Strafrecht overig

Poging tot doodslag, art. 287 Sr. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 452.2 Sv en 4.3.3.4 Procesreglement…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
2 november 2026
Zaaknummer
25/03400
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1803
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Poging tot doodslag, art. 287 Sr. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 452.2 Sv en 4.3.3.4 Procesreglement HR. Voldoet cassatieschriftuur aan vereisten, nu machtiging van raadsman ontbreekt?

Schriftuur bevat niet verklaring van raadsman dat hij tot indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door verdachte. Raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, maar daarvan is geen gebruik gemaakt. Verdachte heeft dus niet op voorgeschreven manier bij HR door raadsman een schriftuur met middelen doen indienen (zie art. 452.2 Sv). Gevolg daarvan is dat HR het beroep van verdachte niet in behandeling kan nemen.

Verdachte n-o.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 september 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:3027
  2. Conclusie A-G · 8 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:1065
  3. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1803

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 25/03400

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 september 2025, nummer 20-000445-24, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.R.J.W. Delsing bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Artikel 4.3.3.4 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden luidt:

“De schriftuur van een advocaat dient de verklaring te bevatten dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door degene namens wie hij optreedt. Bij verzuim de hiervoor bedoelde verklaring af te leggen, stelt de rolraadsheer de advocaat in de gelegenheid tot het alsnog afleggen van die verklaring binnen een daartoe te stellen termijn.”

2.2

De schriftuur bevat niet de verklaring van de raadsman dat hij tot de indiening bepaaldelijk is gevolmachtigd door de verdachte. De raadsman is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen maar daarvan is geen gebruik gemaakt. Ook blijkt niet uit de stukken dat de raadsman door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot de indiening van de schriftuur.

2.3

De verdachte heeft dus niet op de voorgeschreven manier bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur met cassatiemiddelen doen indienen (zie artikel 452 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.