Strafrecht overig
Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van partij van 1.097 kilo 3-CMC…
Hoge Raad, 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1808 · Hoge Raad · 3 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1808
Zaakgegevens
Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 3 november 2026
- Datum publicatie
- 3 november 2026
- Zaaknummer
- 25/01791
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1808
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beschikking op vordering OvJ ex art. 552f Sv tot onttrekking aan het verkeer van partij van 1.097 kilo 3-CMC. Zijn inbeslaggenomen voorwerpen o.g.v. art. 36d Sr vatbaar voor onttrekking aan verkeer?
Met “feit” in art. 36c en 36d Sr wordt begaan strafbaar feit bedoeld. Rechter die bij afzonderlijke beschikking a.b.i. art. 36b.1.4 Sr onttrekking aan verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat inbeslaggenomen voorwerp in een in art. 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot begaan strafbaar feit (vgl. HR:2022:37). Voor vaststelling dat strafbaar feit is begaan, volstaat niet redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR:1982:AC7509).
Rb heeft bij haar oordeel dat voorwerpen o.g.v. art. 36d Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan verkeer, niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit (o.g.v. Opiumwet dan wel andere wet strafbaar gesteld feit) deze voorwerpen in verband staan. Dat klaagster is aangemerkt als verdachte van overtreding van art. 174 en 175 Sr en dat 3-CMC sinds 12-9-2023 (en dus na inbeslagneming van voorwerpen op 10-7-2023 en 25-7-2023) op lijst I van Opiumwet stond, volstaat niet voor dat oordeel (vgl. HR:2025:990). Oordeel van Rb is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Volgt vernietiging en terugwijzing.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:799Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1808
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/01791 B
Datum 3 november 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 oktober 2024, nummer RK 24/011136, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[klaagster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten Y.E.A. Buruma en J.S. Nan bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen.
De beschikking van de rechtbank houdt onder meer in:
“Deze beschikking betreft een ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een partij van 1097 kilo 3-CMC
die op 10 juli 2023 en 25 juli 2023 in beslag is genomen onder:
[klaagster]
(...)
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 10 juli 2023 en 25 juli 2023 onder klager 1097 kilo 3-CMC in beslag is genomen.
(...)
Beoordeling
Beslagene is aangemerkt als verdachte van overtreding van de artikelen 174 en 175 Sr. Het beklag dat zich richt tegen de inbeslagname van de genoemde hoeveelheid 3-CMC is bij beslissing van heden ongegrond verklaard.
Ten tijde van de inbeslagname stond vast, zoals blijkt uit de Richtlijn 2022/1326 van de Europese Commissie, dat 3-CMC in de Europese Unie geen erkende toepassing heeft, dat deze stof schadelijk is voor de gezondheid en dat Nederland de verplichting had om deze stof strafbaar te stellen. Sinds 12 september 2023 is 3-CMC opgenomen op lijst I van de Opiumwet.
Uit artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht volgt dat vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.
Vaststaat dat 3-CMC sinds 12 september 2023 op lijst I van de Opiumwet staat en daarmee officieel een verboden drug is. Dit betekent dat productie, handel en bezit ervan, strafbaar is. Met dit gegeven is volgens de rechtbank voldaan aan het hiervoor aangehaalde toetsingskader.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van onderhavige partij goederen in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechter zal de vordering toewijzen.”
Artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”
Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. (Vgl. HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37.) Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan (vgl. HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7509).
De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de voorwerpen op grond van artikel 36d Sr vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, niet tot uitdrukking gebracht met welk begaan strafbaar feit – een op grond van de Opiumwet dan wel een andere wet strafbaar gesteld feit – deze voorwerpen in verband staan. Dat de klaagster is aangemerkt als verdachte van overtreding van artikel 174 en 175 Sr en dat 3-CMC sinds 12 september 2023 – en dus na de inbeslagneming van de voorwerpen op 10 en 25 juli 2023 – op lijst I van de Opiumwet stond, volstaat niet voor dat oordeel (vgl. HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:990). Het oordeel van de rechtbank is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.