Strafrecht overig

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. verdenking van…

Hoge Raad, 3 november 2026

Zaakgegevens

Op 3 november 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 november 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
26/01564
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1787
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Nederlandse nationaliteit) naar Turkije t.z.v. verdenking van deelname aan criminele organisatie en drugshandel. Genoegzaamheid van stukken, art. 12.2.b Europees Verdrag betreffende uitlevering en 18.3.b Uitleveringswet. Kon Rb oordelen dat feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht genoegzaam zijn omschreven a.b.i. art. 12.2 EUV en 18.3 Uitleveringswet en dat er geen reden is om OvJ opdracht te geven om hierover nadere vragen te stellen aan Turkse autoriteiten?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 22 september 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:879
  2. Hoge Raad · 3 november 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1787

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 26/01564 U

Datum 3 november 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2026, nummer UTL-I-2025015000, op verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering

van

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de opgeëiste persoon.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2026.