Strafrecht overig
Conclusie AG. Beklag ex. art. 552a Sv tegen voornemen a.b.i. art. 116.3 Sv om inbeslaggenomen auto aan ander…
ECLI:NL:PHR:2026:806 · Parket bij de Hoge Raad · 15 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-806
Zaakgegevens
Op 15 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 15 september 2026
- Datum publicatie
- 25 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/01680
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:806
Samenvatting
Conclusie AG. Beklag ex. art. 552a Sv tegen voornemen a.b.i. art. 116.3 Sv om inbeslaggenomen auto aan ander dan klager terug te geven. Oordeel rb dat die ander (als oorspronkelijk eigenaar van gestolen auto) redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, is volgens AG niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot verwerping.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01680 B
Zitting 15 september 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager
1 Inleiding
Bij beschikking van 14 maart 2025 is het klaagschrift van de klager tegen de inbeslagneming van een personenauto (Volvo XC90) met kenteken [kenteken] door de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard (raadkamernr. 24-031658).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
2 De procedure bij de rechtbank
Uit de stukken van het geding volgt dat het klaagschrift betrekking heeft op een Volvo XC90 die op 8 november 2024 onder de klager ter waarheidsvinding (in de zin van art. 94 Sv) inbeslaggenomen is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal.
Op 12 december 2024 heeft het openbaar ministerie een brief gestuurd aan de klager met het opschrift “mededeling aan beslagene (ex artikel 116 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering)”, waarin wordt vermeld dat de officier van justitie de beslissing heeft genomen om de auto aan de rechtmatige eigenaar terug te geven. Ook staat in de brief dat de klager binnen veertien dagen na dagtekening bezwaar kan maken tegen de beslissing door een klaagschrift in te dienen.
Op 24 december 2024 – en derhalve tijdig – heeft de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend waarin wordt verzocht om teruggave van de auto aan hem. Het klaagschrift houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“Ik heb de betrokken Volvo XC90 te goeder trouw gekocht in [plaats] . Ik zag een Volvo XC90 op een advertentie op Duitse website www.kleinanzeigen.de (ebay). Ik heb vervolgens een bericht gestuurd waarin ik mijn interesse heb getoond. Ik kreeg een nette e-mail terug en toen begon onze gesprek via de e-mail. De man genaamd [betrokkene 1] vertelde vervolgens dat hij op vakantie was en dat het voertuig en de benodigde papieren voor verkoop bij zijn stiefzoon had achtergelaten. Stiefzoon was een Nederlandse man en was woonachtig in [plaats] . Hij gaf mijn telefoonnummer aan zijn stiefzoon en ik werd door hem gebeld. Wij hebben meerdere inhoudelijke gesprekken gevoerd over het voertuig. Het waren aangename gesprekken. Hij belde mij met een 06-nummer en het telefoonnummer bleek sinds 2007 actief te zijn, dus dat kwam vertrouwelijk over. Voor de zekerheid heb ik ook een e-mail gestuurd naar [betrokkene 1] en vroeg of hij mij kon bellen om even kort kennis te maken. Ik werd netjes gebeld en aangezien hij geen Nederlands en ik geen Duits kon spreken bleef het gesprek kort, maar heeft wel een goed indruk achtergelaten. Wij hebben vervolgens afspraak gemaakt om het voertuig te bezichtigen in [plaats] .
De bewuste dag kwam de verkoper aanrijden met Duitse platen en wij hebben het voertuig grondig bekeken. Wij hebben een proefrit gemaakt en de autopapieren gecontroleerd op echtheid door middel van UV licht, (het waren originele papieren met originele stempels van gemeente [...]/Duitsland). Het kenteken en VIN-nummer kwamen overeen met de bijbehorende papieren. Ook had hij twee sleutels van het voertuig. Eveneens toonde de verkoper het legitimatiebewijs van de verkoper en die kwam overeen met de kentekenpapieren en kregen de kopie van het legitimatiebewijs mee. Wij hebben betaald rapport van het VIN-nummer uitgedraaid voor informatie over het voertuig. Alles bleek te kloppen. Wij hebben 28.000 in contanten betaald aan de verkoper, het geld heb ik moeten pinnen. Daarvan heb ik ook kwitantie bonnen.
Wij hebben het voertuig gekocht en zijn daarmee naar huis gereden. Pas na circa 1,5 maanden werd het voertuig gesignaleerd en in beslag genomen. Ik wist niet dat het voertuig van diefstal afkomstig was en heb dat ook nooit kunnen weten. Ik heb het voertuig te goeder trouw gekocht; Zoals hierboven beschreven hebben wij goed onderzoek gedaan alvorens wij over zijn gegaan tot het kopen van het voertuig. Ik zal alle bewijsstukken meesturen als bijlage.
[…] De originele kentekenpapieren, kopie, legitimatiebewijs, koopovereenkomst, twee sleutels en kwitanties hebben wij overgedragen aan de Politie. Zij zijn dus in het bezit van deze documenten/goederen. […] wij hebben op legale wijze gehandeld en alles volgens richtlijnen gedaan. Dit hebben wij nooit kunnen weten.”
In reactie op het klaagschrift heeft het openbaar ministerie zich – blijkens het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt – op het standpunt gesteld dat de onder de klager inbeslaggenomen auto was voorzien van een vals Duits kenteken en dat de klager onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verkoper, daardoor niet te goeder trouw is en geen eigenaar is geworden, om welke reden het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard.
Het klaagschrift is op 14 maart 2025 door de raadkamer van de rechtbank in aanwezigheid van de klager in het openbaar behandeld. Het proces-verbaal van de raadkamerzitting vermeldt:
“De rechter stelt:
U heeft in uw klaagschrift aangegeven dat u voorafgaand aan de koop van de auto contact heeft gehad met [betrokkene 1] . Hij woonde in Duitsland en daarom is de verkoop van de auto door zijn stiefzoon geregeld. U heeft met deze stiefzoon afgesproken en hij kwam aanrijden in de auto waar het vandaag om gaat. U heeft de auto goed bekeken en alle papieren gecontroleerd. Daarnaast had de stiefzoon twee autosleutels bij zich en heeft u het legitimatiebewijs van de oorspronkelijke verkoper. [betrokkene 1] , gezien.
De klager stelt:
Klopt. Wij zouden de auto met z’n drieën kopen. We hebben een kopie van het legitimatiebewijs van [betrokkene 1] aan de politie gegeven.
De officier van justitie voert het woord en deelt mee:
De auto is in beslag genomen omdat die gestolen is in Duitsland. Mijns inziens is er geen strafvorderlijk belang meer om de auto in beslag te houden. Er is echter een ander persoon die recht heeft op de auto. Dat is de oorspronkelijke eigenaar: Dit is natuurlijk heel vervelend voor u omdat u aangeeft de auto te goede trouw gekocht te hebben. Er zijn verschillende procedures om hier een vergoeding voor de vragen. Dat gaat echter voor vandaag te ver en daarom verzoek ik het klaagschrift ongegrond te verklaren.
De klager stelt:
We hebben alles gecontroleerd wat te controleren viel. Hij kwam met de auto aanrijden en wij dachten dat het goed zat. De auto was prijzig, waardoor we niet hadden kunnen vermoeden dat het niet in orde was. Wij zijn nu slachtoffer geworden.”
Na sluiting van het onderzoek in raadkamer heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Deze beschikking luidt als volgt:
“Beoordeling klacht
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Tijdens de behandeling van het klaagschrift heeft het OM laten weten dat het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van de auto. In dat geval vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet wórden beschouwd.
Bij de beantwoording van de vraag of een ander dan de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, mag de rechter civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van hem wordt niet verlangd dat hij treedt in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties. Het gaat in deze beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van de auto. De beslissing van de strafrechter verandert niets ten aanzien van de rechten die de ontvanger of anderen kunnen doen gelden ten aanzien van het voorwerp (artikel 116, zesde lid, Sv).
De rechtbank is van oordeel dat uit het klaagschrift en dat wat is aangevoerd in raadkamer onvoldoende is gebleken dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende op de auto kan worden aangemerkt. Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat het voertuig van diefstal afkomstig is. Er is dus ook een ander die redelijkerwijs als rechthebbende van de auto moet worden beschouwd, namelijk de oorspronkelijke eigenaar. De rechtbank zal het klaagschrift van de klager daarom ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”
3 Het middel
Het middel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift. In de eerste plaats wordt betoogd dat het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is gebleken dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende op de auto kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu uit het verhandelde ter zitting volgt dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het oordeel dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt, onbegrijpelijk is.
De steller van het middel meent dat in de onderhavige zaak sprake is van “een beklag tegen een voornemen van de Officier van Justitie tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp aan degene die (volgens hem) redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt”. Dat standpunt volg ik. Hoewel de formulering van de brief (zie hiervoor onder 2.2) er eerder op lijkt te duiden dat geen voornemen maar een “beslissing” van de officier van justitie wordt medegedeeld, ga ik er – gelet op het noemen van art. 116 lid 3 Sv en de in de brief genoemde mogelijkheid om een klaagschrift in te dienen tegen de “beslissing” – vanuit dat deze brief inderdaad de in art. 116 lid 3 Sv bedoelde kennisgeving betreft. Het klaagschrift moet daarom worden opgevat als een beklag tegen het (hier kennelijk al behoorlijke sterke, want als “beslissing” gepresenteerde) voornemen van de officier van justitie om de auto aan een ander dan de klager terug te geven.
Terzijde merk ik op dat uit het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer noch uit de beslissing van de rechtbank kenbaar is dat sprake is van een voornemen als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv waartegen het klaagschrift zich richt. Het zou mijns inziens de voorkeur verdienen daarvan wel (altijd) melding te maken, al was het alleen al omdat een klaagschrift als bedoeld in art. 116 lid 3 (jo. 552a) Sv zich richt tegen het voornemen van de officier van justitie om het beslagen voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven en daarmee een ander vertrekpunt heeft dan een klaagschrift ex art. 552a Sv dat wordt ingediend zonder dat een dergelijk voornemen aan de beslagene kenbaar is gemaakt.
Voor de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 116 lid 3 jo. 552a Sv geldt op grond van de door de Hoge Raad op 28 september 2010 gegeven overzichtsbeschikking over beklag tegen beslag het volgende toetsingskader:
“2.10. Ingevolge art. 116, eerste lid, Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene, zodra het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. Dit is bijvoorbeeld van belang bij een klaagschrift dat is gericht tegen het voornemen van de officier van justitie om de inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan anderen dan de beslagene. In dat voornemen ligt, gelet op art. 116, eerste lid, Sv, besloten dat het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzet. Het staat de rechter dan niet vrij bij de beoordeling van het klaagschrift te treden in de vraag of zodanig belang aan de teruggave in de weg staat.
[…]
In een geval waarin de beslagene op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv, dat het openbaar ministerie voornemens is het inbeslaggenomen voorwerp te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, te weten degene die - naar het oordeel van het openbaar ministerie - redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, dient de rechter te beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Bij de beantwoording van de in 2.11 en 2.12 geformuleerde vragen zal de rechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp.”
In de toelichting op het middel wordt aangehaald dat (i) de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van de auto verzet, (ii) dat de rechtbank heeft geoordeeld dat zowel klager als ook een ander als redelijkerwijs rechthebbende kunnen worden aangemerkt, zodat in ieder geval klager kennelijk (ook) als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt en (iii) dat uit de stukken niet blijkt dat een ander zelf een klaagschrift heeft ingediend. Gelet hierop had de rechtbank – aldus de stellers van het middel – het beklag gegrond moeten verklaren.
Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt (of lijkt te nemen) dat de beslissing van de rechtbank om het klaagschrift ongegrond te verklaren getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat de officier van justitie reeds te kennen heeft gegeven dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, faalt het. Uit het beslissingskader van de Hoge Raad volgt dat de rechtbank in zo’n geval niet zelfstandig mag beoordelen of er toch nog een strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag aanwezig is. In het geval de officier van justitie een voornemen kenbaar heeft gemaakt om het beslagen voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven, is dat het uitgangspunt van de beoordeling door de rechter. De vraag of het door de beslagene ingediende klaagschrift al dan niet gegrond moet worden verklaard, hangt in het geval van een klaagschrift tegen het voornemen als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv vervolgens af van de vraag of die ander redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Onjuist is in dat verband dan ook de opvatting (van de stellers van het middel) dat de beklagrechter in zo’n geval niet mag onderzoeken of de beslagene redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Dat is juist de kernvraag waar de procedure om draait. Weliswaar luidt de hoofdregel van art. 116 lid 1 Sv dat een beslagen voorwerp wordt teruggegeven aan de beslagene, maar die hoofdregel geldt niet indien de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt om het beslagen voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven in de zin van art. 116 lid 3 Sv; in dat geval wordt het beslagen voorwerp aan die ander teruggegeven indien die ander redelijkerwijs als rechthebbende op het voorwerp kan worden aangemerkt.
Ook voor zover de stellers van het middel doorslaggevende betekenis toekennen aan het feit dat degene aan wie de officier van justitie voornemens is om het voorwerp terug te geven geen klaagschrift heeft ingediend, faalt het middel. Anders dan het cassatiemiddel lijkt voor te staan, staat die omstandigheid niet in de weg aan de ongegrondverklaring van het klaagschrift van de beslagene. Niet dat klaagschrift, maar juist het hiervoor bedoelde voornemen van de officier van justitie is immers in het geval van art. 116 lid 3 jo. 552a Sv het vertrekpunt van de strafrechtelijke discussie omtrent het beslag en de vraag aan wie het inbeslaggenomen voorwerp dient te worden teruggegeven.
Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat de overweging van de rechtbank dat er “ook een ander [is] die redelijkerwijs als rechthebbende van de auto moet worden beschouwd” minder gelukkig voorkomt. Daarmee lijkt de rechtbank op het eerste gezicht immers de mogelijkheid open te laten dat – zoals de stellers van het middel aangeven – zowel de klager als de in de kennisgeving van art. 116 lid 3 Sv genoemde ‘ander’ redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt. Ik meen evenwel dat in de beslissing van de rechtbank voldoende tot uitdrukking komt dat de rechtbank heeft geoordeeld dat een ander – namelijk en blijkens de overwegingen van de rechtbank: de oorspronkelijke eigenaar van de auto – redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. In de beslissing staat immers ook dat uit het klaagschrift en hetgeen ter zitting is aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gebleken dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Ik begrijp de overweging van de rechtbank dat ‘ook’ een ander als rechthebbende kan worden aangemerkt zo, dat de rechtbank daarmee – conform het toetsingskader van de Hoge Raad – vooral tot uitdrukking heeft willen brengen dat de rechtbank niet is getreden in de beslechting van een burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwestie, maar als voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp heeft uitgesproken dat onvoldoende is gebleken dat de klager redelijkerwijs als rechthebbende op de auto kan worden aangemerkt. Ik meen op grond daarvan dat de rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat de in de kennisgeving van art. 116 lid 3 Sv genoemde ‘ander’ redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Gelet op de vaststelling van de rechtbank dat die ‘ander’ de oorspronkelijke eigenaar van de inbeslaggenomen en van diefstal afkomstige auto is, acht ik dat oordeel – ook tegen de achtergrond van het klaagschrift en hetgeen ter zitting is aangevoerd – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4 Slotsom
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG