het hof van het bewezenverklaarde. Het voert daartoe aan dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’.

3.2.1

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

“hij, op of omstreeks 5 november 2021 te Arnhem openlijk, te weten in/voor uitgaansgelegenheid [B] op/aan de [a-straat 1] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door

- voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen op/tegen de borst en/of de rug, althans op/tegen het lichaam, te schoppen en/of te trappen;

- voornoemde [slachtoffer] met een glas, althans een scherp voorwerp, in/op/tegen het gezicht/hoofd en/of de arm en/of de hand, althans in/op het lichaam, te steken en/of te slaan en/of

- voornoemde [slachtoffer] op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of op/tegen zijn lichaam te schoppen/trappen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten (glasfragmenten in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en/of de arm en/of de hand en/of twee losse voortanden voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

3.2.2

Daarvan is – met vrijspraak van het onderdeel van de tenlastelegging dat het “door hem” gepleegde geweld het zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt – bewezenverklaard dat:

“hij, op 5 november 2021 te Arnhem openlijk, te weten in/voor uitgaansgelegenheid [B] aan de [a-straat 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door

- voornoemde [slachtoffer] tegen de borst en de rug te trappen;

- voornoemde [slachtoffer] met een glas, tegen het gezicht/hoofd te slaan en

- voornoemde [slachtoffer] tegen het hoofd te stompen en tegen zijn lichaam te trappen, terwijl dit gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten (glasfragmenten in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en twee losse voortanden voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.”

3.2.3

Het hof heeft over die gedeeltelijke vrijspraak en met betrekking tot de bewezenverklaring onder meer overwogen:

“Het hof is (...) van oordeel dat niet uit het dossier volgt dat het aan aangever toegebrachte zwaar lichamelijk letsel door verdachte is toegebracht. In zoverre zal verdachte dan ook partieel van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Conclusie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , terwijl het door medeverdachte [medeverdachte 2] gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.”

3.2.4

Het hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’.

3.3.1

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 141 lid 1 en 2, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.

3.3.2

Artikel 141 lid 1 en 2 Sr luidt:

“1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

2. De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien dat geweld de dood ten gevolge heeft.”

3.4

De strafverzwaringsgronden die in artikel 141 lid 2 Sr zijn opgenomen, zijn alleen van toepassing op de verdachte die zelf de bewezenverklaarde goederen heeft vernield, het bewezenverklaarde (enig of zwaar) lichamelijk letsel heeft toegebracht of de bewezenverklaarde dood heeft veroorzaakt. De verdachte kan niet op grond van deze bepaling strafrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor de door zijn mededader(s) bij de openlijke geweldpleging vernielde goederen, het veroorzaakte letsel of de veroorzaakte dood. (Vgl. HR 6 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8498 en HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3230.)

3.5

De onder 3.2.2 weergegeven bewezenverklaring houdt onder meer in dat de verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit (glasfragmenten in) meerdere wonden op het hoofd/gezicht en twee losse voortanden. Het hof heeft niet bewezenverklaard dat het “door hem” (dus door de verdachte) gepleegde geweld dat letsel heeft veroorzaakt. Nu het hof de verdachte heeft vrijgesproken van dat onderdeel van de tenlastelegging heeft het hof – in het licht van wat onder 3.4 is overwogen – het bewezenverklaarde ten onrechte gekwalificeerd als ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, zoals bedoeld in artikel 141 lid 1 en 2, aanhef en onder 2°, Sr.

3.6

Het cassatiemiddel slaagt.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.