Strafrecht overig
Conclusie A-G. Verkrachting en poging tot doodslag op echtgenote. M1 dat hof niet heeft gerespondeerd op…
ECLI:NL:PHR:2026:838 · Parket bij de Hoge Raad · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-838
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 31 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/00634
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:838
Samenvatting
Conclusie A-G. Verkrachting en poging tot doodslag op echtgenote. M1 dat hof niet heeft gerespondeerd op standpunt dat het voor verdachte onmogelijk was om woning te verlaten, mist feitelijke grondslag. M2 dat hof ten onrechte reiskosten van medereiziger in aanmerking heeft genomen bij toewijzen van materiële schadevergoeding, faalt. M3 dat hof ten onrechte de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade heeft bepaald op 12 december 2021 (dag vh strafbaar feit), terwijl die schade in ieder geval gedeeltelijk pas op een of meer latere tijdstippen is ontstaan, is terecht voorgesteld. Conclusie strekt tot vernietiging voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente ten onrechte is bepaald op 12 december 2021 en tot een zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de HR gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Conclusie
Inhoudsopgave
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00634
Zitting 22 september 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
1 Inleiding
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 13 februari 2025 (parketnr. 23-000271-23) veroordeeld wegens “poging tot doodslag” en “verkrachting”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Verder heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen gedeelte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader is omschreven. In eerste aanleg is de verdachte integraal vrijgesproken.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft namens de verdachte drie middelen van cassatie voorgesteld. J.W.E. Groot, advocaat te Wognum, heeft namens de benadeelde partijen een verweerschrift ingediend.
2 Waar het in cassatie om gaat
De verdachte is in hoger beroep, na in eerste aanleg te zijn vrijgesproken, veroordeeld voor een zeer gewelddadige verkrachting van zijn echtgenote, waarbij hij ook heeft gepoogd haar te doden. In cassatie wordt geklaagd (i) over ‘s hofs verwerping van het standpunt dat de verdachte niet op de plaats van de delicten kan worden geplaatst, omdat het voor hem onmogelijk was om de woning waarin hij verbleef te verlaten, (ii) dat, nu niet is gebleken dat [betrokkene 1] heeft zorggedragen voor de benadeelde partij [slachtoffer] , het hof diens reiskosten ten onrechte in aanmerking heeft genomen bij het toewijzen van de materiële schadevergoeding en (iii) dat het hof ten onrechte de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade telkens heeft bepaald op 12 december 2021, terwijl die schade in ieder geval gedeeltelijk pas op een of meer latere data is ontstaan.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het eerste en het tweede middel en houdt in dat het derde middel terecht is voorgesteld.
3 Het eerste middel
Het middel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het voor de verdachte onmogelijk was om de woning van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te verlaten en dat hij daarom niet op de plaats van de delicten kan worden geplaatst, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft gegeven die tot die afwijking hebben geleid.
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“1 primair
hij op 12 december 2021 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met beide handen met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en met beide duimen op de hals van die [slachtoffer] heeft gedrukt, en
- meerdere keren met kracht op het gezicht en hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en
- die [slachtoffer] meerdere keren met haar hoofd op de grond heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 primair
hij op 12 december 2021 te [plaats] door geweld en bedreiging met geweld, te weten door
- met beide handen met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en met beide duimen op de hals van die [slachtoffer] te drukken, en
- meerdere keren met kracht op het gezicht en hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en
- die [slachtoffer] meerdere keren met haar hoofd op de grond te slaan, en
- tegen de vagina van die [slachtoffer] te schoppen, en
- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij haar zou maken zoals meisjes in Afrika en dat hij haar zou besnijden,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van een fles in de vagina van die [slachtoffer] .”
Deze bewezenverklaringen berusten op de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik hier kortheidshalve verwijs. Verder heeft het hof de volgende bewijsoverweging gebezigd, voor zover hier van belang:
“Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij op 12 december 2021 in haar woning in [plaats] op de bank in slaap was gevallen en dat zij, toen zij wakker werd, zag dat de verdachte boven op haar zat en voelde dat hij met volle kracht en met zijn beide handen haar keel dichtkneep. Zij voelde dat zij geen lucht kreeg. Zij kon geen ademhalen en raakte in paniek. Ze heeft hem toen een klap gegeven maar hij liet niet los en toen kreeg ze nog meer paniek. Hij heeft haar niet losgelaten. De aangeefster gaf de verdachte vuistslagen in het gezicht en kon vervolgens weer ademhalen. Zij probeerde te vluchten en toen heeft de verdachte haar hard in het gezicht en op het hoofd geslagen. Ook heeft hij haar met het hoofd op de grond geslagen. Zij heeft vervolgens het bewustzijn verloren en haar urine laten lopen. De verdachte heeft haar legging en onderbroek uitgetrokken en haar tegen haar vagina geschopt. Hij zei “Ik ga je besnijden, ik maak jou net als die meisjes in Afrika” en heeft een koud voorwerp in haar vagina ingebracht. Hij vloekte fluisterend tegen haar en zei daarbij “kurwa”. Nadat de verdachte de woning had verlaten is de aangeefster naar haar buren gegaan voor hulp.
Het hof acht – anders dan de raadsvrouw – de verklaringen van de aangeefster in de kern betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen zijn gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent. De punten die volgens de verdediging aanleiding geven aan de verklaringen te twijfelen, zijn naar het oordeel van het hof van te geringe betekenis om aan de juistheid van de verklaringen in hun geheel af te doen. Voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster is daarnaast van belang dat deze voldoende steun vinden in het overige bewijs dat het dossier biedt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Letsel
Uit de geneeskundige verklaring van 12 december 2021 [dossierpagina ’s 166- 172] blijkt dat de aangeefster meerdere kneuzingen op het hoofd, een tweetal scheurverwondingen aan het linkeroor en een tand door haar lip had. In het aangezicht had zij kneuzingen en bloeduitstortingen, waarbij haar bovenste oogleden zodanig waren opgezwollen dat de ogen nauwelijks geopend konden worden. De forensisch arts rapporteert dat deze letsels passen bij de door de aangeefster gemelde toedracht, te weten het meermaals slaan op het hoofd en het meermaals met het hoofd tegen de grond worden geslagen. In de halsregio waren bloeduitstortingen en kneuzingen zichtbaar. Deze letsels passen volgens de forensisch arts bij de gemelde toedracht, te weten het wurgen met de handen. Ook blijkt uit de geneeskundige rapportage dat de aangeefster in het uitwendig genitaal gebied een kneuzing, schaafverwondingen en bloedende slijmvliesletsels had. Uit het onderzoek blijkt dat er meermalen geweld is toegepast op het genitaal gebied. De forensisch arts rapporteert dat de toedracht onbekend is. De algemene ontstaanswijze wordt door de arts gerapporteerd als drukkende of botsende stompe geweldsinwerking.
Gelet op het voorgaande worden de verklaringen van de aangeefster gesteund door het bij de aangeefster geconstateerde letsel en het feit dat deze letsels passen bij de door de aangeefster gemelde specifieke toedracht van dat letsel, te weten het wurgen met de handen, het slaan tegen het hoofd, het met het hoofd slaan tegen de grond en het schoppen tegen de vagina.
Forensisch onderzoek
In de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] is door de politie forensisch onderzoek verricht. Uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek [dossierpagina ’s 31-43] blijkt dat er in de hal bij de voordeur geen bijzonderheden werden aangetroffen. In de keuken en de bijkeuken werden geen delictgerelateerde sporen aangetroffen. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie op 12 december 2021 [dossierpagina’s 281-287] verklaard dat hijzelf, de aangeefster en hun zoon de beschikking hebben over een sleutel van de woning. Ook [getuige 5] heeft verklaard dat, als het huis op slot is, de verdachte, de aangeefster en hijzelf de woning kunnen betreden. Het hof leidt hieruit af dat alleen de verdachte, de aangeefster en [getuige 5] over een sleutel van de woning aan de [a-straat 1] beschikten en op die manier de woning konden binnengaan.
De verbalisanten troffen in de woonkamer een lege wijnfles aan. Op deze wijnfles zat een rode substantie. Het NFI heeft deze wijnfles op biologische sporen en DNA onderzocht. Uit het rapport van het NFI [dossierpagina ’s 47- 58] blijkt dat DNA van de aangeefster op de bovenkant van de dop, ter hoogte van de hals, nabij de bodem en in de holle bodem van de fles is aangetroffen. Ook heeft het NFI onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vaginale cellen in de bemonsteringen van de wijnfles via RNA-celtypering. Uit dit onderzoek blijkt dat de resultaten van het RNA-onderzoek aan de bemonstering van het bloedspoor op de bovenkant van de dop van de wijnfles veel waarschijnlijker zijn wanneer bemonstering AAPC7141NL#01 vaginale cellen en/of menstruele secretie bevat, dan wanneer de bemonstering uitsluitend andere celtype(n) bevat. Dit betekent dat (een deel van) het DNA in bemonstering AAPC7141NL#01, dat gekoppeld is aan [slachtoffer] , afkomstig kan zijn van vaginale cellen. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster, inhoudende dat een koud voorwerp in haar vagina is ingebracht, wordt gesteund door de resultaten van het NFl-rapport.
Getuigenverklaring buren
De aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat de verdachte de woning had verlaten, naar de buren is gegaan. De [getuige 3] [dossierpagina ’s 60- 61], woonachtig op [a-straat 2] te [plaats] , heeft verklaard hij omstreeks 05:00 uur geluiden hoorde. Deze geluiden klonken als zacht 'gebonk’ tegen de muur. Omstreeks 06:00 uur hoorde hij de hond blaffen en zag hij zijn buurvrouw bij de voordeur staan. Hij heeft haar binnengelaten en hij zag dat zij 'klappen had gehad’. Zijn buurvrouw droeg op dat moment alleen een lang T-shirt en één sok.
De [getuige 4] [dossierpagina ’s 173-177] heeft verklaard dat zij op 12 december 2021 de hond hoorde blaffen en hoorde dat de deurbel ging. Haar partner heeft open gedaan en de aangeefster binnengelaten. De aangeefster verklaarde tegen [getuige 4] dat haar partner haar had geslagen, dat hij haar begon te wurgen toen zij sliep en dat hij denkt dat de aangeefster hem bedriegt met iemand anders. Ze zei dat ze bang was dat hij haar dood zou maken. Ook verklaarde de aangeefster dat zij bewusteloos was geweest.
Het hof acht de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] passend bij de verklaring van de aangeefster dat zij, nadat de verdachte de woning had verlaten, naar haar buren is gegaan voor hulp. De aangifte wordt verder ondersteund door de verklaring van [getuige 3] dat hij rond 05:00 uur gebonk bij de buren hoorde en de verklaring van [getuige 4] dat de aangeefster direct tegen haar heeft verklaard dat zij door de verdachte was gewurgd terwijl zij lag te slapen en dat zij was geslagen.
Getuigenverklaring [getuige 5]
, de zoon van de verdachte en de aangeefster, heeft op 11 januari 2022 een verklaring afgelegd tijdens een studioverhoor [dossierpagina ’s 219-259]. [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 12 december 2021 in de nacht wakker werd en dat hij hoorde dat de verdachte op de trap liep. Hij wist dat het zijn vader was omdat die zijn keel schraapte en lucht zoog door zijn tanden. [getuige 5] verklaart dat de verdachte deze geluiden bijna elke dag maakt. Ook hoorde [getuige 5] de verdachte fluisteren en in het Pools schelden met 'een scheldwoord met een K’. Als de verhoorders doorvragen vraagt [getuige 5] of hij dit k-woord mag gebruiken en verklaart dat het ging om 'kurwa’. De verklaring van [getuige 5] komt op het hof authentiek over en sluit aan bij de verklaring van de aangeefster dat de verdachte die nacht in de woning was. Het hof merkt op dat de verklaring van [getuige 5] op deze punten specifieke details bevat, waarvan uit het verhoor volgt dat [getuige 5] dit spontaan, zonder dat de verhoorders hem daarnaar vragen, verklaart.
Motief
Uit de verklaring die de verdachte heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, de verklaring van de [getuige 1] [dossierpagina ’s 178-182] en de verklaring van [getuige 2] [dossierpagina ’s 183-186] volgt dat de verdachte kennis had gekregen van de seksueel getinte berichten en foto’s die de aangeefster en een andere man met elkaar hebben uitgewisseld via Facebook Messenger. De verdachte was als gevolg van deze berichten van streek.
Uit het onderzoek aan de telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen [dossierpagina ’s 341-415 en 417-418] blijkt dat de verdachte op 12 december 2021 om 00:44:19 uur en om 01:10:17 uur heeft gebeld naar de aangeefster. Ook blijkt uit het onderzoek aan de telefoon dat de verdachte op 12 december 2021 om 01:03:08 naar de aangeefster stuurt: “Ik denk dat ik moet hoeveel genaaide vrouw. Ik haat ik heb bewijzen. Ziek zijn bent. Ik stuur het naar je moeder”. Vervolgens belt de aangeefster om 01:04:56 uur naar de verdachte, die de oproep weigert. De verdachte stuurt om 01:13:17 uur het bericht “Ik ga je zo halen, ik weet niet hoe moet ik zeggen slet. Dank je?”. De aangeefster bericht om 02:01:02 terug dat zij de politie zal roepen als de verdachte haar iets aan doet.
De zus van de aangeefster heeft verklaard [dossierpagina 63] dat zij in de nacht van 12 december 2021 driemaal door de aangeefster is gebeld. De aangeefster vertelde haar dat ze bang was voor de verdachte, want hij had op haar Facebookaccount gekeken en berichten gelezen waardoor hij boos en jaloers werd. De verdachte zou de aangeefster hebben gebeld en hebben gezegd dat hij haar kwam vermoorden.
Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande een motief van de verdachte om de aangeefster iets aan te doen naar voren komt, namelijk jaloezie en woede als gevolg van de seksueel getinte Messengerberichten tussen de aangeefster en een andere man.
[…]
Oordeel van het hof
De verklaringen van de aangeefster, de waarnemingen van haar zoon [getuige 5] , het geconstateerde letsel bij de aangeefster, het motief van de verdachte om haar iets aan te doen, de dreigende berichten van de verdachte richting de aangeefster gedurende de bewuste nacht, de ervaringen van de buren direct na, kort gezegd, de aanval op de aangeefster, acht het hof – in onderling verband en samenhang bezien – redengevend voor het bewijs dat de verdachte deze aanval heeft gepleegd. Wat de verdachte daar tegenin heeft gebracht, heeft naar het oordeel van het hof deze redengevendheid niet ontzenuwd. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen […].”
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2025 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar op schrift gestelde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden voor zover van belang het volgende in:
“I. Getuigenverklaringen van [getuige 4] , [getuige 6] en [getuige 7] :
1. Cliënt en aangeefster hebben gedurende ongeveer twaalf jaar een relatie gehad, die gekenmerkt werd door ups en downs. In de zomer van 2021 ontstond er een ruzie in de tuin over een vermeende affaire van aangeefster. Deze ruzie wordt bevestigd door de verklaring van buurman [getuige 4] , zoals opgenomen op pagina 173 van het dossier, waarin hij verklaart dat de ruzie ging over vreemdgaan. Het was voor cliënt al eerder bekend dat aangeefster vreemdging.
2. Op zaterdag 11 december 2021 verklaart cliënt dat hij rond 14:30 uur thuis was, daarna heeft gedoucht en omstreeks 16:00 uur naar zijn vriend [getuige 6] en vriendin [getuige 7] is gegaan voor een autoreparatie. In plaats daarvan hebben zij bij [getuige 6] thuis alcohol gedronken, waarbij ook [getuige 7] aanwezig was. Vanaf ongeveer 18:00/19:00 uur tot 03:00 uur 's nachts hebben cliënt en [getuige 6] samen bijna 1,5 liter wodka gedronken. Cliënt was daardoor niet in staat om te lopen of een auto te besturen, waarop [getuige 7] uit voorzorg zijn autosleutels af pakte, zodat hij niet aangeschoten naar huis zou rijden.
3. Rond 01:00 uur belde cliënt aangeefster op met het verzoek om hem op te halen, omdat hij dronken was. Zij antwoordde daarop dat zij ook had gedronken en niet kon komen. Cliënt sliep vervolgens verder. De volgende ochtend, rond 12:00 uur, kreeg cliënt een telefoontje van zijn zoon [betrokkene 3] uit Polen, die hem meedeelde dat aangeefster in het ziekenhuis lag en dat de politie naar hem op zoek was. Cliënt probeerde zijn zoon [getuige 5] te bellen, die opnam en zei dat mama was geslagen en dat hij (cliënt) dat zou hebben gedaan.
4. Gezien het feit dat cliënt en [getuige 6] zoveel alcohol hadden gedronken dat zij niet in staat waren om te rijden, hebben zij hun collega [betrokkene 4] gevraagd hen naar de echtelijke woning van cliënt te brengen. Eenmaal daar aangekomen, heeft cliënt en zijn twee collega’s in de woning rondgekeken om te achterhalen wat er was gebeurd en is hij op zoek gegaan naar [getuige 5] .
5. De verklaring van cliënt wordt ondersteund door de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] , die beiden bevestigen dat cliënt de nacht in hun woning doorbracht. Zij verklaren tevens dat het onmogelijk was voor cliënt om de woning te verlaten gezien zij de voordeur met een sleutel had gesloten en de autosleutel van cliënt te hebben meegenomen. Cliënt was bovendien zeer dronken. Ook verklaart [getuige 7] dat zij cliënt rond 06:00 uur in de ochtend hoorde snurken.
6. Het OM heeft onderzocht of cliënt misschien door het raam naar buiten zou zijn geglipt, maar dat onderzoek heeft niets opgeleverd.
7. Gezien de bovengenoemde punten trekt de verdediging haar eerste conclusie dat cliënt niet op de plaats delict kan worden geplaatst.”
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
“Het alibi
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet op de plaats delict kan worden geplaatst. Het hof overweegt daarover als volgt.
Het alibi dat door de verdachte naar voren is gebracht, is niet sluitend. De verdachte had zich op 11 december 2021 vanaf 16:00 uur gevoegd bij de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] ging die nacht rond 02:00 uur slapen. [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte en zij rond 03:00 uur gingen slapen. De getuigen sliepen boven en de verdachte zou op de bank beneden slapen. [getuige 2] kwam de volgende ochtend om 07:30 uur beneden en zag toen de verdachte op de bank liggen.
Deze omstandigheden sluiten niet uit dat de verdachte de woning die nacht heeft verlaten om later terug te keren. Dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld op welke specifieke wijze de verdachte de woning in [plaats] heeft verlaten en hoe hij zich naar [plaats] heeft verplaatst, doet niet af aan voornoemde waarnemingen van de aangeefster en haar zoon. Het gegeven dat geen DNA van de aangeefster bij de verdachte is aangetroffen, of vice versa, kan niet als belastend of ontlastend worden aangemerkt, nu evenmin DNA van een ander dan de verdachte bij de aangeefster is aangetroffen. Daarnaast betekent het ontbreken van DNA niet dat de verdachte de feiten niet heeft gepleegd. Ook het gegeven dat uit zendmastgegevens niet naar voren is gekomen dat de telefoon van de verdachte zich die nacht richting de woning van de aangeefster heeft verplaatst, betekent niet dat de verdachte zich niet naar die woning heeft begeven.
Oordeel van het hof
De verklaringen van de aangeefster, de waarnemingen van haar zoon [getuige 5] , het geconstateerde letsel bij de aangeefster, het motief van de verdachte om haar iets aan te doen, de dreigende berichten van de verdachte richting de aangeefster gedurende de bewuste nacht, de ervaringen van de buren direct na, kort gezegd, de aanval op de aangeefster, acht het hof – in onderling verband en samenhang bezien – redengevend voor het bewijs dat de verdachte deze aanval heeft gepleegd. Wat de verdachte daar tegenin heeft gebracht, heeft naar het oordeel van het hof deze redengevendheid niet ontzenuwd. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen […].”
De toelichting op het middel houdt in dat het hof door te overwegen dat niet is uitgesloten dat de verdachte de woning van [getuige 1] en [getuige 2] in de nacht van 11 op 12 december 2021 heeft verlaten om daar later weer terug te keren, is afgeweken van het door en namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het voor hem onmogelijk was om de woning te verlaten en dat hij niet op de plaats van de delicten kan worden geplaatst, terwijl het hof heeft nagelaten om de redenen te geven die daartoe hebben geleid.
Het hof heeft het verweer dat de verdachte niet op de plaats delict kan worden geplaatst gemotiveerd verworpen. Daaraan doet niet af dat het hof daarbij niet expliciet heeft overwogen dat en waarom het standpunt van de verdediging dat het voor de verdachte “onmogelijk” was om de woning te verlaten en dat hij (daarom) niet op de plaats van de delicten kan worden geplaatst, moet worden verworpen. Wel heeft het hof immers concluderend uiteengezet – zie onder 3.3 – wat het redengevend acht voor het bewijs dat de verdachte de aanval heeft gepleegd, en daarbij opgemerkt dat wat de verdachte daar tegenin heeft gebracht, deze redengevendheid niet heeft ontzenuwd. Bovendien heeft het hof overwogen “dat de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld op welke specifieke wijze de verdachte de woning in [plaats] heeft verlaten en hoe hij zich naar [plaats] heeft verplaatst, niet afdoet aan voornoemde waarnemingen van de aangeefster en haar zoon”. In de onder 3.3 weergegeven bewijsoverweging heeft het hof ook uitgebreid de gedetailleerde waarnemingen van de aangeefster en haar zoon over de op de plaats delict aanwezige verdachte beschreven. Gelet daarop ligt in de hiervoor geciteerde overweging van het hof als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat de gestelde omstandigheid dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de voordeur met een sleutel hadden gesloten en de autosleutel van de verdachte hadden meegenomen, niet kan afdoen aan die waarnemingen. Die omstandigheid sluit immers niet uit dat de verdachte de woning heeft kunnen verlaten en naar de woning van de aangeefster kan zijn gegaan. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd.
Met de klacht dat het hof heeft nagelaten de redenen te geven die tot afwijking van het (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt hebben geleid, mist het middel derhalve feitelijke grondslag en kan het daarom niet tot cassatie leiden.
4 Het tweede middel
Het middel houdt in dat het hof de vordering tot materiële schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake “verplaatste schade: reiskosten”, bestaande uit reiskosten van [betrokkene 1] , heeft toegewezen en deze ook heeft betrokken in de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
De zich bij de gedingstukken bevindende schriftelijke toelichting bij de vordering van de benadeelde [slachtoffer] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Materiële schade (art. 6:96 BW)
[…]
- Verplaatste schade/reiskosten
De zusters van cliënte die haar de eerste zes weken na de aanval van verdachte op cliënte hebben verzorgd en geholpen en ondersteund hebben hiervoor reiskosten gemaakt namelijk om naar cliënte aan de [a-straat 1] in [plaats] te komen. Deze kosten komen op grond van art. 6:107, lid 1 en 2 sub g BW voor vergoeding in aanmerking nu deze ten behoeve van [slachtoffer] zijn gemaakt en zij ze ook zelf van verdachte had kunnen vorderen als zij ze zelfs had gemaakt.
De reiskosten voor [betrokkene 5] bedragen de heen en terugreis met de auto van [plaats] , Polen naar Nederland, [plaats] . Dit betreft een afstand van 2.902 km. à € 0,30/km. voor de eerste 2000 kilometer en voor het meerdere € 0,19/km. Dit betreft een totale kostenpost van € 771,38.
De reiskosten van [betrokkene 2] bedragen twee vliegtickets van en naar London. De betaalbewijzen worden als bijlage 18 in het geding gebracht. De totale reiskosten bedragen € 126,87.
Ter zake van deze schadepost vordert [slachtoffer] van verdachte € 898,27.”
Bijlage 18 bij de vordering van de benadeelde [slachtoffer] betreft een boekingsformulier van EasyJet. Dat formulier houdt onder meer het volgende in:
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]Het middel roept de vraag op of de benadeelde in haar gevorderde en door [betrokkene 2] gemaakte reiskosten, ook de reiskosten van het kind [betrokkene 1] heeft meegenomen. Daartoe merk ik het volgende op. Uit het hiervoor weergegeven boekingsformulier blijkt op het eerste oog niet waar het gevorderde bedrag van € 126,87 aan reiskosten vandaan komt. Het zou een optelsom kunnen zijn van alle gemaakte kosten, te weten £ 56,97, € 56,09 en € 22,74. Als ik echter op basis van de weergegeven bedragen die deels in Britse Ponden en deels in Euro’s worden vermeld de op dat moment geldende wisselkoers van de Britse Pond bereken – althans de verhouding tussen beide valuta (£ 47,18 = € 56,09) – dan volgt daaruit dat £ 56,97 gelijkstaat aan € 67,73. Daaruit volgt dat de totale gemaakte kosten € 67,73 + € 56,09 + € 22,74 = € 146,56 zouden moeten bedragen. Als ik daarvan € 126,87 aftrek, blijft over € 19,69. Dat bedrag lijkt niet gerelateerd aan de reiskosten die specifiek zijn gemaakt voor [betrokkene 1] of is althans ontoereikend om die kosten te dekken (te weten in elk geval de optelsom van £ 16,99 en € 28,05). Dat bedrag is immers hoe dan ook lager dan de voor hem gemaakte reiskosten. Uitgaande van het bovenstaande en de informatie in de vordering van de benadeelde partij concludeer ik daarom dat in elk geval een gedeelte van de ten behoeve van [betrokkene 1] gemaakte reiskosten zijn gevorderd door de benadeelde. Het zou dan gaan om € 98,32 aan door [betrokkene 2] gemaakte reiskosten (inclusief bagage) en € 28,55 aan andere kosten welke kennelijk een deel van de reiskosten van het kind [betrokkene 1] betreffen (tezamen: € 126,87).
Het bestreden arrest houdt voor zover hier van belang het volgende in:
“9. Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde stelt te hebben geleden. Tevens is verzocht om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De gestelde materiële schade bestaat uit:
[…]
l. verplaatste schade: reiskosten € 898,27
[…]
Het hof overweegt als volgt.
Schadeposten b, c, d, e, i, j en l
Het hof is van oordeel dat de schadeposten b, c, d, e, i, j, en l dienen te worden toegewezen, nu deze posten niet dan wel onvoldoende door de verdediging zijn betwist. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam vast komen te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten én deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
[…]
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
[…] |
11 BESLISSING
[…]
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.412,78 (negentienduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent), bestaande uit € 4.412,78 (vierduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
[…]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.412,78 (negentienduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 4.412,78 (vierduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.”
De toelichting op het middel bevat de klacht dat, nu niet is gebleken dat [betrokkene 1] zorg heeft gedragen voor de benadeelde partij [slachtoffer] , het hof diens reiskosten “ten onrechte” in aanmerking heeft genomen bij het toewijzen van de materiële schadevergoeding.
Het hof heeft de gehele vordering tot schadevergoeding betreffende “verplaatste schade/reiskosten” toegewezen. Daaruit volgt dat het hof inderdaad de gevorderde kosten die ten behoeve van het kind [betrokkene 1] zijn gemaakt, heeft meegenomen bij het toegewezen bedrag aan schade. In de onderbouwing van de vordering is niet geëxpliciteerd waarom ook deze kosten “op grond van art. 6:107, lid 1 en 2 sub g BW voor vergoeding in aanmerking [komen] nu deze ten behoeve van [slachtoffer] zijn gemaakt en zij ze ook zelf van verdachte had kunnen vorderen als zij ze zelf had gemaakt”. Het hof heeft daaraan ook geen specifieke overweging gewijd. Uit het oordeel van het hof blijkt echter dat de verdediging deze schadepost niet dan wel onvoldoende heeft betwist. Mede gelet daarop is ’s hofs oordeel dat “genoegzaam [is] vast komen te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten én [dat] deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen” niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat oordeel evenmin. Daarbij merk ik op dat de omstandigheid dat een vrouw een kind meeneemt naar het buitenland als zij hulp gaat verlenen en in rechte verzoekt om vergoeding van de ten behoeve van het kind gemaakte reiskosten, mij niet onredelijk in de oren klinkt. Een kind heeft immers doorgaans de zorg van een volwassene nodig. Daarbij komt dat ook de in dit opzicht gevorderde kosten, te weten: € 28,55, zeer beperkt zijn.
Het middel faalt.
5 Het derde middel
In het middel wordt geklaagd dat het hof ten onrechte de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de gehele materiële schade telkens heeft bepaald op 12 december 2021, terwijl die schade in ieder geval gedeeltelijk pas op een of meer latere data is ontstaan. Uit de toelichting op het middel blijkt dat in het bijzonder geklaagd wordt dat (een gedeelte van) de kosten pas in het jaar 2022 zijn gemaakt.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag en verkrachting, gepleegd op 12 december 2021. Daarbij heeft het hof (i) de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wegens materiële schade tot een bedrag van € 4.412,78 toegewezen en aan de verdachte voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en (ii) de vordering van de benadeelde partij [getuige 5] wegens materiële schade tot een bedrag van € 106,50 toegewezen en aan de verdachte voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De zich bij de gedingstukken bevindende schriftelijke toelichting bij de vordering van de benadeelde [slachtoffer] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“- Verplicht eigen risico zorgverzekering
Voor de kosten van het ambulancevervoer, SEH-behandeling met aanvullende onderzoeken in [A] ziekenhuis, pijnmedicatie en EMDR-behandeling die cliënte als gevolg van de gewelddadige aanval van verdachte heeft gehad, heeft [slachtoffer] haar verplichte eigen risico van de zorgverzekering moeten aanspreken. Uit de zorgkostenfacturen van 26 april 2022, 29 juli 2022 en 16 augustus 2022 die als bijlage 8 in het geding worden gebracht, is het verloop van het verrekende verplichte eigen risico te zien. In totaal heeft cliënte € 385,00 aan verplicht eigen risico moeten voldoen, zoals uit de facturen blijkt. Cliënte vordert dit bedrag van verdachte.
- Niet vergoede zorgkosten (in Nederland)
Ten gevolge van de verwondingen die cliënte zijn toegebracht door verdachte heeft zij zorgkosten moeten maken die niet door de ziektekosten verzekering werden vergoed. Het betreft (pijn-/slaap)medicatiekosten, een behandeling bij een osteopaat, hetgeen blijkt uit de zorgkostenfactuur van 28 januari 2022, de losse factuur van de osteopaat en een losse factuur van de apotheek van 8 juni 2022. Deze worden als bijlage 9 in het geding gebracht. Niet vergoed werd een bedrag van € 124,50. Tevens is een deel van de kosten van [B] B.V. voor de EMDR-behandelingen niet vergoed. Dit valt op te maken uit de zorgkostenfactuur van 16 augustus 2022 van bijlage 8. Cliënte heeft zelf een bedrag van € 218,36 voor de therapie moeten betalen. Het totaal van niet vergoede zorgkosten die cliënte op verdachte verhaalt is € 342,86.
- Niet vergoede zorgkosten (in Polen)
Cliënte is na de zomervakantie 2022 met haar zoon naar Polen gegaan omdat [slachtoffer] in Nederland nauwelijks een netwerk heeft om op terug te vallen en zij wel directe familie in Polen heeft die haar en haar zoontje kunnen ondersteunen in haar fysieke en psychische gezondheidsconditie. Vanwege verplichtingen in Nederland en de strafzaak pendelt ze tussen Nederland en Polen.
Cliënte heeft zich in Polen onder behandeling gesteld van een psychiater en aanvullend neurologisch onderzoek laten uitvoeren middels een MRI-scan (zie bijlage 2). De psychiater heeft cliënte antidepressivamedicatie voorgeschreven, die cliënte sinds november jl. gebruikt. De kosten daarvan worden niet vergoed door een verzekering. Omgerekend heeft [slachtoffer] op 19 en op 22 november 2022 € 87,73 aan medicatiekosten voldaan, welk bedrag zij ter vergoeding van de verdachte vordert. De voorgeschreven medicatie en de daarvoor gemaakt kosten blijken uit het recept en de kwitanties, die als bijlage 10 in het geding worden gebracht. Van wikipedia is een uitdraai gemaakt van het soort medicijn dat aan cliënte is voorgeschreven. Tevens is een van internet een uitdraai gemaakt van de wisselkoers op 22 december 2022 tussen de Poolse munt en de euro. Deze gegevens zijn ook bij bijlage 10 gevoegd.
De kosten van de MRI scan bedragen omgerekend € 142,81, zoals uit de Poolse factuur van 24 nov. 2022 met Nederlandse vertaling, blijkt. De factuur en vertaling worden als bijlage 11 in het geding gebracht.
Voorts heeft [slachtoffer] kosten gemaakt aan een achttal laboratoriumonderzoeken, waarvoor zij omgerekend € 18,25 heeft betaald. De factuur met Nederlandse vertaling wordt als bijlage 12 in het geding gebracht.
De totale schadepost van [slachtoffer] wegens zorgkosten in Polen bedraagt € 248,79, welk bedrag zij ter vergoeding van verdachte vordert.
[…]
- Verhuiskosten
Voor [slachtoffer] is het vanwege de aanval die verdachte op haar heeft gepleegd niet mogelijk langer in Nederland te blijven. [slachtoffer] heeft niet tot nauwelijks een sociaal netwerk in Nederland, zij heeft geen huisvesting want de echtelijke woning is eigendom van de man, zij heeft geen regulier werk in Nederland en heeft vanwege het algemene woningentekort geen kansen op eigen huisvesting voor haar en de zoon in Nederland. In Polen woont de directe familie van cliënte, alwaar zij en de zoon (voorlopig) kunnen wonen en ondersteuning krijgen in deze (met name psychisch) moeilijke periode voor [slachtoffer] . Cliënte heeft voor de werkzaamheden een Pools bedrijf, tevens werkzaam in Nederland, ingeschakeld. Blijkens de nota van 1 juli 2022 die samen met een Nederlandse vertaling als bijlage 16 wordt overgelegd heeft de verhuizing van haar spullen naar Polen omgerekend € 1.570,= gekost, welk bedrag wordt gevorderd van verdachte.
- Huishoudelijke hulp
Door het letsel dat verdachte bij [slachtoffer] had aangericht was zij enige tijd niet in staat om het huishouden en de verzorging van haar zoon te doen. Haar zusters [betrokkene 5] en [betrokkene 2] hebben haar in deze periode geholpen door het huishouden en de zorg voor [getuige 5] te doen, zij reden cliënte naar diverse afspraken, stonden haar emotioneel bij. [betrokkene 5] heeft vlak na het gebeurde cliënte ook moeten helpen bij haar persoonlijke verzorging (douchen, aankleden en dergelijke). De zusters hebben ieder een schriftelijke verklaring in de Engelse taal opgesteld waarin zij onder meer beschrijven over welke periode en met welke taken zij cliënte hebben geholpen. Deze verklaringen worden als bijlage 17 in het geding gebracht.
De werkzaamheden die haar zusters zes weken lang aan cliënte hebben gegeven, betreft normale huishoudelijke werkzaamheden die anders door professionele hulpverlening zou worden verricht. Uit ECLI:NL:HR:2008:BE9998 volgt dat deze kosten voor huishoudelijke hulp voor vergoeding in aanmerking komen. Voor het bepalen van de hoogte van het bedrag is aangesloten bij de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschaderaad, welke breed wordt gebruikt in de letselschadepraktijk en die ook bij bijlage 17 is gevoegd. De eerste drie weken na de aanval wordt aangehaakt bij het normbedrag wegens zware beperking van cliënte. De laatste drie weken bedroeg de beperking van cliënte matig tot licht. Cliënte deed voordat haar het letsel werd toegebracht door verdachte volledig het huishouden.
De berekening van het schadebedrag is als volgt: Voor de eerste drie weken: € 367,00 x 100% x 3 = € 1.101,00.
Voor de laatste drie weken € 184,00 x 100% x 3: € 552,00.
De totale vordering wegens kosten huishoudelijke hulp bedragen € 1,653,00.
[…]
- Verplaatste schade/reiskosten
De zusters van cliënte die haar de eerste zes weken na de aanval van verdachte op cliënte hebben verzorgd en geholpen en ondersteund hebben hiervoor reiskosten gemaakt namelijk om naar cliënte aan de [a-straat 1] in [plaats] te komen. Deze kosten komen op grond van art. 6:107, lid 1 en 2 sub g BW voor vergoeding in aanmerking nu deze ten behoeve van [slachtoffer] zijn gemaakt en zij ze ook zelf van verdachte had kunnen vorderen als zij ze zelfs had gemaakt.
De reiskosten voor [betrokkene 5] bedragen de heen en terugreis met de auto van [plaats] , Polen naar Nederland, [plaats] . Dit betreft een afstand van 2.902 km. à € 0,30/km. voor de eerste 2000 kilometer en voor het meerdere € 0,19/km. Dit betreft een totale kostenpost van € 771,38.
De reiskosten van [betrokkene 2] bedragen twee vliegtickets van en naar London. De betaalbewijzen worden als bijlage 18 in het geding gebracht. De totale reiskosten bedragen € 126,87.
Ter zake van deze schadepost vordert [slachtoffer] van verdachte € 898,27.”
De aan de schriftelijke toelichting bij de vordering van de benadeelde [slachtoffer] gehechte bijlagen houden, voor zover van belang, het volgende in. De bijlagen 8 tot en met 12 betreffen zorgkostenfacturen waaruit blijkt dat de daarop betrekking hebbende zorg uitsluitend in 2022 is geleverd. Uit bijlage 8 blijkt voorts dat het gevorderde bedrag aan verplicht eigen risico het eigen risico van het jaar 2022 betreft. Uit bijlage 16 blijkt dat de verhuiskosten in 2022 zijn gemaakt. Uit bijlage 17 blijkt dat de kosten die [betrokkene 2] heeft gemaakt voor huishoudelijke hulp, in 2022 zijn gemaakt. Ten slotte blijkt uit bijlage 18 dat de verplaatste schade bestaande uit reiskosten van [betrokkene 2] in 2022 zijn gemaakt.
De zich bij de gedingstukken bevindende schriftelijke toelichting bij de vordering van de benadeelde [getuige 5] houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Materiële schade
- Verplaatste schade/reiskosten
De moeder van [getuige 5] heeft reiskosten gemaakt om [getuige 5] naar zijn EMDR-therapie in [plaats] en de individuele therapie in Polen te brengen. [getuige 5] is te jong om deze reizen alleen te doen en heeft begeleiding van zijn moeder hierbij nodig. Deze kosten komen op grond van art. 6:107, lid 1 en 2 sub g BW voor vergoeding in aanmerking nu deze ten behoeve van [getuige 5] zijn gemaakt en hij ze ook zelf van verdachte had kunnen vorderen als hij ze zelf had gemaakt.
In bijlage 7 wordt een schema overgelegd waarop de moeder van [getuige 5] in chronologische volgorde haar reizen en bestemmingen heeft genoteerd tot en met 24 november 2022. De met de roze gemarkeerde reizen zijn ten behoeve van de therapie van [getuige 5] gemaakt.
Van de twee verschillende bestemmingen is de afstand berekend aan de hand van een Google Maps uitdraai, welke ook bij bijlage 7 zijn gevoegd. Aan de hand van het reizenschema is uitgerekend hoeveel kilometers zijn verreden. Dat zijn er in totaal 355 km. Het schadebedrag is afgeleid uit de richtlijn voor kilometervergoeding van de Letselschaderaad, welke breed wordt gebruikt in de letselschadepraktijk en die ook bij bijlage 7 is gevoegd. Op grond van deze richtlijn geldt een kilometervergoeding van € 0,30 en bedragen de totale reiskosten € 106,50.”
Uit de aan de schriftelijke toelichting bij de vordering van de benadeelde [getuige 5] gehechte bijlage 7 blijkt dat alle reiskosten zijn gemaakt in het jaar 2022.
De uitspraak van het hof houdt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor zover hier relevant in:
“9. Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde stelt te hebben geleden. Tevens is verzocht om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De gestelde materiële schade bestaat uit:
[…]
b. broek € 41,99
c. verplicht eigen risico € 385,00
d. niet vergoede zorgkosten (in Nederland)
(het hof begrijpt bij natellen afzonderlijke posten in bijlagen) € 359,25
e. niet vergoede zorgkosten (in Polen) € 248,79
[…]
i. verhuiskosten € 1.570,00
j huishoudelijke hulp € 1,653,00
[…]
l. verplaatste schade: reiskosten € 898,27
[...]
Het hof overweegt als volgt.
Schadeposten b, c, d, e, i, j en l
Het hof is van oordeel dat de schadeposten b, c, d, e, i, j, en l dienen te worden toegewezen, nu deze posten niet dan wel onvoldoende door de verdediging zijn betwist. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam vast komen te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten én deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Ten aanzien van schadepost d zal het hof de vordering toewijzen ten bedrage van € 359,25. Dit bedrag is opgebouwd uit de bedragen waarvan uit de bijlagen 8 en 9 volgt dat deze niet zijn vergoed, te weten € 16,39, € 162,57, € 55,79, € 100,00, € 9,99 en € 14,51.
Ten aanzien van schadepost i overweegt het hof dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij niet de mogelijkheid had om in de woning aan de [a-straat 1] in [plaats] te blijven wonen, nu de woning aan de verdachte toebehoort en het onderhavige ernstige geweldsdelict in die woning heeft plaatsgevonden. De schade die de benadeelde partij heeft geleden ten behoeve van de verhuizing kan daarom als rechtstreekse schade worden aangemerkt en is voor toewijzing vatbaar.
Ten aanzien van schadepost j blijkt uit de vordering en de toelichting daarbij naar het oordeel van het hof voldoende dat de benadeelde partij na de feiten zoals bewezen verklaard gedurende een periode van enkele weken ondersteuning van een huishoudelijke hulp nodig heeft gehad. Het hof zal schadepost j toewijzen conform de richtlijn, maar zal een andere maatstaf toepassen dan is gehanteerd in de vordering. In de vordering is aansluiting gezocht bij de maatstaf 'gezin met inwonende kinderen jonger dan 5 jaar’. Het hof zal de maatstaf 'gezin met inwonende kinderen ouder dan 5 jaar’ hanteren, nu de zoon van de benadeelde partij is geboren in 2011.
[betrokkene 5] heeft gedurende een periode van twee weken en twee dagen hulp verleend. De schade die is gemaakt in deze periode behelst € 318 x 2,29 = € 728,22. [betrokkene 2] heeft gedurende een periode van een week en een dag hulp verleend. De schade die is gemaakt in deze periode behelst € 159 x 1,14 = € 181,26. De totale schade komt daarmee uit op € 909,48. Het hof zal het overig gevorderde bedrag onder schadepost j, inhoudende€ 743,52, afwijzen.
[...]
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 5]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg met tussenkomst van een bijzonder curator in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde stelt te hebben geleden. Tevens is verzocht om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De gestelde materiële schade bestaat uit € 106,50, te weten reiskosten ten behoeve van de therapie van de benadeelde partij. [...]
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat de gevorderde materiële schade dient te worden toegewezen, nu deze post niet door de verdediging is betwist. Naar het oordeel van het hof is genoegzaam vast komen te staan dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten én deze het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.
[...]
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
[...]
11 BESLISSING
Het hof:
[...]
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.412,78 (negentienduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent), bestaande uit € 4.412,78 (vierduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
[...]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.412,78 (negentienduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent), bestaande uit € 4.412,78 (vierduizend vierhonderdtwaalf euro en achtenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
[...]
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 december 2021.
Vordering van de benadeelde partij [getuige 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 5] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.106,50 (vijfduizend honderdzes euro en vijftig cent) bestaande uit € 106,50 (honderdzes euro en vijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizendeuro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
[...]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 5] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.106,50 (vijfduizend honderdzes euro en vijftig cent) bestaande uit € 106,50 (honderdzes euro en vijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizendeuro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening
[...]
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 12 december 2021.”
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de volgende kosten in 2022 (en derhalve niet op 12 december 2021) zijn gemaakt: (i) het eigen risico van de zorgverzekering van het jaar 2022, (ii) de niet vergoede zorgkosten in Nederland en Polen, (iii) de verhuiskosten, (iv) de kosten van huishoudelijke hulp door [betrokkene 2] , (v) de verplaatste schade bestaande uit reiskosten van [betrokkene 2] en (vi) reiskosten ten behoeve van therapie.
Ik stel het volgende voorop. De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat zij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden.
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [getuige 5] materiële schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partijen wegens materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 4.412,78 respectievelijk € 106,50, voor die bedragen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en daarbij bepaald dat deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2021. Daarmee heeft het hof geoordeeld dat wat betreft de verschuldigdheid van de wettelijke rente de datum van 12 december 2021, zijnde de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten, moet worden aangemerkt als de datum waarop de volledige materiële schade is ingetreden.
In aanmerking genomen dat uit de hiervoor onder randnr. 5.4 en 5.6 samengevatte bijlagen behorende bij de onder randnr. 5.3 en 5.5 weergegeven schriftelijke toelichtingen bij de vorderingen van de benadeelde partijen volgt dat de benadeelde partijen de bedoelde zorgkosten, verhuiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp en reiskosten (ook) in 2022 hebben gemaakt en betaald, is niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat de materiële schade die het gevolg is van de bewezenverklaarde poging tot doodslag en verkrachting, volledig is ingetreden op 12 december 2021, te weten de pleegdatum van de bewezenverklaarde feiten.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door wat betreft de hiervoor in randnr. 5.11 bedoelde schadeposten de juiste aanvangsdatum van de wettelijke rente te bepalen.
6 Afronding
Het eerste middel faalt. Gezien de vrijspraak door de rechtbank van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde, ligt het niet in de rede om dit middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Ook het tweede middel faalt en dit middel kan wel worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarin de aanvangsdatum van de wettelijke rente over de materiële schadevergoeding ten onrechte is bepaald op 12 december 2021 en tot een zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG