Strafrecht overig
Schending van ambtsgeheim door als politiesurveillant vertrouwelijke informatie over aangehouden persoon te…
Hoge Raad, 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1805 · Hoge Raad · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1805
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 2 november 2026
- Zaaknummer
- 25/01023
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1805
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Schending van ambtsgeheim door als politiesurveillant vertrouwelijke informatie over aangehouden persoon te verspreiden (art. 272.1 Sr), poging tot seksuele verleiding van minderjarig meisje (art. 248a (oud) Sr) en vertonen van schadelijke afbeelding aan dit meisje (art. 240a (oud) Sr). Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting i.v.m. vormverzuim, nu verdachte niet is gewezen op recht op rechtsbijstand, art. 359a Sv. Kon hof oordelen dat toen verbalisant op 7-3-2022 en op 15-3-2022 telefonisch contact had met verdachte, geen sprake was verhoor?
HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:853 m.b.t. mededeling van recht op rechtsbijstand aan niet aangehouden verdachte bij eerste verhoor en omstandigheden waaronder sprake is van ‘verhoor’.
Hof heeft vastgesteld dat, toen politie op 7-3-2022 telefonisch contact opnam met verdachte, verbalisant de verdachte heeft gevraagd naar inloggegevens van Snapchat-account. Toen politie op 15-3-2022 opnieuw telefonisch contact opnam met verdachte, heeft verbalisant de verdachte medegedeeld dat tweede Snapchat-account was aangetroffen en heeft zij verdachte gevraagd of hij politie toestemming wilde geven om in dit tweede Snapchat-account te kijken en dit te onderzoeken. ’s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat bij deze 2 telefoongesprekken steeds geen sprake was van verhoor, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hierbij is van belang dat vragen die verdachte tijdens die gesprekken zijn gesteld kennelijk waren bedoeld om toegang te verkrijgen tot zijn Snapchat-account (op 7-3-2022) en om toestemming te krijgen tot het doen van onderzoek aan zijn tweede Snapchat-account (op 15-3-2022), en dat deze vragen er dus niet op waren gericht om van verdachte verklaring te verkrijgen over zijn betrokkenheid bij strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt. Enkele omstandigheid dat met het vragen om inloggegevens en toestemming het verdere verloop van strafrechtelijk onderzoek kon worden vergemakkelijkt, betekent niet dat die vragen gericht waren op het verkrijgen van zo’n verklaring.
Volgt verwerping.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 6 juli 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:4162Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:757Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1805
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01023
Datum 3 november 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 maart 2025, nummer 23-002151-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.J. van der Woude bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de (gedeeltelijke) verwerping van een verweer dat strekt tot bewijsuitsluiting omdat de verdachte niet is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand. Het keert zich tegen het oordeel van het hof dat toen een verbalisant op 7 maart 2022 en op 15 maart 2022 telefonisch contact had met de verdachte, geen sprake was van een verhoor.
De verdachte is veroordeeld voor “enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd”, “poging tot door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding een persoon waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen en/of van hem te dulden” en “een afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat deze jonger is dan zestien jaar”. De bewezenverklaring is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2, 3.2 en 4.2.
Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank houdt over de bewezenverklaring onder meer in (met inbegrip van voetnoten 1, 5, 10 en 14):
“4.1 Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op zondagavond 13 februari 2022 is [betrokkene 1] , wiens artiestennaam [naam 1] is, door de politie als verdachte aangehouden en naar het hoofdbureau van politie te [plaats] gebracht alwaar hij tot en met woensdagochtend 16 februari 2022 in het cellencomplex gedetineerd heeft gezeten. [voetnoot 1]
Op dinsdagochtend 15 februari 2022 is tijdens de briefing door de politie besproken dat [betrokkene 1] niet wilde eten en emotioneel werd. En er zijn toen foto’s van hem gemaakt voor het vastleggen van zijn persoonsgegevens.
De verdachte is surveillant van politie. Hij was naar eigen zeggen aan het werk in de periode dat [betrokkene 1] vastzat. Hij hoorde collega’s over [betrokkene 1] praten en hoorde een van hen zeggen dat [betrokkene 1] spijt had en dat hij aan het huilen was en dat hij niet at.
De verdachte heeft op 15 februari 2022 in de groepsapp met [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] het volgende bericht gestuurd: “Echt mooi er zit net een collega te kijken bij de cellencomplexen en we zien [naam 1] (...) er tussen staan hahaha zijn nieuwe foto’s gemaakt ziet er doorheen uit! [naam 1] wilt helemaal vaak roken maar mag niet hahahaah” [voetnoot 5]
Toen de verdachte was thuisgekomen van zijn werk, heeft hij met iemand genaamd [persoon 1] gechat. Tijdens dat gesprek kwam [naam 1] ter sprake. De verdachte heeft toen dingen over [naam 1] verteld. ‘ [persoon 1] ’ heeft van dit gesprek een screenshot gemaakt. Het desbetreffende screenshot is op het juicekanaal ‘ [...] ’ terechtgekomen. [persoon 1] heeft verklaard dat de verdachte haar na zijn dienst heeft geappt dat hij [naam 1] heeft gezien, dat die niet wilde eten en alleen maar zat te huilen.
De informatie die de verdachte heeft verstrekt, komt overeen met de loggingen uit het cellencomplex.
In de privételefoon van de verdachte is het Snapchataccount “ [naam 2] ” aangetroffen. In dat Snapchataccount zijn chats aangetroffen met “ [naam 3] ”. Deze chats hebben plaatsgevonden in de periode augustus 2020 en september 2020. In een van de chats worden door “ [naam 2] ” berichten aan [slachtoffer] verstuurd die in de tenlastelegging staan. [voetnoot 10] “ [naam 2] ” is het account van de verdachte. [naam 3] betreft [slachtoffer] . Zij is op [geboortedatum] 2007 geboren. In de telefoon van [slachtoffer] zijn twee dezelfde foto’s aangetroffen als de foto’s in de telefoon van de verdachte. De ene foto betreft een afbeelding van de verdachte. De andere foto betreft een afbeelding van een stijve penis, een zogenoemde dickpic. [voetnoot 14]
voetnoot 1: Het proces-verbaal van bevindingen: Onderzoek iPhone XS ( [verdachte] - [...] ) (...).
voetnoot 5: Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek iPhone XS ( [verdachte] - [...] ) (...) en het proces-verbaal verhoor van de verdachte [verdachte] (...).
voetnoot 10: Het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek tweede Snapchataccount verdachte en account [naam 3] (...) en het geschrift, zijnde de bijlage bij dit proces verbaal (...).
voetnoot 14: Proces-verbaal van bevindingen beschrijving dickpic (...).”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2025 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“4.3 Standpunt verdediging in hoger beroep met betrekking tot het verzoek tot bewijsuitsluiting in zaak A en zaak B:
De rechtbank heeft het verweer, dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen verworpen, met uitzondering van het verhoor op 16 februari 2022. De verdediging kan zich niet verenigen met dit oordeel. De verdediging verzoekt Uw gerechtshof in hoger beroep tot bewijsuitsluiting van de resultaten die zijn voortgevloeid uit de contacten met verdachte op 7 en 15 maart 2022 nu dit onrechtmatig is verkregen.
De verdediging herhaalt het standpunt in eerste aanleg, opgenomen in de bijgevoegde pleitnota ter zake van de verdenking van schending van het ambtsgeheim, dat cliënt ten onrechte niet op zijn recht op consultatie is gewezen bij de contacten tussen hem en de politie op voornoemde data.
Cliënt is geen enkel moment vanaf de start van het onderzoek gewezen op zijn recht op rechtsbijstand van een advocaat. Cliënt is door zijn leidinggevende doorverwezen naar de vakbond en zij deelden cliënt mede dat zij hem juridisch niet konden bijstaan maar dat hij een advocaat moest inschakelen omdat hij verdacht werd van een strafbaar feit. Pas op dat moment werd hem duidelijk dat het geen intern onderzoek betrof maar dat hij een advocaat nodig had voor zijn positie als verdachte in een strafzaak.
In de visie van de verdediging had cliënt al vanaf het eerste contact met de politie ter zake van het ingestelde onderzoek, erop moeten worden gewezen dat hij recht heeft op bijstand en advies van een advocaat. Uit de inhoud van de telefonische gesprekken volgt dat er inhoudelijke vragen aan cliënt gesteld zijn met betrekking tot de verdenking, namelijk het verstrekken van inloggegevens en informatie en vervolgens de vraag om toestemming.
Het bevel gegeven aan en/of de vordering gericht tot verdachte, in opdracht van de OvJ door verbalisanten tot de “gebruikersnaam'’ en/of “inloggegevens” van verdachtes “Snapchataccount” is een bevel en/of vordering op grond van de in Sv opgenomen (samengevat) Bob-bevoegdheden, is in strijd met het recht gegeven aan en/of gericht tot de verdachte, daar waar verdachte tevens niet is gewezen op diens recht tot rechtsbijstand. Door OvJ en/of opsporingsambtenaren is – willens en wetens – en uitdrukkelijk niet de verdachte gewezen op diens recht op rechtsbijstand (vooraf) voor consultatie en/of bij politieverhoor en/of onderzoekshandelingen en bewijsvergaring, van welke rechten verdachte – er niet op gewezen – stilzwijgend noch uitdrukkelijk, in ieder geval niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan.
Vanaf het moment dat verdachte wel wordt bijgestaan door de raadsvrouw wordt deze juist uitdrukkelijk niet door OvJ en/of opsporingsambtenaren uitgenodigd bij (nadere) politieverhoren en/of onderzoekshandelingen en bewijsvergaring uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn.
Deze verhoren hebben consequenties voor het bewijs, nu dit afhankelijk was van de wil van verdachte. Toegang tot de inloggegevens van snapchat konden immers alleen worden verkregen via cliënt. De toestemming van de officier van justitie voor onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons zag op de bestaande inhoud op die telefoons. Nu de Snapchatapplicatie was verwijderd op de telefoon van cliënt, bestond deze inhoud niet op de privé telefoon. De vraag van verbalisant Weeren d.d. 15 maart 2022 over het aantreffen van het tweede account en de vervolgvraag om toestemming die te doorzoeken was een inhoudelijk verhoor. Hij is gewezen op de cautie en cliënt beantwoordde de mededeling van het tweede account bevestigend dat hij een tweede account heeft. Hij was immers aangemerkt als verdachte en door een opsporingsambtenaar is hem gevraagd/medegedeeld dat er een tweede snapchataccount is gevonden en dat hij zichzelf niet hoefde te belasten door die vraag te beantwoorden. Zowel de vraag over het tweede account als de vraag over de toestemming op 15 maart 2022 zijn inhoudelijke vragen geweest aan cliënt waarbij hem enkel bij de eerste vraag de cautie is gegeven en niet bij de vraag over de toestemming. Daarbij is hij niet gewezen op zijn recht op rechtsbijstand/overleg met een advocaat aangaande deze vragen en het verzoek van de politie.
Het standpunt van de verdediging is dat al hetgeen middels dat onrechtmatige bewijs is verkregen eveneens van bewijs dient te worden uitgesloten, zijnde – niet limitatief –:
[] Pv bevindingen onderzoek iPhone XS [...] verdachte [verdachte] (...);
[] Pv uitlezen privé telefoon verdachte iPhone XS verdachte [verdachte] (‘’);
[] Pv uitlezen werk telefoon Samsung Galaxy A8 verdachte [verdachte] (‘’);
[] Pv uitlezen mobiele telefoon verdachte IPhone XS (onderzoek Snapchat account(s) (...);
[] Pv bevindingen onderzoek 2e Snapchat account verdachte + bijlagen chatgesprekken met [naam 3]
Bijlage I gericht op de volledige chats
Bijlage II: gericht op de leesbaarheid datum chatgesprekken (...);
[] Pv bevindingen aantreffen afbeelding geslachtsdeel verdachte (...);
[] Pv van bevindingen omschrijving dickpic (...);
Voor die conclusie beroept verdachte zich op de Salduz-rechtspraak waarin het EHRM uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat, indien niet is voldaan aan meest minimaal het recht op consultatie, zonder meer bewijsuitsluiting dient te volgen.
Conclusie
De verdediging verzoekt Uw gerechtshof tot bewijsuitsluiting van de voornoemde opgesomde bewijsmiddelen onrechtmatig zijn verkregen. Indien Uw gerechtshof oordeelt dat het verweer slaagt en bewijsuitsluiting dient te volgen van voormeld opgesomde bewijsmiddelen, cliënt te worden vrijgesproken voor het tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair en het tenlastegelegde onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief voor zaak B (met parketnummer in eerste aanleg: 13-187422-22) bij gebrek aan bewijs.”
Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer in:
“Onrechtmatig verkregen bewijs?
De verdediging heeft ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs (samengevat) het volgende aangevoerd. De verdachte is tijdens de contacten met de politie op 16 februari 2022 (verhoor), 17 februari 2022 (start strafrechtelijk onderzoek), 18 februari 2022 (huisbezoek, inbeslagname telefoon van de verdachte, telefonisch verhoor van de verdachte, sms’en door de verdachte), 7 maart 2022 (telefonisch verhoor) en 15 maart 2022 (telefonisch verhoor) telkens niet gewezen op zijn recht zich te laten bijstaan door een advocaat. En dat is in strijd met EU-Richtlijn 2013/48/EU, bijvoorbeeld artikel 3 (recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure) en artikel 27c Sv en artikel 28 Sv. Al hetgeen aan bewijsmateriaal is verkregen door de genoemde contacten en als bewijsmiddel zou (kunnen) worden gebruikt, is in strijd met EU-Richtlijn 2013/48/EU en/of het Wetboek van Strafvordering verkregen en al hetgeen door middel van dat onrechtmatige bewijs is verkregen, moet van het bewijs worden uitgesloten, aldus de verdediging.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op grond van artikel 27c, lid 2 Sv bij zijn (eerste inhoudelijke) politieverhoor op 16 februari 2022 op zijn recht op consultatiebijstand had moeten worden gewezen. Dat geldt echter niet voor de door de verdediging genoemde momenten daarna. Op 7 maart 2022 heeft de politie telefonisch contact met de verdachte opgenomen voor het opvragen van zijn Snapchataccount en inloggegevens waarbij hem de cautie is verleend en hem is uitgelegd dat hij niet hoefde mee te werken aan het strafrechtelijk onderzoek en zichzelf niet hoefde te belasten. Op 15 maart 2022 heeft de politie wederom telefonisch contact met de verdachte opgenomen en hem meegedeeld dat er een tweede Snapchataccount was aangetroffen. De politie heeft toen aan de verdachte gevraagd of hij toestemming wilde geven dat de politie in zijn tweede Snapchataccount mocht kijken en dit mocht onderzoeken. Beide keren was geen sprake van een inhoudelijk verhoor van de verdachte als bedoeld in artikel 29 Sv. De strekking van art. 29 Sv, het behoeden van de verdachte tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling, brengt mee dat als verhoor in de zin van dat artikel worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit. Op 18 februari 2022 is aan de verdachte medegedeeld dat er een strafrechtelijk onderzoek tegen hem is gestart en dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Er is inhoudelijk niet gesproken over het onderzoek. Het is niet nodig om direct bij de start van een onderzoek de verdachte daarvan op de hoogte te brengen. En het heeft verder ook geen consequenties voor het bewijs. De inbeslagneming van de telefoon van de verdachte op grond van artikel 94 Sv betreft een opsporingshandeling. De verdachte hoeft voorafgaand aan de inbeslagneming niet te worden gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat. Daar komt bij dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven om onderzoek te doen naar specifieke inhoud van de telefoon. De conclusie is dat de verdachte alleen bij het verhoor op 16 februari 2022 ten onrechte niet op zijn recht op consulatie is gewezen. In zoverre slaagt het verweer. Het desbetreffende verhoor wordt niet voor het bewijs gebruikt. Het verweer dat het bewijs niet rechtmatig is verkregen, wordt voor het overige verworpen.”
Het hof heeft in aanvulling hierop overwogen:
“Aanvulling op overweging ‘Onrechtmatig verkregen bewijs?’
Het hof constateert dat de verdachte op 16 februari 2022, 7 maart 2022 en 15 maart 2022 telkens de cautie is gegeven. Bovendien heeft de verdachte op 15 maart 2022 inhoudelijk ten aanzien van de tenlastegelegde feiten niet (belastend) verklaard en heeft hij geen gegevens verstrekt.”
Op grond van artikel 27c van het Wetboek van Strafvordering moet aan de verdachte die niet is aangehouden, voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling worden gedaan van het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dat wetboek, te doen bijstaan door een raadsman. Van een ‘verhoor’ als bedoeld in die bepaling is onder meer sprake als door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt (vgl. HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853).
Het hof heeft vastgesteld dat, toen de politie op 7 maart 2022 telefonisch contact opnam met de verdachte, de verbalisant de verdachte heeft gevraagd naar de inloggegevens van een Snapchat-account. Toen de politie op 15 maart 2022 opnieuw telefonisch contact opnam met de verdachte, heeft de verbalisant de verdachte medegedeeld dat een tweede Snapchat-account was aangetroffen en heeft zij de verdachte gevraagd of hij de politie toestemming wilde geven om in dit tweede Snapchat-account te kijken en dit te onderzoeken. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat bij deze twee telefoongesprekken steeds geen sprake was van een verhoor, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hierbij is van belang dat de vragen die de verdachte tijdens die gesprekken zijn gesteld kennelijk waren bedoeld om toegang te verkrijgen tot zijn Snapchat-account (op 7 maart 2022) en om toestemming te krijgen tot het doen van onderzoek aan zijn tweede Snapchat-account (op 15 maart 2022), en dat deze vragen er dus niet op waren gericht om van de verdachte een verklaring te verkrijgen over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte was aangemerkt. De enkele omstandigheid dat met het vragen om de inloggegevens en de toestemming het verdere verloop van het strafrechtelijk onderzoek kon worden vergemakkelijkt, betekent niet dat die vragen gericht waren op het verkrijgen van zo’n verklaring.
Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.