Strafrecht overig
Mishandeling van beveiligingsmedewerker van gemeentehuis, art. 300.1 Sr. Inlichtingenplicht van art. 28a.2…
Hoge Raad, 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1806 · Hoge Raad · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1806
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 23/05077
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1806
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Mishandeling van beveiligingsmedewerker van gemeentehuis, art. 300.1 Sr. Inlichtingenplicht van art. 28a.2 Sv. Heeft hof de zorg voor effectieve verdediging zonder meer aan verdachte gelaten en hem niet ingelicht over gevolgen van doen van afstand van rechtsbijstand?
Art. 6.3.c EVRM kent verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in WvSv. O.g.v. art. 28 Sv is verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door gekozen of aangewezen raadsman. Waar het gaat om onderzoek ttz. is het aan verdachte om te kiezen of hij zichzelf wil verdedigen, of zich wil laten verdedigen door advocaat. Afgezien van enkele uitzonderingssituaties, kan verdachte afstand doen van recht op rechtsbijstand. In art. 28a.1 Sv is bepaald dat verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand kan doen van recht op rechtsbijstand. Om zo afstand te kunnen doen, moet verdachte voldoende geïnformeerd zijn (vgl. HR:2022:825). Art. 28a.2 Sv schrijft voor dat wanneer het rechter duidelijk is dat verdachte afstand wil doen van recht op rechtsbijstand, deze hem inlicht over gevolgen daarvan en hem mededeelt dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Van verstrekken van die inlichtingen en doen van die mededeling wordt p-v opgemaakt.
Voor beantwoording van vraag of verdachte overeenkomstig art. 28a.1 Sv afstand heeft gedaan van recht op rechtsbijstand, is o.m. van belang of sprake is van concrete beperkingen die samenhangen met eventuele kwetsbaarheid van verdachte (bijvoorbeeld in relatie tot proceshouding of vermoede psychische stoornis), die rechter aanleiding geven om na te gaan of verdachte redelijkerwijs in staat is te oordelen over mogelijke gevolgen van afstand van recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over doen van afstand (vgl. HR:2024:556).
Uit procesverloop blijkt dat verdachte ttz. in hoger beroep zonder raadsman is verschenen, terwijl hij in eerste aanleg en aanvankelijk ook in fase van h.b. is bijgestaan door raadsman. Uit p-v van die tz. blijkt niet dat hof verdachte heeft geïnformeerd op manier als in art. 28a.2 Sv is voorgeschreven en ook niet dat hof is nagegaan of verdachte op eerder moment, bij doen van afstand, betreffende informatie heeft ontvangen. Dat leidt niet tot cassatie.
Dit verzuim leidt alleen dan tot nietigheid van onderzoek ttz. en naar aanleiding daarvan gewezen arrest, als vast komt te staan dat verdachte door dat verzuim in zijn (mede door art. 6.3.c EVRM gewaarborgde) belangen is geschaad. Uit p-v van tz. in h.b. volgt dat hof de keuze van verdachte om zichzelf ttz. te verdedigen, heeft gerespecteerd. Daarin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over mogelijke gevolgen van afstand van rechtsbijstand en dat behandeling van zaak zonder dat verdachte werd bijgestaan door raadsman, niet onverenigbaar is met recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu uit p-v van tz. in h.b. niet kan worden afgeleid dat sprake was van concrete beperkingen die samenhangen met eventuele kwetsbaarheid van verdachte op grond waarvan hof ervan blijk had moeten geven te hebben nagegaan of verdachte redelijkerwijs in staat was te oordelen over mogelijke gevolgen van afstand van recht op rechtsbijstand. Verder volgt uit p-v van tz. in h.b. dat hof tijdens behandeling van zaak bijzondere aandacht heeft geschonken aan omstandigheid dat verdachte niet werd bijgestaan door raadsman en heeft bewaakt dat verdachte de verdediging naar eigen inzicht heeft kunnen voeren. Hof heeft behandeling van zaak 2 maal aangehouden op verzoek van verdachte. Ook heeft hof (inhoudelijke) behandeling onderbroken om verdachte in staat te stellen toelichting te geven op de door hem gestelde “medische redenen”. Hof heeft tevens door verdachte aangevoerde verweren nader geduid in juridische termen en in zijn arrest besproken.
Volgt verwerping.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 juni 2026
ECLI:NL:PHR:2026:591Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1806
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/05077
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 december 2023, nummer 21-002537-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1.Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over schending van artikel 28a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat het hof de verdachte niet heeft ingelicht over de gevolgen van het doen van afstand van rechtsbijstand en ook overigens de zorg voor een effectieve verdediging zonder meer aan de verdachte heeft gelaten.
De verdachte wordt vervolgd voor de mishandeling van een beveiligingsmedewerker van het gemeentehuis. De verdachte is door het hof veroordeeld voor mishandeling en aan hem is een geheel voorwaardelijke taakstraf opgelegd van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 en 4.3. In het bijzonder is het volgende van belang:
- tijdens de behandeling van de zaak door de politierechter op 2 februari 2021 en 20 mei 2021 is de verdachte bijgestaan door de raadsman [advocaat 1] ;
- de politierechter heeft op 20 mei 2021 de verdachte veroordeeld voor mishandeling en aan hem een taakstraf van dertig uren, waarvan twintig uren voorwaardelijk opgelegd;
- op 31 mei 2021 heeft [advocaat 2] zich als raadsman van de verdachte gesteld en hoger beroep ingesteld;
- op 29 juli 2021 heeft [advocaat 2] het hof laten weten zich te onttrekken als raadsman van de verdachte;
- voorafgaand aan de terechtzitting van 31 augustus 2022 heeft de verdachte een wrakingsverzoek ingediend jegens de raadsheren [advocaat 3] en [advocaat 4] . Dit verzoek is op 30 september 2022 afgewezen;
- daarop is een nieuwe terechtzitting gepland op 12 januari 2023;
- voorafgaand aan die terechtzitting heeft de verdachte e-mails aan het hof verzonden die onder meer een aanhoudingsverzoek inhielden;
- per e-mail van 6 januari 2023 heeft het hof de verdachte op voorhand laten weten dat de zaak op 12 januari 2023 zal worden aangehouden;
- op 11 januari 2023 heeft het hof een wrakingsverzoek jegens de raadsheren [advocaat 3] en [advocaat 5] ontvangen;
- op 12 januari 2023 is de behandeling van de zaak in afwezigheid van de verdachte en/of een raadsman voor onbepaalde tijd aangehouden;
- op 21 oktober 2023 is de verdachte opgeroepen voor de terechtzitting van 7 december 2023;
- op 1 en 5 december 2023 heeft de verdachte per e-mail het hof opnieuw om aanhouding verzocht;
- op 6 december 2023 heeft het hof de verdachte per e-mail bericht dat de hernieuwde aanhoudingsverzoeken niet worden toegewezen en dat de zaak op 7 december 2023 zal worden behandeld;
- de verdachte heeft hierop op 6 december 2023 per e-mail aan het hof bericht dat dit voor hem “geen probleem” is en dat hij er op 7 december 2023 zal zijn;
- de verdachte is op 7 december 2023 ter terechtzitting verschenen zonder raadsman.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 december 2023 houdt onder meer in:
“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
Verdachte deelt mee: Ik wil vanwege mijn privacy niet dat u mijn personalia vaststelt. Ik wil mijn geboortedatum niet hardop zeggen. Ik wil ook niet dat u dat voor mij doet.
De voorzitter deelt mee dat de wet voorschrijft dat de personalia van verdachte worden vastgesteld. De voorzitter stelt vervolgens de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
(...)
Verdachte deelt mee: Ik stel geen prijs op de aanwezigheid van de drie medewerkers van de parketpolitie in de zittingszaal. Dat is niet gebruikelijk bij de behandeling van een zaak als deze, een eenvoudige mishandeling. Ik wil verder graag spreken over het gedrag van de benadeelde partij. Daarom wil ik niet dat zij bij de behandeling van de zaak aanwezig zijn. Het gaat om de beeldvorming van het hof. Ik wil niet dat dingen groter worden gemaakt dan ze zijn. Als het hof aan mijn veiligheid twijfelt, dan wil ik een rapport daarover zien. Dit is met mij niet overlegd. Ik ben niet een verdachte in deze zaak. Jullie zouden vanwege de onschuldpresumptie rekening met mij moeten houden. Ik heb geen politie in mijn buurt nodig.
De voorzitter deelt mee dat niet wordt gediscussieerd over de aanwezigheid van de medewerkers van de parketpolitie.
Verdachte vervolgt:
Ik wil nog iets over de benadeelde partij zeggen. De benadeelde partij naderde mij zojuist in de hal te dicht, met uitlokkende gebaren. Ik voel mij uitgelokt en geïntimideerd.
De voorzitter deelt mee dat de benadeelde partij zo meteen toegelaten zal worden in de zittingszaal en dat deze zo ver mogelijk van verdachte plaats zal nemen, vergezeld van een medewerker van Slachtofferhulp Nederland.
Verdachte laat weten dat hij niet wil dat de benadeelde partij in de zittingszaal aanwezig is.
De voorzitter deelt mee dat de benadeelde partij het recht heeft om in de zittingszaal aanwezig te zijn.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen deze zal horen en deelt verdachte mede dat deze niet tot antwoorden verplicht is.
(...)
De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.
Verdachte vraagt:
Mag de parketpolitie afstand houden? Ik voel me in hun aanwezigheid echt beperkt.
De voorzitter deelt, na de hoofdschuddende reactie van de parketpolitie op deze vraag, mee dat de voorzitter de orde bepaalt en dat het verzoek niet zal worden gehonoreerd.
Verdachte reageert:
Jullie mishandelen mij gewoon. Deze afstand tot de parketpolitie is te dicht voor mij. Ik wil dat u rekening met mij houdt. Ik heb medische redenen. U vraagt naar de medische redenen, maar het moet niet openbaar worden wat ik zeg. Wat wilt u? Ik heb het gerechtsbestuur geïnformeerd. Ik weet het beter dan jullie. Ik ken de wet net zo goed als u. Als u de wet niet op mij toepast, dan weet ik de wet beter. De benadeelde partij heeft mij gewurgd. Als jullie mij klem denken te kunnen zetten: dat kan niet. Jullie zijn raadsheren, ik zie jullie niet anders als dan wat ik gewend ben van jullie. Als de realiteit niet aanslaat op jullie functie, dan wil ik dat besproken hebben. Ik wi1 een behandeling achter gesloten deuren. Ik moet in de gelegenheid gesteld worden om in alle rust mijn verdediging voor te bereiden. In deze situatie ben ik buiten mijn comfortzone en dat is niet de juiste positie voor een procespartij.
Het hof geeft verdachte vijf minuten om hem de gelegenheid te geven om zich te beraden over welke medische redenen hij wil aanvoeren op grond waarvan de zaak achter gesloten deuren moet worden behandeld. Op voorstel van de voorzitter verlaten daarom alle partijen, met uitzondering van verdachte en de parketpolitie, de zittingszaal korte tijd. De voorzitter deelt mee dat dit de laatste onderbreking van de behandeling van de zaak op dit punt zal zijn.
Na hervatting van het onderzoek ter zitting deelt verdachte, in aanwezigheid van enkel de leden van het hof en de parketpolitie, mee:
Ik ben bijzonder hooggevoelig. Daarmee heeft het vooral te maken, met omgevingsgevoeligheid. Ik heb gezegd dat ik medische stukken moet aanleveren. Ik zoek naar de juiste persoon maar ik kan niemand vinden die dat voor mij wil doen. Als ik zulke dingen bespreek, beginnen ze raar te doen. Net zoals de blik die de benadeelde partij op mij wierp. Dat is intimidatie. Deze medische redenen breiden zich uit. Ik wil dat het hof daarmee de connectie legt. Ik wilde wel iets over de behandeling in eerste aanleg zeggen, maar dan achter gesloten deuren.
Het hof trekt zich korte tijd terug voor beraad. Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mee:
Het hof wijst het verzoek van verdachte om de zaak achter gesloten deuren te behandelen af. Het hof heeft er begrip voor dat de behandeling van deze strafzaak heel spannend voor verdachte is, maar verdachte verschilt in dat opzicht niet van andere verdachten. Er zijn door verdachte geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden afgeweken van de wettelijke regel om de zaak in het openbaar te behandelen. Openbaarheid in strafzaken is een groot goed. Het hof ziet ook ambtshalve geen redenen om de zaak achter gesloten deuren te behandelen.
De voorzitter laat de overige partijen terugkeren in de zittingszaal.
Verdachte wordt opnieuw in de gelegenheid gesteld kort zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
Verdachte deelt mee:
De officier van justitie die optrad bij de zitting van 2 februari 2021 was nog in opleiding. Die informatie werd pas bekend nadat ik mijn advocaat tuchtrechtelijk had aangesproken. De zitting is verplaatst en de officier van justitie is vervangen door mr. [Officier van Justitie] . In het vonnis staat informatie met betrekking tot uitspraken van officier van justitie mr. [Officier van Justitie] . Daarin is verwezen naar de procesinbreng van de officier van justitie in opleiding.
De voorzitter deelt mee dat de bezwaren beknopt dienen te worden opgegeven.
Verdachte reageert:
U belet mij in het voeren van mijn verdediging. U bent het enige communicatieprobleem bij de behandeling van deze zaak. Er zijn twee redenen waarom het vonnis nietig moet worden verklaard:
1. in het vonnis staat een verwijzing naar het eerste optreden en de eis van de officier van justitie, die destijds in opleiding was. Dat levert nietigheid op.
2. de strafmaat. De uitspraak ter zitting en het vonnis komen niet overeen. Dat levert ook nietigheid op.
Verder is er sprake van aantasting van mijn rechten. Er is een vonnis gewezen dat wat mij betreft nietig is. Daarna is er een DNA-profiel van mij opgemaakt. Ik wil vrijgesproken worden, met als gevolg dat mijn DNA uit de DNA-databank wordt verwijderd. Verder was het optreden van mijn advocaat in eerste aanleg zodanig dat het bijdroeg aan het verkeerd informeren van de rechtbank. Hij riep namens mij dingen die konden leiden tot een veroordeling. Daardoor heeft de rechter zich verkeerd gepositioneerd. Deze vorm van optreden raakt het nemo-teneturbeginsel.
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak en vat de feiten samen, zoals deze uit het dossier blijken. De voorzitter vraagt of verdachte wel of niet opzettelijk van zich af heeft geschopt om iemand daarmee te raken.
Verdachte reageert: Dank dat u de feiten goed verwoord heeft, maar ik wil daarop wel wat correcties aanbrengen. Ik en mijn moeder hadden online een afspraak gemaakt voor 14 oktober. Ik had de afspraak uitgeprint. [betrokkene 1] heeft de afspraak voor 6 november bevestigd. Je verwacht dan dat de afspraak per mail toegezonden wordt. Wij kwamen daar met die verwachting. Zij hadden allerlei problemen en wij werden daarvan het slachtoffer. Wij kwamen bij het gemeentehuis en de gastheer was nergens te bekennen. De gastheer die later kwam, had een wit shirt. In principe moet een gastheer herkenbaar zijn. Hij gedroeg zich op een bepaalde manier en mijn recht op privacy werd niet door hem begrepen. Ik weet wat mijn privacy is. De gastheren bij het hof waren vandaag perfect in al hun handelingen. Daar was niets mee aan de hand. De gastheer hier heeft mij helemaal niet gevraagd naar mijn gegevens.
De voorzitter vat samen:
Er ontstond een discussie met een gastheer en er kwam een beveiliger bij. Het voortraject is voor de rechtsvragen minder relevant, het hof wil weten wat er in het tourniquet is gebeurd. Ik maak uit de stukken op dat u op een gegeven moment door de beveiliging naar het tourniquet bent gebracht. Kunt u kort samenvatten wat daar is gebeurd?
Verdachte reageert:
Zo is het niet gegaan. Ik kan niet to-the-point zijn. Het ging om het moment dat de gastheer niet als zodanig herkenbaar was en zich niet als zodanig gedroeg. Onze afspraak bleek niet in de computer te staan en dat moest gecontroleerd worden. Als de gastheer geen bron heeft om dat te verifiëren, wat moet hij dan met mijn documenten of geboortedatum?
De voorzitter deelt mee dat het door verdachte ter sprake gebrachte punt voldoende is besproken.
Verdachte vervolgt:
Mijn moeder is mindervalide zonder rolstoel. Ik heb haar weggebracht. Er was geen bode te bekennen. De gastheer kwam over als een enquêteur. Beveiliger 1 was ingeseind. Dan vraag je je af: ben je nou een bode? Ik heb met de beveiliger gesproken.
De voorzitter deelt mee:
Dan blijkt dat jullie niet tot een oplossing kunnen komen en komen er meerdere beveiligers bij. U zou naar buiten gaan. U bent bij het tourniquet. Uw moeder gaat als eerste het tourniquet in en u volgt daarna. Wat gebeurt daarna?
Verdachte antwoordt:
Ik verwijs naar wat ik net tijdens het besloten deel van de zitting heb gezegd. Op dit moment kan ik niet zonder ongevoeligheid daarover spreken. Ik ben iemand met verstand. Voor we naar het tourniquet gingen, zag ik de benadeelde partij aan komen rennen richting de centrale hal. Ik zou geprobeerd hebben [betrokkene 2] een klap hebben gegeven. Dat kan niet. Het enige wat ik heb gedaan is zijn vaart naar mij toe minderen. Dat was in de centrale hal, voordat de benadeelde partij aan kwam lopen. Ik verkeerde in een noodweersituatie. Hij tastte mijn moeder aan.
Op het moment dat wij het tourniquet naderen is er een cruciale nuance. Deze man, de benadeelde partij, zat met zijn erogene zones tegen mijn lichaam aan. Hoe vervelend dat voor mij ook is, dat is een bijdrage aan het ontstaan van een nare situatie waarin ik bepaalde dingen moest doen en moest toezien hoe mijn mindervalide moeder werd geslagen. Ik werd tegengehouden zonder enige instructie van een beveiliger.
De voorzitter vraagt:
Wat is er gebeurd bij het tourniqet?
Verdachte reageert:
Mag ik mijn verhaal rustig doen? Ik begrijp van u dat uw vraag is wat bij het tourniquet is gebeurd. Dan had u het meteen daarover moeten hebben. Als we de beelden bekijken, zien we dat deze man mij in mijn rug in de draaideur duwt. In die heftige toestand. Ik was op dat moment aan praten met de donkere beveiliger. Mijn moeder is niet als eerste de draaideur in gegaan. Mijn moeder ging naar binnen. Het was gewoon walgelijk hoe zij met hun erogene zones dichtbij me stonden. Als man kan ik dat niet hebben. De benadeelde partij stond op een andere plek, ver weg van mij, toen ik met de donkere beveiliger aan het praten was. Ik heb de sensor van het tourniquet geactiveerd omdat ik daar weg wilde. Waarom kwam die man bij mij?
Mijn hersenen onthouden dingen in heftige toestand. Ik verkeerde in een overmachtssituatie. Ik werd in de draaideur geduwd.
U houdt mij voor dat op de camerabeelden zichtbaar is dat ik een trappende beweging maak. Nee, er worden twee dingen door elkaar gehaald: het is of een schoppende beweging of een trappende beweging. Wat ik met mijn been deed? Ik ben niet onberekenbaar of onbetrouwbaar. Ik ben niet van die categorie. Ik ben niet gewelddadig.
Ik ontken dat ik de tenlastegelegde trapbeweging heb gemaakt. Ik heb het woord ‘trap’ ook niet gebruikt bij mijn verhoor. Ik heb een voetbeweging gemaakt. Die beweging is beschreven in de politieverhoren. Ik kan het niet voordoen. Het was geen trap of een schop. Ik heb de bewegingen op de beelden niet herkend als een beweging. Ik maak de supermarktdeur ook op die manier open. We moeten kijken in hoeverre ik aangetast ben. Er is geen sprake van een strafbaar feit. Dit is een uniek geval.
De voorzitter stelt verdachtes persoonlijke omstandigheden aan de orde.
Verdachte reageert:
Ik had de zaak volledig voorbereid. Een hoger beroep is een juridisch proces.
De voorzitter deelt mee dat verdachte na het requisitoir juridisch-inhoudelijk mag reageren.
Verdachte deelt met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden mee: [Ik ben fulltime onbetaald mantelzorger voor mijn moeder. Ik ben zorgmanager van mijn moeder. Ik zoek de professionals uit die mijn moeder de juiste zorg kunnen geven. Ik heb geen relatie. Ik houd van paarden. Ik zou een eigen bedrijf willen beginnen.
De oudste raadsheer vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot de naturalisatieprocedure.
Verdachte reageert:
Wij voelen ons geen volwaardige burgers tot deze zaak is afgerond. Pas na een vrijspraak kan ik verder met mijn leven. Ik ben een perfecte burger. Ik woon al 23 jaren in Nederland en kon binnen een jaar Nederlands spreken.
(...)
Verdachte voert het woord tot verdediging, aanvoerende: Er is geen enkel bewijs voor het tenlastegelegde. De medewerker van Slachtofferhulp Nederland haalt er andere dingen bij. En met betrekking tot de eis van een voorwaardelijke straf: de veroordeling blijft bestaan. Ik wil een gehele vrijspraak.
De advocaat-generaal komt mij tegemoet. Elk slachtoffer en elke benadeelde partij heeft recht op respect. Maar deze benadeelde partij is geen benadeelde partij. Daarom kan er van een vordering ook geen sprake zijn.
(...)
Aan verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt mee: Ik wil dit afsluiten. Ik wil graag een vrijspraak. Er is geen enkele bemiddeling voorgesteld. Als ik mijn verblijf in Nederland wil voortzetten, moet u mij vrijspreken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 21 december 2023 te 13:30 uur.”
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
“De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.”
“1. De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald.
2. Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte de in het eerste lid bedoelde afstand van recht wil doen, licht deze hem in over de gevolgen daarvan en deelt deze hem mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.”
- Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.”
Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 28 Sv is de verdachte bevoegd zich te doen bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman.
Waar het gaat om het onderzoek op de terechtzitting, is het aan de verdachte om te kiezen of hij zichzelf wil verdedigen, of zich wil laten verdedigen door een advocaat. Afgezien van enkele in de wet geregelde uitzonderingssituaties, kan de verdachte afstand doen van het recht op rechtsbijstand. In die mogelijkheid is voorzien in artikel 28a lid 1 Sv. Hierin is bepaald dat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand kan doen van het recht op rechtsbijstand. Om zo afstand te kunnen doen, moet de verdachte voldoende geïnformeerd zijn (vgl., in een ander verband, HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825, rechtsoverweging 2.4.2). Artikel 28a lid 2 Sv schrijft (onder meer) voor dat wanneer het de rechter duidelijk is dat de verdachte afstand wil doen van het recht op rechtsbijstand, deze hem inlicht over de gevolgen daarvan en hem mededeelt dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Van het verstrekken van die inlichtingen en het doen van die mededeling wordt proces-verbaal opgemaakt.
Voor de beantwoording van de vraag of een verdachte overeenkomstig artikel 28a lid 1 Sv afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand, is onder meer van belang of sprake is van concrete beperkingen die samenhangen met de eventuele kwetsbaarheid van de verdachte (bijvoorbeeld in relatie tot de proceshouding van de verdachte of een bij hem vermoede psychische stoornis), die de rechter aanleiding geven om na te gaan of de verdachte redelijkerwijs in staat is te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand en dus in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het doen van afstand (vgl. HR 9 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:556, rechtsoverweging 2.8.3).
Uit het onder 2.2.1 weergegeven procesverloop blijkt dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2023 zonder raadsman is verschenen, terwijl hij in eerste aanleg en aanvankelijk ook in de fase van het hoger beroep is bijgestaan door een raadsman. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt niet dat het hof de verdachte heeft geïnformeerd op de manier als in artikel 28a lid 2 Sv is voorgeschreven, en ook niet dat het hof is nagegaan of de verdachte op een eerder moment, bij het doen van afstand, de betreffende informatie heeft ontvangen. Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. Dat leidt om de volgende redenen niet tot cassatie.
Het onder 2.5.1 bedoelde verzuim leidt alleen dan tot nietigheid van het onderzoek op de terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest, als vast komt te staan dat de verdachte door dat verzuim in zijn – mede door artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM gewaarborgde – belangen is geschaad. Uit het onder 2.2.2 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat het hof de keuze van de verdachte om zichzelf op de terechtzitting te verdedigen, heeft gerespecteerd. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de verdachte redelijkerwijs in staat is geweest te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand en dat de behandeling van de zaak zonder dat de verdachte werd bijgestaan door een raadsman, niet onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet kan worden afgeleid dat sprake was van concrete beperkingen die samenhangen met een eventuele kwetsbaarheid van de verdachte op grond waarvan het hof ervan blijk had moeten geven te hebben nagegaan of de verdachte redelijkerwijs in staat was te oordelen over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op rechtsbijstand. Verder volgt uit dat proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat het hof tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht heeft geschonken aan de omstandigheid dat de verdachte niet werd bijgestaan door een raadsman en heeft bewaakt dat de verdachte de verdediging naar eigen inzicht heeft kunnen voeren. Het hof heeft de behandeling van de zaak tweemaal aangehouden op verzoek van de verdachte. Ook heeft het hof de (inhoudelijke) behandeling op 7 december 2023 onderbroken om de verdachte in staat te stellen een toelichting te geven op de door hem gestelde “medische redenen”. Het hof heeft tevens de door de verdachte aangevoerde verweren nader geduid in juridische termen en in zijn arrest besproken, zoals is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.2 en 6.3.
Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van dertig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.