Strafrecht overig
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering naar Turkije t.z.v. verdenking van (i) deelneming aan criminele…
Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2026
ECLI:NL:PHR:2026:879 · Parket bij de Hoge Raad · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2026-879
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- 26/01564
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:879
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering naar Turkije t.z.v. verdenking van (i) deelneming aan criminele organisatie en (ii) handel in drugs. Genoegzaamheid van de stukken (art. 12 lid 2 EUV en art. 18 lid 3 UW). Middel klaagt over verwerping verweer dat uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat feit (ii) onvoldoende duidelijk is omschreven, nu de stukken enerzijds inhouden dat het gaat om invoer van cannabis en MDMA, maar anderzijds in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek wordt gesproken van de “act of smuggling cocaine”. Oordeel rechtbank dat dit een vertaalfout betreft en uit de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek en een proces-verbaal van de Openbaar Aanklager in Turkije voldoende blijkt dat feit (ii) enkel ziet op invoer van cannabis en MDMA, is volgens de AG niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2026:879
Hoge Raad · 3 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1787
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/01564 U
Zitting 22 september 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1979,
hierna: de opgeëiste persoon
1 Inleiding
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 25 februari 2026 (kenmerk UTL-I-2025015000 en parketnr. 71/094114-25) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek, de daarbij gevoegde arrestatiebevelen en het hiervoor genoemde proces-verbaal van de Openbaar Aanklager” (zie daarvoor nader hieronder in randnummer 2.1 en verder).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat (i) de feiten waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht genoegzaam zijn omschreven als bedoeld in art. 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en art. 18 Uitleveringswet (hierna: UW), en (ii) zij geen reden ziet om de officier van justitie opdracht te geven om hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten.
2 Het procesverloop
Bij schrijven van 7 mei 2025 is door de Turkse autoriteiten de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht. Het daarbij gevoegde uitleveringsverzoek houdt daarover (in de Engelse vertaling) het volgende in:
“INFORMATION REGARDING THE OFFENCE
Offence: Becoming a Member of an Organization Established for the Purpose of Committing Offences. Production or Trade of Narcotics or Psychotropic Substances
Date of the offence: The offence date in terms of the offence of Becoming a Member of an Organization Established for the Purpose of Committing Offences shall be the apprehension date of the suspect. The offence date in terms of the offence of Production or Trade of Narcotics or Psychotropic Substances is 06/03/2021 (date of the latest act)
Place of the offence: Türkiye
(…)
FACTS REGARDING THE COMMISSION OF THE OFFENCE:
To prevent the offence of international trade of narcotics, the authorities of France, Belgium and Netherlands which are the states of the Joint Investigation Team analyzed the data of the crypto communication application called SKY-ECC. The analyzed data was transmitted to the judicial authorities of our country with regard to the Europol Negotiation Text. Following the examination of the received data, the existence of an organization which was established by the leadership of (…) and which had several international shipments of narcotics. In line with that, an investigation was initiated by Istanbul Chief Public Prosecutor’s Office through the file numbered […] . Following the works carried out on SKY-ECC data to determine the members of the organization in question and its acts, the suspect [opgeëiste persoon] (Republic of Turkiye ID Number: (…)) was determined to be a member of the organization led by (…) and used the crypto communication app SKY-ECC with the PIN (…).
Determinations regarding the acts carried out by the suspect within the scope of the organization’ activities:
1-) The following was understood within the scope of the investigation carried out by [plaats] Chief Public Prosecutor’s Office. 710.000 narcotic pills and 63 kilograms of cannabis were seized in a truck at [plaats] Province Kapikule border gate. Regarding the abovementioned incident. [opgeëiste persoon] who was the user of SKY-ECC with the PIN (…), texted the individual PIN numbered (…) between 04/03/2021 and 07/03/2021. Following the examination of the content of the text messages, 710.000 narcotic pills and 63 kilograms of cannabis seized at [grensovergang] border gate on 06/03/2021 belonged to [opgeëiste persoon] . These substances were seen to be packaged by [opgeëiste persoon] before being loaded into the truck. The photo of the packaged substances was sent by [opgeëiste persoon] to the individual PIN numbered (…). It was determined by the content of these text messages that [opgeëiste persoon] involved in the abovementioned act of smuggling cocaine to our country from abroad on 06/03/2021.
2-) When all of the correspondence of (…) and the other suspects in connection with the case made on the platform called SKY-ECC is evaluated, it was understood that the suspect carried out the acts specified above within the scope of organizational activity. It was detected that the suspect carried out these actions with the instructions of the leader of the organization. Therefore, it has been understood that the suspect is a member of the criminal organization that was established by (…).
It has been determined that the suspect participated in the acts of importing, exporting and transporting narcotic substances within the scope of the organization’s activities as stated above and committed the crimes of “being a member of an organization established for the purpose of committing a crime” and “production and trade of narcotics or psychotropic substances”.
As a result of the investigations, it was understood that the suspect left our country and started to reside in the Netherlands.
By the decision of the Istanbul 12th Criminal Judgeship of Peace dated 18/03/2025, and miscellaneous numbered 2025/123, an arrest warrant was issued against the suspect for the offenses of “being a member of an organization established for the purpose of committing a crime” and “production and trade of narcotics or psychotropic substances”.
(…)”
Voorts bevindt zich bij de stukken een Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek (met als opschrift ‘Vertaling Turks-Nederlands’), die luidt:
“INFORMATIE MET BETREKKING TOT HET STRAFBARE FEIT:
Strafbaar feit:
Lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen. Handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen.
Datum van het strafbare feit:
Ten aanzien van het strafbare feit “lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen”, geldt de arrestatiedatum van de verdachte als datum van het strafbare feit.
Voor het strafbare feit “handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen” geldt 06-03 2021 (datum van de laatste handeling) als strafdatum.
Plaats waar het strafbare feit is gepleegd: Turkije
(…)
FEITEN MET BETREKKING TOT HET PLEGEN VAN HET MISDRIJF:
De gegevens van het versleutelde communicatieprogramma ‘SKY-ECC’ zijn ontcijferd door de bevoegde autoriteiten van de landen die deel uitmaken van het Joint Investigation Team; Frankrijk, België en Nederland, met als doel internationale handel in verdovende middelen tegen te gaan. De geanalyseerde gegevens zijn op grond van het Europol Onderhandelingsdocument ter beschikking gesteld aan de justitiële autoriteiten van ons land. Bij de beoordeling van deze gegevens is vastgesteld dat er sprake is van een criminele organisatie, opgericht onder leiding van de persoon genaamd (…), die zich herhaaldelijk heeft beziggehouden met internationale drugstransporten. In dit kader is door het Openbaar Ministerie te Istanbul een onderzoek gestart onder dossiernummer […] . Met het oog op het identificeren van de leden van de betreffende organisatie en hun handelingen, is nader onderzoek verricht naar de SKY-ECC-gegevens. Daaruit is gebleken dat de verdachte [opgeëiste persoon] (…) lid is van de organisatie die onder leiding staat van (…), en dat hij gebruik maakte van het versleutelde communicatiesysteem SKY-ECC met de pincode (…).
Vastgestelde gedragingen van de verdachte binnen het kader van de organisatieactiviteiten:
In het kader van het onderzoek uitgevoerd door het Openbaar Ministerie van [plaats] :
1-) In het kader van het onderzoek uitgevoerd door het Openbaar Ministerie van [plaats] , zijn op 06.03.2021, bij de [grensovergang] in de provincie [plaats] , 710.000 stuks verdovende pillen en 63 kilogram cannabis in een vrachtwagen aangetroffen en in beslag genomen.
In verband met dit genoemde incident heeft de SKY-ECC-gebruiker met PIN-code (…), [opgeëiste persoon] , tussen de data 04.03.2021 en 07.03.2021 berichten uitgewisseld met de persoon met PIN code (…).
Bij bestudering van de inhoud van deze berichten is gebleken dat de op 06.03.2021 bij de grensovergang in [plaats] aangetroffen 710.000 stuks verdovende pillen en 63 kilogram cannabis toebehoren aan [opgeëiste persoon] .
Er is vastgesteld dat deze stoffen vóór de verzending zijn verpakt door [opgeëiste persoon] . Foto's van de verpakte toestand van de stoffen zijn door [opgeëiste persoon] verzonden naar de persoon met PIN-code (…).
Uit de inhoud van deze berichten is vastgesteld dat [opgeëiste persoon] heeft deelgenomen aan de actie van het binnenbrengen van verdovende middelen in ons land vanuit het buitenland op de genoemde datum van 06.03.2021.
2-) Bij volledige analyse van de gesprekken die de verdachte heeft gevoerd via het SKY-ECC-platform is vastgesteld dat de bovengenoemde handelingen zijn uitgevoerd binnen het kader van een organisatie. Er is gebleken dat de verdachte deze handelingen heeft uitgevoerd op instructie van organisatieleider (…).
Daarom is vastgesteld dat de verdachte lid is van de criminele organisatie die is opgericht onder leiding van (…).
Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte heeft deelgenomen aan de invoer, uitvoer en het transport van verdovende middelen in het kader van de activiteiten van de organisatie, en dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten: Lidmaatschap van een criminele organisatie opgericht met het oogmerk misdrijven te plegen en handel in verdovende of psychotrope stoffen of het verschaffen ervan.
Uit het onderzoek is gebleken dat de verdachte ons land op illegale wijze heeft verlaten en zich in Nederland heeft gevestigd.
Tegen de verdachte is op 18-03-2025 door de 12e Kabinet Rechter-Commissaris in Istanbul, onder zaaknummer 2025/123 Diverse Zaken, een arrestatiebevel uitgevaardigd wegens de strafbare feiten: “lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen” en “handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen”.”
De zaak is voor het eerst behandeld op de zitting van 14 oktober 2025. Aldaar heeft de officier van justitie het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde en aan het proces-verbaal van deze zitting gehechte notities. Het gaat daarbij kennelijk om zowel een schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering als bedoeld in art. 26 lid 2 UW, als om een op schrift gesteld requisitoir. De schriftelijke samenvatting houdt onder meer in:
“Overwegende dat het verzoek voldoet aan de vereisten van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering (EUV), alsmede artikel 18 van de Uitleveringswet;
Overwegende dat de uitlevering wordt verzocht ter fine van de vervolging en berechting voor de feiten vermeld in het aanhoudingsbevel van de 12th Criminal Judgeship of Peace in Istanbul, afgegeven op 18 maart 2025, te weten dat hij wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die is opgericht met als doel strafbare feiten te plegen, gepleegd in de periode van 4 maart 2021 tot en met 15 april 2025 en handel in of verstrekking van verdovende middelen of psychotrope stoffen, gepleegd op 6 maart 2021, strafbaar gesteld in het Turkse wetboek van Strafrecht onder de volgende artikelen:
- Artikel 220 lid 2;
- Artikel 188 lid 3;
Van welke hierboven genoemde buitenlandse wetsbepalingen de volledige tekst bij de stukken is gevoegd;
Overwegende dat volgens de uiteenzetting van de feiten de Turkse strafvervolging ziet op deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en internationale handel in verdovende middelen, te weten de in- en uitvoer van Ecstasy (MDMA) en cannabis, welk feit naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in artikel 140 van het wetboek van strafrecht, artikel 2 onder A, B en C jo. artikel 10 Opiumwet en artikel 3 onder A, B en C jo. artikel 11 Opiumwet, en voor welk feit uitlevering is toegestaan;”
Het overgelegde requisitoir houdt verder in:
“1.2 Eisen aan het uitleveringsverzoek
Conform artikel 18 Uitleveringswet kan dit uitleveringsverzoek in behandeling worden genomen als het voldoet aan de vereisten omschreven in artikel 18 UW. Dit uitleveringsverzoek voldoet daaraan. Het verzoek behoeft geen uitgebreide beschrijving te zijn met onderliggende bewijsmiddelen. Dat wordt ook in het uitleveringsrecht niet gevraagd, zeker niet bij een vervolgingsuitlevering die het begin van een strafproces markeert waarin nog veel moet worden vastgesteld. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat op grond van het vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat de door Turkije aangevoerde feiten juist zijn.
Dubbele strafbaarheid
Het verzoek van de Turkse autoriteiten heeft betrekking op hun verdenking dat de verdachte op 20 oktober 2020 betrokken is geweest bij het vervoer van 220 kilo cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. (…)
Ongenoegzaamheid van de stukken
In de mee gestuurde stukken van de autoriteiten bevindt zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, naast het vaststellen van de identiteit en de nationaliteit van de opgeëiste persoon. Vragen om een nadere onderbouwing van de verdenking en eventuele persoonsverwisseling zijn niet aan de orde.”
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden over de genoegzaamheid van de stukken onder meer het volgende in:
“2. Vooruitlopend op de rest van het pleidooi zal de verdediging Uw Rechtbank alvast meenemen naar de conclusie. De verdediging zal uw rechtbank vragen de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren nu het uitleveringsverzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 18 ULW jo. 12 EUV en er bovendien een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM dreigt. (…)
Voorwaarden voor uitlevering (artikelen 2, 5, 18 ULW en 1, 2, 12 EUV)
(…)
Artikel 18 ULW jo. 12 EUV – genoegzaamheid van stukken
(…)
Sub b & c – Een uiteenzetting van de feiten waarvoor de aanhouding wordt gevraagd + strafbepalingen
9. Ook stelt de verdediging zich op het standpunt dat de feiten onvoldoende duidelijk zijn omschreven. En juist een uiteenzetting van de aan cliënt verweten feiten is noodzakelijk om te kunnen vaststellen of sprake is van de gekwalificeerde dubbele strafbaarheid ex artikel 5 ULW. Daarnaast is het natuurlijk van groot belang als grondslag voor de beschermende werking van ‘specialiteit’ die cliënt zou genieten tijdens de eventuele vervolging in Turkije.
10. De verdediging maakt uit de stukken op dat er op 6 maart 2021 verdovende middelen zijn aangetroffen in een vrachtwagen bij de grensovergang Kapikule. Dit ging om 710.000 ‘narcotic pills’ en 63 kilogram cannabis. Uit onderzoek van de Turkse autoriteiten zou blijken dat cliënt de gebruiker was van SKY-ECC met de PIN (…) en dat de inbeslaggenomen middelen eigendom waren van cliënt. Hij zou ook degene zijn geweest die de middelen zou hebben verpakt voordat ze in de vrachtwagen werden geladen. Uit de berichten die cliënt zou hebben verstuurd met eerdergenoemde SKY-telefoon zou blijken dat cliënt betrokken was “in the abovementioned act of smuggling cocaine to our country from abroad on 06/03/2021”.
11. Uit deze uiteenzetting wordt het de verdediging in zijn geheel niet duidelijk waarvan cliënt precies wordt verdacht. Uit de feitenomschrijving lijkt in eerste instantie te volgen dat hij wordt verdacht van betrokkenheid bij de invoer van pillen en cannabis. Die betrokkenheid zou eruit hebben bestaan dat hij de middelen in de vrachtwagen zou hebben geladen. Waar cliënt dat zou hebben gedaan, blijft volstrekt onduidelijk. Uit de stukken blijkt verder niet wat dient te worden verstaan onder ‘narcotic pills’. Betrof het ecstasy, paracetamollen of heel andersoortige pillen? Omdat onduidelijk blijft om wat voor pillen het ging, kan niet worden vastgesteld dat ten aanzien van deze pillen wordt voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
12. Daarnaast valt op dat in de laatste zin van die betreffende alinea plotseling wordt geconcludeerd dat “uit het voorgaande” blijkt dat cliënt betrokken was bij de invoer van cocaïne, terwijl het daarvoor niet ging om cocaïne maar om die narcotic pills en cannabis. Volstrekt onduidelijk is waar de cocaïne vandaan komt en uit welke feiten en omstandigheden zijn betrokkenheid daarmee blijkt.
13. Onder de gegeven omstandigheden blijft onduidelijk waarvoor precies om uitlevering wordt verzocht, waardoor de dubbele strafbaarheid niet kan worden getoetst en de beschermende waarborg van specialiteit ineffectief is.
Conclusie
14. Kort en goed zijn er bij de verdediging teveel onduidelijkheden in dit uitleveringsverzoek op grond waarvan de verdediging zich op het standpunt stelt dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden wegens het feit dat (i) de authenticiteit van het aanhoudingsbevel niet vast staat en (ii) de feiten niet genoegzaam zijn omschreven. Om deze reden kan de dubbele strafbaarheid niet getoetst worden en is de beschermende waarborg van specialiteit niet gegeven.”
In het proces-verbaal van deze zitting is – voor zover hier relevant – het volgende gerelateerd:
“De jongste rechter vraagt aan de officier van justitie:
In de door u overgelegde (op voorhand toegezonden) schriftelijke samenvatting omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering zag ik staan dat u aannemelijk acht dat de in het uitleveringsverzoek genoemde ‘verdovende pillen’ Ecstasy-pillen (MDMA) betreffen. Waar baseert u dat op?
De officier van justitie deelt mee:
Dat baseer ik op de nadere informatie, die ik hierover heb ontvangen van de Turkse officier van justitie. Wij hebben hierover contact gehad en nadere informatie hierover opgevraagd en toen is dat aan ons gemaild.
De jongste rechter deelt mee dat deze nadere informatie zich niet in het dossier bevindt.
De officier van justitie deelt mee:
Ik was daar net naar aan het zoeken in de computer.
De jongste rechter deelt mee:
De raadsvrouw zegt ook dat in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek plotseling wordt geconcludeerd dat de opgeëiste persoon betrokken was bij de invoer van cocaïne.
De officier van justitie deelt mee:
De verdenking ziet niet op de handel in cocaïne.
De officier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Zij deelt mee:
Wij hebben in de samenvatting gezegd dat het gaat om Ecstasy-pillen (MDMA) en dat het daarom valt onder artikel 2 van de Opiumwet.
(…)
De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Zij deelt mee:
(…)
Met betrekking tot de pillen peristeer ik. Ik hoor wat de officier van justitie zegt, maar dat blijkt niet uit de stukken die zich in het dossier bevinden. Dat geldt ook voor de cocaïne. Ik verzoek u dat echt onvoldoende te achten.”
De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 oktober 2025 het op 14 oktober 2025 gesloten onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, en de stukken in handen gesteld van de officier van justitie, met de opdracht om een Nederlandse vertaling van een stuk en de bijbehorende aanbiedingsbrief van de Turkse autoriteiten van 15 september 2025 door een beëdigde vertaler aan te leveren. De uitspraak houdt daarover het volgende in:
“Beoordeling
De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken. Benoemd is dat de verdenking ziet op de volgende strafbare feiten:
1. lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen, strafbaar gesteld in artikel 220, leden 1 en 2 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237;
2. handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen, strafbaar gesteld in artikel 188, leden 1, 3 en 5 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237.
Een van de vragen die aan de rechtbank voorliggen is of de uiteenzetting van deze feiten in het uitleveringsverzoek voldoende is om de toelaatbaarheid van de uitlevering te kunnen beoordelen.
De rechtbank zal een uitspraak moeten doen over de toelaatbaarheid van de uitlevering ten aanzien van elk van deze feiten, omdat op grond van het specialiteitsbeginsel (artikel 14 EUV) alleen kan worden uitgeleverd en vervolgens vervolgd in de verzoekende staat, Turkije, voor de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard. De rechtbank zal in dat kader voor elk van de ten laste gelegde feiten moeten beoordelen of is voldaan aan het in artikel 2 van het EUV gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven. Uit de stukken blijkt niet wat dient te worden verstaan onder ‘narcotic pills’ en welke werkzame stof deze zouden bevatten. Daarnaast valt op dat in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek plotseling wordt geconcludeerd dat de opgeëiste persoon betrokken was bij de invoer van cocaïne, terwijl het daarvoor niet ging om cocaïne maar om die ‘narcotic pills’ en cannabis. Onder de gegeven omstandigheden blijft volgens de verdediging onduidelijk waarvoor precies om uitlevering wordt verzocht, waardoor de dubbele strafbaarheid niet kan worden getoetst en de beschermende waarborg van specialiteit ineffectief is. De raadsvrouw heeft geconcludeerd dat onder meer om deze reden de stukken ongenoegzaam zijn en dit dient te leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering danwel het opvragen van aanvullende informatie hierover bij de Turkse autoriteiten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken wel genoegzaam zijn. In de door haar overgelegde schriftelijke samenvatting heeft zij aangevoerd dat volgens de uiteenzetting van de feiten de Turkse strafvervolging ziet op deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en internationale handel in verdovende middelen, te weten de in- en uitvoer van Ecstasy (MDMA) en cannabis. Zij heeft op de zitting meegedeeld dat zij, na een daartoe gedaan verzoek, per e-mail nadere informatie van de Turkse officier van justitie heeft ontvangen met betrekking tot de in het uitleveringsverzoek genoemde ‘verdovende pillen’ en dat zij op basis van die informatie concludeert dat het Ecstasy-pillen (MDMA) betreffen. Verder heeft zij meegedeeld dat de verdenking niet ziet op de handel in cocaïne.
Zoals door de rechtbank op de zitting is benoemd, bevindt het door de officier van justitie genoemde stuk met aanvullende informatie zich niet in het dossier. De officier van justitie heeft dit stuk ter zitting ook niet overgelegd.
De raadsvrouw heeft meegedeeld dat zij bij gebreke van deze informatie persisteert bij haar standpunt.
De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek gesloten en bepaald dat uitspraak wordt gedaan op 28 oktober 2025.
De rechtbank heeft op 20 oktober 2025 een e-mail van de officier van justitie ontvangen met als bijlage een in de Engelse taal opgestelde aanbiedingsbrief van de Turkse autoriteiten van 7 oktober 2025, met daarbij een stuk van de Turkse autoriteiten van 15 september 2025 met aanvullende informatie met betrekking tot het uitleveringsverzoek in de Turkse taal en een Engelse vertaling daarvan.
Nu dit stuk is ontvangen na het sluiten van het onderzoek en de raadsvrouw daar dus niet over is gehoord, kan de rechtbank de inhoud daarvan op dit moment niet betrekken bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek. Ook ontbreekt nog een Nederlandse vertaling door een beëdigde vertaler.
Volgens het stempel op de aanbiedingsbrief is deze op 13 oktober 2025 op het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen. De rechtbank stelt vast dat dit stuk door de Turkse autoriteiten tijdig is verstrekt. Daarnaast begrijpt de rechtbank uit de Engelse vertaling van dit stuk dat hierin een nadere omschrijving wordt gegeven ten aanzien van de verdenkingen. Het betreft dus een stuk dat relevant kan zijn bij de beoordeling van de genoegzaamheid van de uiteenzetting van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat dit stuk – ondanks dat het is ingediend na sluiting van het onderzoek – niet terzijde kan worden geschoven.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden, met opdracht aan de officier van justitie om de Nederlandse vertaling van dit stuk en de bijbehorende aanbiedingsbrief door een beëdigde vertaler aan te leveren. Vervolgens zullen de officier van justitie en de raadsvrouw in de gelegenheid worden gesteld om een nader standpunt kenbaar te maken naar aanleiding van de verkregen informatie.”
De officier van justitie heeft vervolgens een Nederlandse vertaling aangeleverd van een op 13 oktober 2025 van de Turkse autoriteiten ontvangen proces-verbaal van de Openbaar Aanklager, gedateerd 15 september 2025. Dit stuk houdt (in de Nederlandse vertaling) onder meer het volgende in:
“PROCES-VERBAAL ONDERZOEK DOSSIER
Geautoriseerde instanties uit de Joint Investigation Team-landen Frankrijk, België en Nederland hebben de gegevens van het versleutelde communicatieprogramma SKY-ECC gedecodeerd, met als doel de internationale handel in verdovende middelen een halt toe te roepen. De gedecodeerde gegevens zijn, overeenkomstig de Europol Onderhandelingsakte, aan onze gerechtelijke autoriteiten overgedragen. Uit onderzoek van deze gegevens is gebleken dat er een organisatie actief is, opgericht onder leiding van (…), die talrijke internationale zendingen verdovende middelen heeft uitgevoerd. Dienovereenkomstig is door het Openbaar Ministerie te Istanbul een onderzoek gestart onder dossiernummer […] . Uit onderzoek van de SKY-ECC gegevens, gericht op het identificeren van de leden van deze organisatie en hun handelingen, is vastgesteld dat verdachte [opgeëiste persoon] (…) lid was van de onder leiding van (…) opgerichte organisatie en dat hij het versleutelde communicatieprogramma SKY-ECC gebruikte met pincode (…).
Bevindingen met betrekking tot de door de verdachte in het kader van de organisatieactiviteiten uitgevoerde handelingen:
1-) Vastgesteld is dat [opgeëiste persoon] die het SKY-ECC programma gebruikte met pincode (…), en een gebruiker met pincode (…) communicatie hebben gevoerd tussen 04.03.2021 en 07.03.2021. Uit de inhoud van de gesprekken blijkt dat [opgeëiste persoon] op 04.03.2021 van plan was verdovende middelen, verborgen in een grote auto, naar Turkije te sturen. In de berichten gaf [opgeëiste persoon] aan dat de verdovende middelen “wiet” en “pillen” betroffen. Hij meldde dat hij deze stoffen, die zich in afzonderlijke zakjes en pakketjes bevonden, in aparte kartondozen zou verpakken, dat de verdovende middelen momenteel 46 pakketten omvatten en dat hij mogelijk nog meer zou toevoegen, wat hij ook aan de gebruiker met pincode (…) doorgaf. Tegelijkertijd met dit gesprek stuurde [opgeëiste persoon] via het SKY-ECC programma ook een foto van een deel van de door hem klaargemaakte verdovende middelen naar de gebruiker met pincode (…), en gaf aan dat hij op een van de dozen de letters “BSK” zou schrijven. Bestudering van de desbetreffende foto’s toonde aan dat een deel van de verdovende middelen in doorzichtige plastic zakjes zat, en een ander deel was omwikkeld met een groen, ondoorzichtig, tape-achtig materiaal met een aantal onderscheidende emblemen/symbolen. Uit de gesprekken tussen de partijen op 06.03.2021 en 07.03.2021 bleek dat de gebruiker met pincode (…) aan [opgeëiste persoon] meedeelde dat de verdovende middelen op 06.03.2021 aan een röntgencontrole waren onderworpen bij de Kapikule grensovergang en in beslag waren genomen door de douane. In de gespreksinhoud was te zien dat [opgeëiste persoon] de gebruiker met pincode (…) vroeg te bevestigen of de verdovende middelen daadwerkelijk in beslag waren genomen, waarop de gebruiker met pincode (…) antwoordde dat de verdovende middelen absoluut in beslag waren genomen en dat de chauffeur van het voertuig aan het verhoor was.
Onderzoek naar de in de gesprekken tussen [opgeëiste persoon] en de gebruiker met pincode (…) genoemde verdovende middelen, waarvan wordt aangenomen dat deze in beslag zijn genomen bij de Kapikule Douanegrens:
In het kader van onderzoek 2021/2376 van het Openbaar Ministerie te [plaats] zijn op 06.03.2021 in de aanhanger van een TIR-vrachtwagen met kenteken (…). die op die datum de Kapikule Douanezone binnenkwam, verdovende middelen aangetroffen die verborgen waren in de oplegger. Het betrof een verdovend middel met een gewicht van 63 kilogram en 48 gram, waarvan werd aangenomen dat het cannabis was, en een stof in pilvorm met een gewicht van 183 kilogram en 990 gram (ongeveer 710.000 stuks), waarvan eveneens werd aangenomen dat het een verdovend middel betrof. Van alle door de wetshandhavingsinstanties in beslag genomen verdovende middelen zijn foto’s gemaakt. Bestudering van deze foto’s toonde aan dat op één van de kartonnen dozen waarin de verdovende middelen waren opgeborgen, net zoals [opgeëiste persoon] in zijn SKY-ECC gesprekken had aangegeven, de letters “BSK” stonden. Eveneens bleek uit een vergelijking dat een deel van de in beslag genomen verdovende middelen op dezelfde manier waren verpakt (omwonden met een groen, ondoorzichtig, tape-achtig materiaal met een aantal onderscheidende emblemen/symbolen) als de verdovende middelen op de foto die [opgeëiste persoon] via SKY-ECC had gestuurd. In het deskundigenrapport dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de op 06.03.2021 bij de Kapikule grensovergang in beslag genomen verdovende middelen, staat vermeld dat de stof met een gewicht van 63 kilogram en 48 gram poedervormige cannabis betrof, bevattende de werkzame stof THC, en dat de stof met een gewicht van 183 kilogram en 990 gram (ongeveer 710.000 stuks) de werkzame stof MDMA bevatte.
Wanneer de SKY-ECC gesprekken tussen [opgeëiste persoon] en de gebruiker met pincode (…), de via SKY-ECC verzonden foto, de op 06.03.2021 in beslag genomen verdovende middelen en de door de wetshandhavingsinstanties gemaakte foto’s daarvan gezamenlijk worden beoordeeld, wordt duidelijk dat de op 06.03.2021 in beslag genomen stoffen de verdovende middelen waren die door [opgeëiste persoon] naar ons land werden gestuurd, en dat [opgeëiste persoon] op de beschreven wijze het delict “handel drijven in of verschaffen van verdovende en stimulerende middelen” heeft gepleegd door verdovende middelen (bevattende de werkzame stoffen THC en MDMA) naar ons land te sturen.
2-) Uit bestudering van alle door de verdachte op het SKY-ECC platform gevoerde gesprekken, is gebleken dat de verdachte de hierboven beschreven handeling heeft verricht in het kader van de organisatieactiviteiten. Waargenomen is dat de verdachte bij het verrichten van deze handelingen handelde volgens instructies van de organisatieleider (…). Derhalve is vastgesteld dat de verdachte lid was van de onder leiding van (…) opgerichte criminele organisatie.
Vastgesteld is dat de verdachte heeft deelgenomen aan de, in het kader van de organisatieactiviteiten uitgevoerde, cyclus van importeren, exporteren en transporteren van verdovende middelen, zoals hierboven beschreven, en dat hij derhalve de delicten “lidmaatschap van een met het oogmerk op het plegen van misdrijven opgerichte organisatie” en “handeldrijven in of verschaffen van verdovende en stimulerende middelen” heeft gepleegd.”
Op 11 februari 2026 heeft de nadere behandeling van het uitleveringsverzoek plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die zitting is daar het volgende voorgevallen:
“De jongste rechter deelt aan de opgeëiste persoon mee:
De zaak is eerder ook al behandeld op 14 oktober 2025. De rechtbank heeft op 28 oktober 2025 een tussenuitspraak gewezen en daarbij het onderzoek heropend en de behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden. De reden daarvoor was dat kort daarvoor, namelijk op 20 oktober 2025, nog aanvullende informatie van de Turkse autoriteiten beschikbaar was gekomen, waarvan op dat moment nog geen Nederlandse vertaling beschikbaar was en de rechtbank het zuiver leek om de verdediging nog de gelegenheid te geven om daarover een standpunt in te nemen.
De officier van justitie heeft een Nederlandse vertaling van dit stuk aangeleverd. Vervolgens heeft de rechtbank op 24 december 2025 de reactie van uw raadsvrouw op dit stuk ontvangen. Zij heeft daarin gemotiveerd naar voren gebracht dat zij haar verweren handhaaft. Op 9 februari 2026 heeft de rechtbank de reactie daarop van de officier van justitie ontvangen, waarin staat dat haar standpunt ongewijzigd is.
De rechtbank heeft gisteren middels een e-mail van de griffier aan uw raadsvrouw bericht dat het niet noodzakelijk is dat u en uw raadsvrouw aanwezig zijn op de zitting, omdat de rechtbank geen vragen heeft naar aanleiding de verstrekte informatie en de standpunten in de schriftelijke ronde, maar het u en uw raadsvrouw uiteraard vrijstaat om wel te verschijnen. Uit de reactie daarop van de raadsvrouw begreep de rechtbank dat u wel aanwezig wilt zijn, omdat u zelf nog iets naar voren wilt brengen op deze zitting of wilt dat uw raadsvrouw op deze zitting nog namens u het woord kan voeren.
(…)
De raadsvrouw voert het woord en deelt mee:
Over onze aanwezigheid op deze zitting: er is onduidelijkheid ontstaan of er wel of geen zitting meer zou plaatsvinden. Eerder gingen wij er vanuit dat alleen sprake zou zijn van een schriftelijke standpuntwisseling. Toen toch een zitting was gepland, gingen wij er vanuit dat er nog debat zou plaatsvinden. Gisteren werd uit de e-mail van de griffier duidelijk dat wij er niet bij hoefden te zijn, maar toen gaf mijn cliënt aan dat hij toch aanwezig wilde zijn. Ons standpunt is ongewijzigd, omdat in de door de Turkse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 14 september 2025 wel staat dat het cannabis en MDMA zou zijn, maar ook daarin niet wordt ingegaan op de zinsnede in het uitleveringsverzoek over het smokkelen van cocaïne. Daarover wordt nog steeds geen duidelijkheid gegeven. Je zou kunnen concluderen dat het uitleveringsverzoek daar niet op ziet, omdat dat in dit stuk niet is genoemd, maar het wordt ook niet expliciet uitgesloten. Deze zinsnede in het uitleveringsverzoek maakt toch dat de omschrijving van de feiten niet genoegzaam is. Gelet op het specialiteitsbeginsel mag mijn cliënt alleen worden uitgeleverd voor de feiten die zijn genoemd in het uitleveringverzoek. Nu deze zin over cocaïnesmokkel er nog wel in staat, zouden de Turkse autoriteiten zich daar toch nog op kunnen beroepen en kunnen besluiten om hem ook daarvoor te vervolgen. Ik verzoek primair om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair verzoek ik om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven om aan de Turkse autoriteiten nadere vragen te stellen over de genoemde zinsnede in de Engelse vertaling.
De officier van justitie voert het woord en deelt mee:
Er is inderdaad verwarring ontstaan over die zinsnede in de Engelse vertaling. Ik wijs erop dat deze zinsnede niet staat in de Nederlandse vertaling. Daarin staat dat het gaat om cannabis en verdovende pillen en uit de aanvullende informatie blijkt dat de verdovende pillen MDMA-pillen betreffen. Verder persisteer ik bij mijn eerder ingenomen standpunt. Ook het subsidiair gedane verzoek moet worden afgewezen.
De raadsvrouw deelt mee:
Wat mij betreft maakt het het onduidelijker als het in de ene vertaling wel staat en in de andere vertaling niet. Wat staat er dan in het origineel? Klopt dan de Engelse vertaling of de Nederlandse vertaling? Ik persisteer daarom.”
3 De bestreden beslissing
De bestreden uitspraak van de rechtbank houdt over de genoegzaamheid van de stukken het volgende in:
“5.1 Standpunt opgeëiste persoon
De uitlevering dient ontoelaatbaar te worden verklaard omdat het uitleveringsverzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 12 EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet (hierna: UW). Daartoe is het volgende aangevoerd.
(…)
Daarnaast zijn de feiten niet genoegzaam omschreven. In het uitleveringsverzoek is beschreven dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid bij de invoer van verdovende pillen en cannabis op 6 maart 2021. Daarbij is niet vermeld wat dient te worden verstaan onder ‘verdovende pillen’ en welke werkzame stof deze zouden bevatten. In de aanvullende informatie van 15 september 2025 staat dat de op genoemde datum aangetroffen middelen poedervormige cannabis en pillen met de werkzame stof MDMA zijn. Uit de stukken lijkt dus te volgen dat de uitlevering wordt verzocht in verband met de invoer van cannabis en MDMA. In de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek staat echter verderop de zinsnede ‘in the abovementioned act of smuggling cocaine to our country trom abroad on 06/03/2021’. Hieruit lijkt te volgen dat de uitlevering ook wordt verzocht wegens de vermeende smokkel van cocaïne. In het stuk met aanvullende informatie wordt niet ingegaan op deze zinsnede. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat dus niet de uitlevering wordt verzocht in verband met verdenking van cocaïnesmokkel, maar dit wordt niet expliciet uitgesloten. Gelet op het specialiteitbeginsel mag de opgeëiste persoon alleen worden uitgeleverd voor de feiten die zijn genoemd in het uitleveringverzoek. Nu deze zin over cocaïnesmokkel er nog wel in staat, zouden de Turkse autoriteiten zich daar op kunnen beroepen en kunnen besluiten om hem ook daarvoor te vervolgen. Dit maakt de bescherming van het specialiteitsbeginsel ineffectief.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven om aan de Turkse autoriteiten nadere vragen te stellen over de genoemde zinsnede in de Engelse vertaling.
Beoordeling
(…)
Feiten genoegzaam omschreven
Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, EUV dient ter onderbouwing van het uitleveringsverzoek ook een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, te worden overgelegd. Daarin dienen de tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld. Artikel 18, derde lid aanhef en onder b UW stelt een soortgelijke eis.
De rechtbank stelt vast dat ook aan dit vereiste is voldaan. De omschrijving van de feiten in het uitleveringsverzoek, de aanhoudingbevelen en het later verstrekte proces-verbaal van de Openbaar Aanklager is voldoende concreet en bevat een nauwkeurige vermelding van alle hierboven genoemde aspecten.
Uit deze omschrijving volgt dat feit 2 (de handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen) betrekking heeft op de verdenking van betrokkenheid bij invoer in Turkije van 63 kilogram poedervormige cannabis en 710.000 pillen met de werkzame stof MDMA, die op 6 maart 2021 bij de grensovergang in de provincie [plaats] in een vrachtwagen zijn aangetroffen. In het uitleveringsverzoek is niet concreet vermeld dat de aangetroffen pillen MDMA bevatten. Daarin staat alleen dat het gaat om ‘verdovende pillen’. Dat deze MDMA bevatten blijkt wel uit de nadere omschrijving in het proces verbaal van de Openbaar Aanklager, waarin onder meer de uitslagen van het deskundigenonderzoek aan de aangetroffen stoffen zijn genoemd. Hierin staat dat de betreffende pillen de werkzame stof MDMA bevatten.
Gelet op deze omschrijving stelt de rechtbank vast dat dit feit niet tevens ziet op invoer/smokkel van cocaïne, temeer omdat dit buiten de door de raadsvrouw genoemde zin in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek nergens wordt genoemd. In de Nederlandse vertaling van deze zin staat ‘verdovende middelen' en gelet op de context waarin dit is genoemd en de nadere toelichting in het genoemde proces-verbaal, stelt de rechtbank vast dat dit gaat over de cannabis en pillen met MDMA die op 6 maart 2021 zijn aangetroffen, en niet over cocaïne. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de term ‘act of smuggling cocaine' in de Engelse vertaling van deze zin een (ver)taalfout betreft. Het verweer dat de feiten niet genoegzaam zijn omschreven, wordt daarom verworpen.
De rechtbank ziet gelet hierop ook geen aanleiding om de officier van justitie opdracht te geven hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten en de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen.”
4 De bespreking van het middel
Vooropgesteld moet worden dat het voorliggende uitleveringsverzoek van Turkije in de eerste plaats wordt beheerst door het EUV, dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de UW. In art. 12 lid 2 EUV is geregeld welke stukken en informatie bij een uitleveringsverzoek moeten worden gevoegd. Art. 12 lid 2 EUV luidt – voor zover hier relevant en in de Nederlandse vertaling:
“Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd:
(…)
(b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; (...)”
Art. 18 lid 3 UW schrijft – in min of meer vergelijkbare bewoordingen – voor:
“Het verzoek moet vergezeld gaan van:
(…)
b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan.”
Een dergelijke uiteenzetting van de feiten stelt in de eerste plaats de uitleveringsrechter in staat om te beoordelen of aan de voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering is voldaan en maakt het voorts voor de opgeëiste persoon en de Minister van Justitie en Veiligheid mogelijk om na uitlevering de handhaving van het specialiteitsbeginsel te controleren. Dit beginsel brengt mee dat een opgeëiste persoon na uitlevering niet voor andere, vóór de uitlevering begane feiten kan worden vervolgd of gestraft dan voor de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan (art. 14 EUV en art. 12 UW).
Namens de opgeëiste persoon is bij de rechtbank het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, op de grond dat de stukken niet genoegzaam zijn, omdat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht niet voldoende zijn omschreven zoals bedoeld in art. 12 lid 2 EUV en art. 18 lid 3 UW. Daartoe is onder meer naar voren gebracht dat uit de stukken enerzijds lijkt te volgen dat de uitlevering wordt verzocht in verband met de invoer van cannabis en MDMA, maar anderzijds in de Engelse vertaling wordt gesproken van de “act of smuggling cocaine”. Gesteld is dat de Turkse autoriteiten in de strafzaak op grond van deze zinsnede ertoe zouden kunnen besluiten de opgeëiste persoon ook te vervolgen voor cocaïnesmokkel, hetgeen de betekenis van het specialiteitsbeginsel zou uithollen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden en de officier van justitie opdracht te geven om aan de Turkse autoriteiten nadere vragen te stellen over de bewuste zinsnede in de Engelse vertaling.
De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Volgens de rechtbank zijn de feiten voldoende omschreven in het uitleveringsverzoek, de aanhoudingbevelen en het later verstrekte proces-verbaal van de Openbaar Aanklager. De rechtbank heeft erop gewezen dat in (de Nederlandse vertaling van) het uitleveringsverzoek ten aanzien van feit 2 (de handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen) staat dat het gaat om cannabis en ‘verdovende pillen’. De werkstof in die pillen wordt in dat verzoek niet concreet vermeld, maar uit de nadere omschrijving in het proces verbaal van de Openbaar Aanklager, waarin onder meer de uitslagen van het deskundigenonderzoek aan de aangetroffen stoffen zijn genoemd, blijkt dat de pillen MDMA bevatten. Gelet hierop, heeft de rechtbank vastgesteld dat dit feit niet tevens ziet op de invoer of smokkel van cocaïne. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat dit – buiten de door de verdediging genoemde zinsnede in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek – nergens in de stukken wordt genoemd. De rechtbank is er daarom vanuit gegaan dat de bewuste zinsnede in de Engelse vertaling een (ver)taalfout betreft. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging om de officier van justitie opdracht te geven hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten en de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden afgewezen.
Het middel behelst allereerst de klacht dat het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan de vereisten die de wet stelt in het kader van de genoegzaamheid van feiten onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd is. Volgens de steller van het middel kan de bedoelde zinsnede niet zomaar worden afgedaan als een (ver)taalfout, omdat het gaat om een zinsnede in een door de Turkse autoriteiten opgestelde en aan de Nederlandse autoriteiten verstrekte vertaling (cursivering VS). Daarmee blijft het risico bestaan dat de opgeëiste persoon na uitlevering in Turkije (ook) wordt vervolgd voor de invoer of smokkel van cocaïne, aldus de steller van het middel.
Daarin volg ik de steller van het middel niet. De inhoud van het later door de Turkse autoriteiten verstrekte proces-verbaal van de Openbaar Aanklager laat er naar mijn inzicht geen twijfel over bestaan dat de in het uitleveringsverzoek als feit 2 omschreven verdenking (enkel) betrekking heeft op (afgerond) 63 kilogram cannabis en 710.000 pillen bevattende MDMA die op 6 maart 2021 zijn aangetroffen in de aanhanger van een vrachtwagen. De vaststelling van de rechtbank dat de gewraakte zinsnede in de Engelse vertaling van het uitleveringsverzoek een (ver)taalfout betreft komt mij ook gelet op de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek, waarin met geen woord wordt gerept over cocaïnesmokkel, niet onbegrijpelijk voor. Tegen deze achtergrond kan ik evengoed plaatsen het oordeel van de rechtbank dat het feitencomplex waarvoor de uitlevering wordt verzocht genoegzaam is omschreven in de zin van art. 12 lid 2 EUV en art. 18 lid 3 UW, alsook het daarin besloten liggende oordeel dat de naleving van het specialiteitsbeginsel hiermee voldoende gewaarborgd is. Voor zover het middel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd, faalt het.
Eenzelfde lot deelt de in het middel besloten liggende tweede klacht dat de rechtbank het verzoek van de verdediging om de officier van justitie opdracht te geven om bij de Turkse autoriteiten duidelijkheid te verkrijgen over de genoemde zinsnede in de Engelse vertaling op onbegrijpelijke wijze heeft verworpen. Nu de rechtbank reeds om de hiervoor genoemde redenen de stukken genoegzaam achtte, kan ik het oordeel van de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om de officier van justitie opdracht te geven hierover nadere vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten goed volgen.
5 Slotsom
Het middel faalt en kan mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G